Waarom 17 keer scoren op duurzame VN-doelen een uitdaging voor ondernemers is

15-06-2016

De Verenigde Naties zien een grote rol voor het bedrijfsleven bij het verbeteren van de wereld. Maar scoren op zeventien duurzame VN-doelen tegelijk, hoe doe je dat? Vooral als ze lang niet allemaal op jouw veld staan.

Cherry picking is er niet bij, waarschuwde wetenschapper John Ruggie, oervader van de VN-principes voor verantwoord ondernemen, vorig jaar bij het uitkomen van de zeventien nieuwe Sustainable Development Goals (SDG’s) van de VN. ‘Het is niet de bedoeling één doel te kiezen dat je goed uitkomt en de rest te laten liggen.’ In tegenstelling tot de vorige doelen, de Millennium Development Goals uit 1999, is rekening gehouden met de rol die het bedrijfsleven kan spelen bij het verbeteren van de wereld. Unilever-topman Paul Polman was nauw betrokken bij het opstellen van de duurzaamheidsdoelen en hij maakt sinds januari deel uit van een internationaal team van zeventien prominenten dat moet helpen om ze te verwezenlijken. Polman is met de Chinees Jack Ma van onlinebedrijf Alibaba  de enige onder­nemer in het gezelschap.
Sinds de VN-duurzaamheidstop in september 2015 zijn veel bedrijven dan ook hard bezig om te kijken hoe zij alle zeventien doelstellingen in hun bedrijf kunnen integreren. Dat is nog best een karwei omdat veel doelen buiten hun directe bedrijfsvoering vallen, zoals ‘duurzame steden’ en ‘geen honger’. Bedrijven kunnen wel een rol spelen, bijvoorbeeld met het ondersteunen van (beroeps)onderwijs, maar moeten daarvoor eigenlijk samenwerken met ngo’s. En niet elke ngo of maatschappelijke organisatie past bij een bedrijf.

Bedrijven mogen nu ook meedoen
Eind vorig jaar presenteerde de Verenigde Naties zeventien nieuwe Sustainable Development Goals (SDG’s) . De acht ‘oude’ Millennium Goals uit 1999 liepen tot 2015 en hadden als groot nadeel dat er door overheden en ngo’s wel óver het bedrijfsleven werd gesproken, vooral als een deel van het probleem, maar niet ermee. Begrijpelijkerwijs frustreerde dat veel ondernemingen die bezig waren met duurzaam­heid. Dat is nu anders. Sterker nog, partnerships tussen bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties zijn een doel op zich geworden (doel nummer 17). Minister Ploumen hield er deze maand een bijeenkomst over in het kader van het Europees voorzitterschap met vertegenwoordigers van overheden, ngo’s, filantropische instellingen en het bedrijfsleven uit de lidstaten.

Kip of ei
Verantwoord willen produceren, is het probleem ook niet, zegt Koos Brandenburg, hoofd Duurzaamheid bij de geur- en smaakstoffen multinational Givaudan in Naarden. ‘Ik schat in dat bijna alle bedrijven, zeker degene die beursgenoteerd zijn, wel bezig zijn met duurzaamheid’, zegt Brandenburg. ‘Investeerders en analisten kijken steeds meer of een bedrijf duurzaam bezig is. Als dat niet zo is, wordt dat aangemerkt als een risico. Wij willen op een goede manier winst maken, onze klanten verwachten dat van ons en onze toeleveranciers vinden het ook belangrijk. Wie nu wie beïnvloedt, is een beetje kip of ei-verhaal. Ik vind dát ook niet zo interessant.’ 
Het Zwitserse Givaudan heeft zich via de Nederlandse vestiging met een honderdtal Nederlandse bedrijven aangesloten bij de Nederlandse tak van Global Compact, een VN-bedrijfslevenprogramma dat in 1999 werd opgericht en waar nu zo’n zevenduizend bedrijven en een grote hoeveelheid ngo’s bij zijn aangesloten. De aangesloten bedrijven houden zich al aan tien VN-principes voor goed bestuur en verantwoord produceren en willen nu ook de nieuwe doelstellingen opnemen. 
De geur- en smaakstoffenonderneming heeft op dit moment wereldwijd een zestal partnerschappen. Die liggen dicht bij de productie, zoals de Round Table on Sustainble Palm Oil of het lidmaatschap van de ngo Sedex die zich bezig houdt met het verduurzamen van de distributieketen. ‘We zijn al behoorlijk actief op het gebied van klimaatverandering en water’, zegt Brandenburg. ‘Sinds 2009 hebben we onze CO2-uitstoot in onze 34 fabrieken wereldwijd met 15 procent kunnen verminderen, terwijl onze productie omhoog is gegaan met 25 procent. Daar ben ik wel trots op.’
De moeilijkheid zit bij de doelen die verder van de fabrieksmatige activiteiten staan, zoals ‘duurzame steden’. Hoe kun je daar als bedrijf iets aan doen zonder in allerlei gekunstelde constructies te komen? Alleen al daarom zijn partnerschappen met ngo’s interessant, vindt Brandenburg. ‘De discussie hoe we die nieuwe doelen aan de organisatie kunnen hangen is nog bezig’, zegt hij. ‘Nadenken over wie daarbij partners kunnen worden, is nog te vroeg.’ 

