Pieter Omtzigt: ‘Brexit leeft te weinig in Nederland’

Een afgemeten ‘nee’ en dan een lange stilte. De eerste reactie van CDA-kamerlid Pieter Omtzigt op de vraag of de Brexit wel leeft in Nederland, is veelzeggend. Omtzigt is een van drie Kamerrapporteurs over het onderwerp en hij is bezorgd. Want laconiek zijn over Brexit kan Nederland zich niet veroorloven, vindt hij.

 

Hoe vindt u dat het proces rond de Brexit er voor staat?

‘Het is heel moeizaam. Er is bijna geen onderhandelingsruimte. Hier wreekt zich dat de Britten voor ze het referendum hielden over de Brexit niet helder hadden welke Brexit optie ze kozen, wat de relatie met de EU moest zijn. Dat kun je de Brexiteers verwijten, maar dan moet je dat ook de toenmalige premier Cameron verwijten, die nogal lichtzinnig het referendum uitschreef zónder dat iemand een duidelijk plan voor ogen had.’

 

Wie is Pieter Omtzigt?Pieter Herman Omtzigt werd in 1974 geboren in Borne. Hij studeerde economie en statistiek aan de Universiteit van Exeter en de Libera Università degli Studi Sociale Guido Carli in Rome. Omtzigt deed promotie-onderzoek aan het European University Institute in Florence, waarna hij in 2003 promoveerde. Sinds dat jaar is hij (met een korte onderbreking in 2010) lid van de Tweede Kamer voor het CDA. Omtzigt was meerdere malen rapporteur, onder meer over voorstellen van de Europese Commissie op het gebied van pensioenen en nu - samen met Anne Mulder (VVD) en Kees Verhoeven (D66) - over de Brexit.

Wie spreekt u zoal om het beeld over de Brexit helder te krijgen voor de Tweede Kamer?

‘Met wie niet. Ik heb nu aan twee rapportages aan de Kamer gewerkt. We hebben gesproken met de ministers in Groot-Brittannië en Ierland, met de parlementen van Engeland, Schotland, Wales en Noord-Ierland, het Franse parlement en hun rapporteurs en meerdere keren met EU-hoofdonderhandelaar Barnier. Verder hebben we een aantal hoorzittingen gehouden met onder andere bedrijven en mensen die in Groot-Brittannië wonen. En natuurlijk hebben we een hoop experts gesproken en relevante organisaties zoals Interpol bezocht.’

 

Meld je hier aan voor de Brexit-nieuwsbrief voor ondernemersLeeft Brexit in Nederland?

‘Nee.' (lange stilte) 'Dat vind ik best een probleem. Vrij cruciale processen komen abrupt tot een einde. Eén van onze aanbevelingen is dat er een stresstest wordt gehouden om te kijken wat er met de douane gebeurt na de Brexit. De douane heeft nu al ondercapaciteit doordat Wiebes douaniers gebruik liet maken van de goudgerande afvloeiingsregeling. Als er over iets meer dan een jaar extra mensen nodig zijn om meer controles uit te voeren en het kost twee jaar om een douanier op te leiden, wil ik wel graag weten wat de gevolgen zijn voor de havens en het wegvervoer. De hele goederenstroom in Rotterdam moet anders behandeld worden. Er komen strenge controles op landbouwproducten.’

 

Waarover maakt u zich verder zorgen rond de Brexit?

‘Over de visserij. Tweederde van de Nederlandse vangst komt van Britse visgronden. Over de economische gevolgen bestaat nog veel onzekerheid. Beide kampen hebben heel scherpe beelden neergezet. Volgens de Brexiteers zou de economie groeien als nooit tevoren en in de EU werd de ondergang van de Britten voorspeld. Geen van beide is waar. De groei in Groot-Brittannië is lager dan in de rest van de EU, maar een land als Frankrijk zou een parade op de Champs-Élysées houden voor het Britse werkloosheidscijfer van 4,2 procent, het laagste in meer dan veertig jaar.’

 

'De Britten straffen heeft geen zin. Zet liever in op een goede handelsrelatie'

 

Wat kan Nederland doen om het proces rond de Brexit te verbeteren?

‘Nederland moet van haar invloed gebruik maken. Met name Litouwen en Polen hebben in de eerste fase van de onderhandelingen veel gekregen, namelijk zekerheid voor hun burgers in het VK. Samen met hen, Ierland, Duitsland en Frankrijk moet Nederland nu inzetten op een goede handelsrelatie. Het heeft geen zin om de Britten te straffen door het ze zo moeilijk mogelijk te maken. Het is net als met een voetbalclub: je moet zorgen dat je zo aantrekkelijk mogelijk bent als vereniging. Daar win je het vertrouwen van je leden meer mee dan met het zo moeilijk mogelijk maken om van het lidmaatschap af te komen.’