21 MEI, 2026 • Column
Mijntje Lückerath: Anti-Monopoly
Het spel Monopoly draait om bezit: straten en nutsbedrijven kopen ten koste van je tegenstanders. Maar ooit was de opzet van het spel anders, socialer. Hoe is dat zo gekomen?
Iedereen kent Monopoly. Het spel waarin straten, stations en nutsbedrijven van eigenaar wisselen en vriendschappen soms net zo snel verdampen als het geld op tafel. Of je nu Moo-noo-poo-lie zegt of Mon-nop-pelie, ruzie is gegarandeerd. Er bestaat geen echte wereldversie van Monopoly met straten. Wel varianten waarin je steden kunt kopen, maar geen waarin straten centraal staan. Als die versie wél zou bestaan, dan zou de Straat van Hormuz waarschijnlijk de meest waardevolle straat zijn – een plek waar je geen hotels neerzet, maar olietankers. De gevangenis? Een verplicht verblijf in de Golf van Perzië, waar je even ‘vastligt’ tot de geopolitiek weer meewerkt. En wie langs start komt, ontvangt geen vast salaris, maar een grillige olieprijs.
Bezit versus ongelijkheid
Wat minder mensen weten, is dat Monopoly een heel andere oorsprong heeft dan hoe het tegenwoordig wordt gespeeld. In 1903 ontwikkelde Elizabeth Magie The Landlord’s Game. Als aanhanger van de econoom Henry George, die scherpe kritiek had op grondspeculatie en het uitmelken van huurders, ontwierp zij het spel om die ongelijkheid zichtbaar te maken. Haar bedoeling was niet om mensen te laten dromen van rijkdom, maar juist om te laten zien hoe een systeem uitpakt wanneer bezit zich concentreert bij een kleine groep.
Opvallend genoeg ontwikkelde Elizabeth niet één, maar twee sets spelregels. Tijdens het spel kon je van versie wisselen. In de ene versie – The Landlord’s Game – draaide alles om het vergaren van bezit en het uitschakelen van anderen. In de andere versie – Prosperity geheten – deelden spelers in de welvaart en werd samenwerking beloond. Juist door die tegenstelling wilde ze laten zien welk systeem tot welke uitkomsten leidt.
Winner takes all
Elizabeth patenteerde haar spel in 1904 en verspreidde het zelf, in kleine oplages. Later werd alleen de competitieve variant door Parker Brothers opgepikt en grootgemaakt. De versie waarin één speler alles wint, werd een wereldhit; de variant waarin welvaart wordt gedeeld, verdween naar de achtergrond. Het spel dat bedoeld was als kritiek op het kapitalisme, werd zo een viering ervan.
Elizabeths rol werd lange tijd nauwelijks erkend. Een zekere Charles Darrow had haar spel gespeeld, bracht enkele wijzigingen aan en kreeg de eer voor het succes. De ironie laat zich raden: de vrouw die een waarschuwing tegen ongelijkheid ontwierp, verdiende er zelf nauwelijks aan, terwijl het bedrijf dat het spel commercialiseerde er decennialang honderden miljoenen – en inmiddels miljarden – aan omzet mee genereerde.
Pas in de jaren zeventig kreeg Elizabeth erkenning voor haar idee. Toen econoom Ralph Anspach in 1973 Anti-Monopoly ontwikkelde, leidde dat tot een rechtszaak wegens merkinbreuk, aangespannen door Parker Brothers. In die procedure werd duidelijk dat de wortels van het spel veel verder teruggingen en dat Elizabeth al aan het begin van de twintigste eeuw een patent had verkregen op haar oorspronkelijke ontwerp. Daarmee kwam niet alleen haar naam weer boven water, maar ook haar oorspronkelijke bedoeling.
Misschien is het tijd om het spel weer een beetje terug te brengen naar hoe Elizabeth het bedoelde: als een kritische noot ten aanzien van het kapitalisme. Dan hoeft het niet minder leuk te worden, maar kan het juist rijker en fantasievoller worden. Laat niet alleen geld tellen, maar ook andere vormen van waarde: samenwerking, stabiliteit en langetermijnkeuzes. Introduceer een nieuw stapeltje kaarten: Morele dilemma’s. Trek je zo’n kaart, dan moet je kiezen: maximaliseer je je eigen winst, of kies je voor een beslissing die beter is voor alle spelers? Kies je voor rechtvaardigheid of voor barmhartigheid? En dan, ergens op het bord, ligt óók de Straat van Hormuz. Dat is dan niet langer de plek waar je het meeste verdient, maar waar je het meest moet afwegen. In die versie van Monopoly gaat het er niet alleen om dát je wint, maar ook hóé je wint.
Prof. dr. Mijntje Lückerath-Rovers is hoogleraar Corporate Governance aan Tilburg University / TIAS School for Business and Society, kroonlid bij de SER, en commissaris bij onder andere Erasmus MC, Pels Rijcken en NRC. Zij is auteur van Morele Dilemma’s in de Boardroom.
