13 JAN, 2026 • Opinie

Waarom de kloof tussen politiek en internationaal bedrijfsleven groeit

Topmanagers en politici praten wél, maar begrijpen elkaar niet, betoogt Guy Kerpen. De kloof tussen internationale bedrijven en Den Haag groeit, en zonder structureel overleg dreigt Nederland zijn concurrentiekracht én welvaart te verliezen.

Een topman van Philips kwam ooit terug van een gesprek met een minister. Waardeloos, was zijn oordeel. ‘Hij snapte er echt helemaal niks van,’ klaagde de topman. Toevallig kende ik diezelfde minister goed. Zijn oordeel? ‘Jullie ceo begreep echt helemaal niet voor welke uitdagingen ik sta.’

Dat misverstand vat in een paar zinnen samen wat er misgaat tussen Den Haag en het internationale bedrijfsleven. We praten nog wel met elkaar, maar we verstaan elkaar steeds minder goed omdat we een andere taal spreken. Daar moeten we wat aan doen, want in een tijd van geopolitieke spanningen, technologische transities en groeiende maatschappelijke onrust kunnen we het ons niet veroorloven dat politiek en bedrijfsleven op verschillende golflengtes zitten.

Van gezonde spanning naar diepe kloof

De spanning tussen ondernemers en politici is van alle tijden. Bedrijven streven naar groei en winst, de overheid naar welzijn en draagvlak. Maar wat vroeger een vruchtbare tegenstelling was, is inmiddels een kloof geworden.

Die kloof groeit door een aantal trends. Globalisering heeft multinationals wereldwijd verankerd, terwijl overheden juist lokaler zijn gaan denken. Waar Den Haag bezig is met nationale belangen – banen, stikstof, koopkracht – opereren bedrijven in mondiale netwerken waarin Nederland hooguit één van de schakels is.

In de bestuurskamers is dat goed zichtbaar. Vijfentwintig jaar geleden was de executive committee van Philips voor bijna 60 procent Nederlands; nu is dat nog maar een derde. Een internationaal bestuur brengt nieuwe perspectieven, maar verkleint de emotionele band met Nederland. Op hoofdkantoren werken steeds meer expats die de Haagse debatten niet volgen en de Nederlandse stukken niet lezen. De rol van de klassieke landendirecteur Nederland is ook veranderd: vaak wordt deze nu gecombineerd met andere (business) verantwoordelijkheden binnen het bedrijf.

Wie spreekt met wie?

Het gevolg is verwarring aan beide kanten. Wie vertegenwoordigt het bedrijf: de ceo, vaak in het buitenland, of de countrymanager in Nederland? En aan Haagse zijde: wie bepaalt het beleid – de minister, de Kamer, of de toevallige meerderheid van de dag?

Door de politieke fragmentatie is het voor bedrijven bijna onmogelijk geworden om met één stem aan tafel te zitten. Wat vandaag met een bewindspersoon wordt afgesproken, kan morgen alweer achterhaald zijn. De roep om consistent beleid klinkt dan ook steeds luider, maar stabiele meerderheden lijken verleden tijd.

Toch is het te gemakkelijk om met de vinger naar Den Haag te wijzen. Ook het bedrijfsleven is versnipperd. ‘Het’ bedrijfsleven bestaat niet; de belangen van de industrie in verschillende sectoren lopen uiteen. De afgelopen jaren heb ik vaak meer tijd besteed aan het op één lijn krijgen van bedrijven dan aan het overtuigen van de politiek.

Twee werelden zonder tolk

Beide werelden begrijpen elkaar slecht. Bedrijven onderschatten de complexiteit van het democratisch proces (‘dat stikstofprobleem lossen we wel even op’), terwijl politici zelden ervaring hebben in het internationale bedrijfsleven. Het gevolg: wederzijdse irritatie en wantrouwen.

Er ís overleg, maar vooral ad hoc – tijdens crises of rond specifieke thema’s. Er is geen structurele dialoog waarin overheid en bedrijfsleven elkaar beter leren kennen. En dat terwijl Nederland zijn welvaart niet kan behouden zonder sterke internationale bedrijven. Tegelijk kan het bedrijfsleven niet floreren zonder een voorspelbare, betrouwbare overheid.

Tijd voor een volwassen relatie

De oplossing ligt niet in nóg een beleidsnota, maar in het herstel van de relatie. Den Haag zou structureel overleg moeten organiseren met het bedrijfsleven – niet alleen via Economische Zaken, maar ook met andere ministeries. Vroeger was er bij EZ de informele ‘Vogeltjesclub’, waar ambtenaren en bedrijven vrijuit met elkaar spraken. Zulke platforms zijn hard nodig.

Daarnaast mag de overheid best wat internationaler communiceren. In een tijd waarin de meeste boardrooms Engelstalig zijn, is het niet vreemd om belangrijke Kamerstukken ook in het Engels beschikbaar te stellen. Technologie kan daarbij helpen; AI maakt vertalingen accurater dan ooit.

Maar ook het bedrijfsleven moet de hand in eigen boezem steken. Bedrijven klagen vaak dat Den Haag geen belangstelling toont, maar investeren zelf onvoldoende in de relatie. Lobby is geen noodgreep voor verkiezingstijd, maar een kwestie van continuïteit en vertrouwen. Dat betekent zichtbare managers met mandaat, openheid over keuzes en regelmatige ontmoetingen – niet alleen in crisistijd.

Bovendien moeten bedrijven onderling meer eensgezind optreden. Een overheid die twintig verschillende boodschappen hoort, kan moeilijk beleid maken.

Naar een gedeelde koers

Voor de toekomst is een duidelijke nationale strategie nodig over industrie, innovatie en vestigingsklimaat. Dat zal pijn doen, want keuzes betekenen dat sommige belangen het moeten afleggen. Maar zonder richting verliest Nederland zijn concurrentiekracht.

De overheid moet meer regie durven nemen, het bedrijfsleven meer investeren in de relatie met de politiek én zichzelf naar buiten laten zien. Gelukkig zijn er voorbeelden die laten zien dat samenwerking wél kan – van het Beethovenproject in de Brainport-regio tot de oprichting van een nationale investeringsbank.

De kloof tussen Den Haag en de boardroom is reëel, maar is overbrugbaar. Wie elkaar weer opzoekt, luistert en samenwerkt, kan die afstand verkleinen.

Want alleen als politiek en bedrijfsleven elkaar echt verstaan, kunnen we de balans tussen welvaart en welzijn behouden.

Over de auteurGuy Kerpen (geboren 1959 in Venlo) ging in 1988, na zijn studie elektrotechniek aan de Technische Universiteit Eindhoven, bij Philips werken. De eerste 12,5 jaar werkte hij in business gerelateerde functies waarna hij in 2000 verantwoordelijk werd voor de overheidsrelaties van Philips in Nederland. Die functie combineerde hij ook 8 jaar met de verantwoordelijkheid voor het Europese lobbykantoor van Philips in Brussel. Op 22 september nam hij met een seminar afscheid na 25 jaar werkzaam te zijn geweest als lobbyist voor Philips.

artificial intelligence (ai)brede welvaartconcurrentieglobaliseringmultinationalstechnologievestigingsklimaat