Strengere milieueisen in Brabant kosten ondernemers de kop

04-07-2017

Brabantse boeren moeten sneller dan verwacht strengere milieumaatregelen doorvoeren. Daardoor dreigt de hele agrofoodsector in de problemen te komen. ‘Straks kan een derde van de Brabantse veehouders de deuren sluiten.’

 

Emotionele taferelen waren het, op 7 juli in een overvol Provinciehuis van Brabant. Zo’n achthonderd boeren en andere ondernemers woonden in Den Bosch de stemming bij over de strengere regels voor de uitstoot van ammoniak en fijnstof die de Province wil invoeren. Er werd een laatste poging gedaan om Gedeputeerde Staten te overtuigen dat sneller invoeren van die maatregelen (in 2022 in plaats van 2028) – een plan van gedeputeerden Johan van den Hout (SP) en Anne-Marie Spierings (D66) – desastreus uitpakt voor ondernemers in de provincie. Niet alleen voor boeren, maar ook voor een groot aantal ondernemers die een link hebben met de agrarische sector. In de weken voorafgaand aan de stemming, bleek wel hoe hoog het zit: de hashtag BoerenhorenbijBrabant was op Twitter zelfs een aantal uren trending topic

'Straks moet ik één van mijn productiebedrijven sluiten', zegt ondernemer Huub Fransen (Fransen Gerrits, veevoeder). En staat 50 man op straat
Foto: Erik van der Burgt

Voor Huub Fransen, directeur van veevoederfabriek Fransen Gerrits, is het zuur. Een paar weken gelden vierde hij nog het 120-jarige bestaan van zijn bedrijf. Maar nu houdt hij zijn hart vast voor de gevolgen die het besluit van de Provincie voor zijn bedrijf zal hebben.
Alle stallen in de provincie moeten straks ‘emissiearm’ zijn. Dat betekent dat ze over vijf jaar allemaal ‘luchtwassers’ moeten hebben: installaties die ammoniak en fijnstof uit stallucht filteren. Dat kost de veehouders veel geld. In sommige gevallen gaat het om investeringen van honderdduizenden euro’s. Veel boeren kunnen dat niet betalen. Al helemaal niet omdat die investeringen nu sneller moeten worden gedaan dan eerder was afgesproken. Stoppen is dan voor naar schatting vele honderden tot enkele duizenden boeren de enige optie die rest. Ondernemers als Fransen krijgen daar ook last van. Zijn bedrijf – met een hoofdkantoor in Erp en drie productievestigingen in de regio – produceert voer voor varkens en biggen en biedt werk aan ongeveer 160 mensen. Het bedrijf realiseert 90 procent van z’n afzet binnen de provinciegrenzen. Vrijwel alle klanten zitten binnen een straal van 100 kilometer van de productielocaties. Volgens hem een bewuste keuze. ‘We spreken dezelfde taal als de klant. En doordat we dicht bij hem zitten, weten we wat er speelt. Bij de klant zelf én in zijn omgeving. Bovendien beperken we zo onze transportkosten.’

 

'Als de provincie doorzet, kan een derde van de boeren de deuren sluiten'

 

Eigenlijk bij toeval stuitte Fransen vorig jaar november op een krantenberichtje over het naar voren halen van de nieuwe regels. Een adviesbureau dat voor klanten van zijn bedrijf vergunningen regelt, bracht de gevolgen in kaart. Hij schrok van de uitkomsten. ‘Nu de Provincie z’n plan doorzet, kan een derde van de Brabantse veehouders zijn deuren wel sluiten. Stel dat we daardoor een derde van onze afzet kwijtraken, dan betekent dit sluiting van een van onze productiebedrijven. En dat kost al gauw een man of vijftig hun baan. Want ik ben bang dat het ons niet lukt om vervangend werk te vinden. De markt in Brabant is verzadigd. Compensatie buiten de eigen regio is ook al geen oplossing. Ook daar is de markt verzadigd. Bovendien krijgen we dan te maken met fors hogere transportkosten.’

 

Dit kost omzet

Ook Martijn Paridaans, directeur van de PALI Group, vreest de gevolgen van het naar voren halen van de strengere regels. Het familiebedrijf beschikt in Brabant over twee slachterijen: één voor varkens in Geldrop en één voor kalveren in Den Bosch. De PALI Group biedt aan zeshonderd mensen werk. Paridaans haalt onderzoek aan waaruit blijkt wat voor gevolgen de sluiting van Brabantse veehouderijen kan hebben voor zijn bedrijf. ‘We slachten nu jaarlijks nog 350 duizend kalveren en vijfhonderdduizend varkens, waarvan 60 tot 70 procent uit Brabant zelf. Als er binnen de provincie minder vee beschikbaar komt, houden we slachtcapaciteit over. En dat kost ons omzet.’