‘In ons bedrijf zit duurzaamheid in de cultuur’

Stapje extra
Bij de wetenschappelijke uitgeverij Elsevier (onderdeel van de RELX groep, voorheen Reed Elsevier, niet te verwarren met het weekblad Elsevier) zijn ze iets verder. De komst van de VN-duurzaamheidsdoelen is reden om de bestaande inspanningen wat uit te breiden, zegt Coralie Bos. Zij is senior manager corporate brand bij Elsevier. ‘Dit jaar heeft de ceo van RELX aangekondigd dat we doelstellingen aan die SDG’s gaan verbinden’, zegt Bos. ‘Wij gaan in het CSR jaarverslag onze doelen koppelen aan alle duurzaamheidsdoelen om te laten zien hoe zij zich tot elkaar verhouden. Afgelopen jaar hebben we het rapport ‘Sustainability Science in a gobal Landscape’ gepubliceerd. Dat geeft op basis van de zeventien duurzaamheidsdoelen een overzicht van hoe de wetenschappelijke capaciteit van landen wordt ingezet om duurzame ontwikkeling aan te pakken. En het identificeert kansen voor onderzoek en samenwerking. Volgend jaar publiceren wij een genderrapport en daarbij kijken we ook hoe we dat in ons eigen bedrijf toepassen. Dus als we bijvoorbeeld een editioral board opzetten voor onze publicaties, moeten we ervoor zorgen dat er voldoende vrouwen in zitten. En als ééntje afzegt, zullen we een stapje extra doen om de diversiteit te handhaven.’

‘Als je in je bedrijf aan de slag wilt met de duurzaamheidsdoelstellingen, moet je daarvoor wel de structuur hebben. Anders verwatert het’, zegt Coralie Bos met nadruk. ‘Toen wij met de duurzaamheidsdoelen begonnen, is het managementteam van Elsevier en RELX gevraagd om in de stuurgroep te zitten. Nu zit er een groepje mensen dat elkaar regelmatig spreekt. Zij kunnen voor richting en draagvlak zorgen. In ons bedrijf zit duurzaamheid in de cultuur. We kunnen jaarlijks bijvoorbeeld twee dagen vrij krijgen om te besteden aan een maatschappelijk doel. Er komt nu een interne site waar medewerkers hun eigen duurzaamheidsprojecten kunnen uploaden. Er speelt al zoveel bij de zevenduizend mensen die bij Elsevier werken, dat kun je niet in je eentje overzien.’

Creatief bekijken
RELX heeft de VN-doelstellingen breder getrokken dan de bedrijfsvoering, het papierverbruik en de energierekening. Ook de ‘producten’ werden eens creatief bekeken. Valt er iets extra’s te doen met de wetenschappelijke publicaties en de jurisprudentie die het bedrijf uitgeeft? Ergens moet iemand zich toen afgevraagd hebben of de politiek zich eigenlijk wat aantrekt van al die wetenschap waar veel tijd en geld in is gaan zitten. Daar kon het bedrijf wel iets mee. Welke studies doen het goed en waar liggen de woestijnen waar niemand naar omkijkt?
‘Wij publiceren informatie van hoge kwaliteit, we hebben de tools om die te gebruiken en een goed netwerk’, vertelt Bos. ‘Daarnaast is RELX eigenaar van LexisNexis, van oorsprong een juridische dienst. Wij hebben onze databases naast elkaar gelegd en geanalyseerd hoe en waar in de wereld wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan dat relevant is voor de VN-doelen en hoe dat terugkomt in wetgeving. Zo kunnen witte vlekken worden ingevuld. Dat soort onderzoeken gaan we vaker doen. Het is voor ons toch ook een manier om te laten zien wat we kunnen op het snijvlak van techniek, wetenschappelijke content, innovatie en duurzaamheid’

Wat vinden ondernemers belangrijke doelstellingen
Het Global Opportunity Network heeft een onderzoek gedaan naar de verwachtingen van ondernemers als het gaat om welke VN-duurzaamheidsdoelstellingen het belangrijkst voor hen gaan worden. Het netwerk is een samenwerkingsverband van DNV GL, Global Compact en de Deense denktanks Sustainia en MandagMorgen.
 
        

SLIM
Vorig jaar onderzocht Willemijn Brouwer voor Global Compact zeven partnerschappen tussen ngo’s en bedrijven. Ze destilleerde vier voorwaarden om rekening mee te houden: SLIM. ‘Ze klinken als een open deur’, aldus Brouwer, ‘maar ze worden vaak vergeten:  strategische match, leiderschap, impact en momentum.’ Brouwer noemt in haar thesis het voorbeeld van ING dat samenwerkt met Unicef op het gebied van budgetvoering. Beiden gaan met de beste intenties samen aan het werk met budgetonderwijs. Werkenderwijs blijkt dat ze niet goed bij elkaar passen omdat de doelgroep van Unicef veel jonger is dan die van ING.
Leiderschap en transparantie worden ook vaak vergeten in het enthousiasme dat er een gezamenlijk duurzaam doel bereikt kan worden. Het is de kiem voor frustratie, zegt Brouwer. ‘In het begin is een samenwerkingsverband heel overzichtelijk, er zijn maar weinig mensen bij betrokken. Maar als het project groter wordt, raakt zoek wie wat doet. Brouwer noemt als goed voorbeeld Feike Sijbesma van DSM, die het vaak in het openbaar over het DSM-programma met de VN heeft en daarmee leiderschap toont. ‘En hoe laat je zien dat de samenwerking resultaat heeft? Wat  ga je meten en wie doet dat? Als je het samenwerkingsverband niet in cijfers kunt vatten, is het moeilijk te verkopen aan de buitenwacht. Het helpt tegen de beschuldiging van greenwashing.’
En, heel belangrijk, maar vaak onderbelicht: weet wanneer het momentum voorbij is en je uit elkaar kunt. ‘Stoppen met een samenwerking is geen schande’,  zegt Bouwer. ‘Soms valt er niets meer te doen. Je zou kunnen zeggen dat het een goed moment is om te stoppen. Samenwerking is een duurzaamheidsdoel geworden, maar eigenlijk is het een middel.’