Waar blijft mijn koopkracht?

Hoe zit het met de koopkracht? Als het érgens over gaat in Den Haag in de aanloop naar Prinsjesdag dan is het wel daarover. Gaat iedereen er wel genoeg op vooruit, is de grote vraag. Want als dat níet gebeurt, heb je de poppen aan het dansen.

 

Ook gisteren tijdens het debat over de Voorjaarsnota waren ze al te horen: paniekerige geluiden als het gaat om de koopkracht. Geen wonder want het ziet er namelijk niet goed uit als het gaat om de koopkracht van werknemers. De economie draait weer volop, maar de werkende Nederlander ziet z'n portemonnee nog altijd even snel leeg raken als voorheen. Erger nog: het Centraal Planbureau rekent voor dat werknemers tot 2021 niet op extra koopkracht hoeven te rekenen.

De schuldige partij lijkt snel gevonden: het zijn natuurlijk de werkgevers die de hand op de knip houden als het gaat om de lonen. Zodat de winsten flink kunnen stijgen. Klinkt logisch, alleen: het klopt niet. Werkgevers zijn namelijk wel degelijk meer kwijt aan hun werknemers. In de periode van 2016 tot 2021 nemen de arbeidskosten volgens het CPB toe met zo'n 15 procent. Oftewel gemiddeld 3 procent per jaar.

Infographic: Maren Bruin

Van elke euro die in het Nederlandse bedrijfsleven wordt verdiend, ging in 2016 bijna 76,9 cent naar de lonen. Dat deel (de arbeidsinkomensquote) stijgt in 2018 naar 78 cent. Treurig genoeg merkt de gemiddelde werknemer daar echter weinig van. Hoe komt dat en waar blijft het extra geld dat werkgevers kwijt zijn aan arbeidskosten?

Heel simpel gezegd gaat ongeveer de helft van de potentiële koopkrachtverbetering teloor door inflatie. Bedrijven (althans, het deel van het bedrijfsleven dat het zich kan veroorloven) laten hun prijzen stijgen. Dat doen ze bijvoorbeeld omdat de stijging van hun productiviteit onvoldoende is om de gestegen arbeidskosten en eventueel de gestegen grondstoffen op te vangen.

Infographic: Maren Bruin

Maar dan blijft er toch nog 8 procent voor koopkrachtverbetering over, zou je denken. Helaas is dat iets te vroeg gejuicht, want vanaf hier komt de overheid om de hoek kijken. De werknemer levert namelijk nog eens 2 procent in doordat ook de overheid zorgt voor inflatie. Bijvoorbeeld door de btw te verhogen of door woningbouwcorporaties de huren te laten stijgen.

Infographic: Maren Bruin

Blijft de teller dan in elk geval staan bij 6 procent extra koopkracht? Helaas niet. Ondanks de bloeiende economie laat de overheid het er namelijk lelijk bij zitten. De lastenverhogingen die in de crisis werden ingevoerd, worden niet teruggedraaid. Sterker nog: in de periode tot 2021 stijgen deze lasten – bij ongewijzigd beleid – vrolijk door. Dan gaat het bijvoorbeeld om werknemers- en werkgeverspremies maar ook om andere overheidslasten. Dit gaat allemaal ten koste van de koopkracht van werknemers.

Ook de overgebleven 6 procent komt op deze manier nooit in de portemonnee van de werknemer terecht. Het resultaat: van de 15 procent die werkgevers bij leggen, blijft precies 0 procent extra koopkracht over in 2021.

 

Infographic: Maren Bruin

Een nieuw kabinet dat iets wil doen voor de hardwerkende Nederlander weet dus waar te beginnen: met het steken van de hand in eigen boezem en het verlagen van de lasten.

 

Even handzaam samengevat:

Infographic: Maren Bruin