Minder vee in de provincie betekent voor ondernemer Martijn Paridaans van de PALI Group, minder vee om te slachten
Erik van der Burgt

De bedrijven van de PALI Group liggen relatief dicht bij de landsgrenzen. Aanvoer vanuit Duitsland en België lijkt dan een voor de hand liggende oplossing. Maar dat stuit volgens Paridaans op grote bezwaren. ‘Wij exporteren vlees naar landen als de Filippijnen en China. En die landen eisen dat de dieren die wij verwerken, geboren en getogen Nederlands zijn.’ Bij de kalveren speelt iets vergelijkbaars. ‘Wij werken in Nederland met een kwaliteitssysteem met hogere eisen dan in de ons omringende landen. Zo zijn er afspraken gemaakt over gebruik van antibiotica, vierkante meters staloppervlak en dergelijke. Op het moment dat we kalveren gaan importeren, is het voor ons onmogelijk om hard te maken dat we voldoen aan de eisen van onze afnemers. En die afnemers zouden het ook niet pikken als we op dit vlak concessies zouden doen.’

 

Ondernemersrisico: serieus?

De Provincie schaart de gevolgen van wat nu dreigt te gebeuren gemakshalve onder de noemer ondernemersrisico. Dit tot grote ergernis van Fransen en zijn collega-ondernemers. ‘De politiek zou voorspelbaar moeten zijn. Ook die in de provincie. Maar daarvan is nu geen sprake.’ Paridaans heeft inmiddels aan den lijve ondervonden wat dat betekent. De PALI Group investeerde de laatste twee jaar nog fors in de slachterijen in Geldrop en Den Bosch. De informatie die nu bekend is, had het bedrijf toen nog niet. ‘We gingen er vanuit dat de situatie pas in 2028 zou veranderen. En dat we nog tien jaar de tijd zouden hebben om te zoeken naar innovatieve oplossingen om de pijn van de reductie te verlichten. Niet dus.’

 

'De politiek zou voorspelbaar moeten zijn, toch? Niet dus'

 

De enige handreiking van de Provincie na alle kritiek is geweest dat de invoering niet acht jaar naar voren wordt gehaald, maar zes jaar. Maar voor Paridaans voelt dat als een doekje voor het bloeden. ‘We komen tijd en geld tekort om maatregelen te nemen.’ Fransen vindt het ook kwalijk dat Brabantse bedrijven – nota bene door hun ‘eigen’ overheid – op achterstand worden gezet ten opzichte van hun collega’s elders in het land. ‘Een gelijk speelveld, in elk geval op nationaal niveau, dát is toch niet te veel gevraagd?’

 

Geen gehoor bij Statenleden

Over de bereidheid van de Provincie om te luisteren naar de argumenten van de ondernemers, had Fransen al zo zijn twijfels. Met vier bezorgde collega’s mocht hij een aantal weken geleden in het Bossche Provinciehuis opdraven voor een gesprek met de verantwoordelijke Statenleden. Een uurtje kregen ze om hun verhaal te doen. Hij hield er geen goed gevoel aan over. En dat blijkt nu dus terecht.
Jan van Mourik van de Brabants-Zeeuwse Werkgeversvereniging is teleurgesteld over de uitkomst van de stemming. Nu is het te hopen, zegt Van Mourik, dat de veehouders en andere ondernemers in elk geval bij de uitvoering van de plannen nog actief worden betrokken. Ondertussen werkt de Brabants-Zeeuwse Werkgeversvereniging aan de opzet van een Taskforce innovatie en agrofood. Gedachte daarachter is dat met alle kennis die innovatieve Brabantse bedrijven voorhanden hebben, gewerkt gaat worden aan een alternatief om de milieudoelen te halen. Maar dan zonder ingrijpende gevolgen voor de werkgelegenheid in de agrofood-sector.

 

Alleen al de agrarische sector is in Brabant goed voor 27.500 banen. Daar komt de werkgelegenheid bij toeleveranciers, afnemers en andere bedrijven nog bij

En anders?

Ondernemer Paridaans betwijfelt of de weg die de Provincie bewandelt juridisch wel door de beugel kan. ‘Als het niet anders kan, rest nog maar een ding: de gang naar de rechter. Die moet zich er dan maar over uitspreken.’ De boerenorganisatie ZLTO bereidt zich daar in elk geval vast op voor.

 

Het aantal boerenbedrijven loopt al jaren terug