Omscholing? Dat regelen ondernemers zelf wel

Mag de overheid geld van werkgevers en werknemers confisqueren ten behoeve van het algemeen belang dat de minister voor zich ziet? Het lijkt minister Asscher wel wat en ook de bonden zijn er niet per se op tegen. Maar ondernemers willen niet dat hij aan de scholingspotjes komt.

Het kabinet wil alle Nederlandse spaartegoeden onderbrengen bij de overheid. Die gaat op aanvraag geld uitkeren aan mensen die er iets mee willen doen dat de overheid, in samenspraak met een klankbordgroep, nuttig vindt. Het innen van geld voor de Nationale Spaarpot loopt via de belastingen. Waarom het Rijk dat wil? Spaarders laten hun geld teveel op de bank staan en ze doen er niet de dingen mee die de overheid graag ziet. Beetje raar verhaal?
Inderdaad, het klopt ook niet. Maar het is wel wat minister Asscher van Sociale Zaken wil met de scholingsfondsen van het bedrijfsleven. Asscher wil een ander stelsel voor om-, bij- en nascholing van alle werkenden. De huidige opleidings- en ontwikkelingsfondsen van werkgevers- en werknemersorganisaties moeten van hem op de schop. Hij zou ze willen vervangen door een systeem met ‘individuele, fundamentele scholingsrechten en -plichten’ voor iedereen. Dit kan worden bekostigd via een algemene scholingspremie, zei Asscher op 2 maart op een congres voor vertegenwoordigers van die zogenoemde O&O-fondsen. Want de fondsen zijn niet flexibel genoeg, ze betalen bijna alleen voor opleidingen in de eigen sector. En samenwerking met fondsen uit andere sectoren gaat niet snel genoeg, vindt hij. Ook de Tweede Kamer en de vakbonden zien er wel iets in.

‘Asscher, blijf met je handen van ons geld af’

Asscher wil dat de O&O-fondsen meer hun best doen om laaggeschoolden en flexwerkers te bereiken. Werknemers denken volgens hem niet genoeg na over scholing en werkgevers investeren nu vooral in de scholing van hun vaste personeel, omdat zij niet voor de concurrentie willen scholen. Flexwerkers moeten immers vaak van baan wisselen. De minister hoopt dat werknemers en zzp’ers zich met een nationaal scholingsfonds eenvoudiger en vaker kunnen bij- en omscholen, nu de arbeidsmarkt snel verandert door robotisering en internationalisatie. Maar zo star zijn die fondsen helemaal niet, zeggen de mensen die ermee omgaan.

Afblijven: ons geld
‘Blijf met je poten van ons fonds af’, is vrij letterlijk de boodschap die Judith van Heeswijk van UNETO-VNI aan Asscher heeft. ‘Wij doen van oudsher heel veel scholing in bedrijven. Onze leden leiden vaak hun eigen personeel verder op. Dan heb je als scholingsfonds sectorspecifieke kennis nodig en een goede infrastructuur. Dat is een samenspel tussen werkgevers en werknemers. De samenwerking tussen de diverse partijen is vooral in de regio’s heel goed, dat draagt ook bij aan goed beroepsonderwijs. Dat zie je misschien niet zo goed op landelijk niveau.’
Van Heeswijk kijkt met zorg naar de ontwikkelingen in het Haagse. ‘Als er een nationaal scholingsfonds zou komen, zou je dezelfde situatie kunnen krijgen als in het onderwijs, dat steeds algemener wordt. We zien bij de praktijkscholing dat de overheid zich langzaam terugtrekt en de inzet van het bedrijfsleven wordt steeds belangrijker om toch geschikt personeel te krijgen. Wij kijken in de O&O-fondsen heel simpel naar wat de markt doet en wat wij daarvoor nodig hebben.’
Dat betekent overigens niet dat er helemaal niets te verbeteren valt. Van Heeswijk vraagt zich met Asscher en de bonden ook af hoe je om moet gaan met de flexibilisering van de arbeidsmarkt. ‘Wat moet je met zzp’ers die van branche naar branche gaan? Daar zijn we echt wel mee bezig. Een zzp’er is ook een vakman, die later misschien als werknemer bij een bedrijf in dienst komt en ook in onze branche werkt.’
De veranderingsdrift heeft vooral een politieke achtergrond, vreest Van Heeswijk. En vooral de zorgen van de vakbonden worden gehoord door de PvdA-minister op Sociale Zaken. ‘Sectorale opleidingsfondsen zijn perfect in staat om vraag en aanbod in een branche optimaal op elkaar af te stemmen en goed vakonderwijs te faciliteren’, zegt van Heeswijk. ‘Dat doen we óók voor werknemers die vanuit andere branches willen instromen. Ik verzeker je dat iedereen die in de installatiebranche wil werken, wordt omgeschoold.’

In scholing gaat miljarden om
In Nederland zijn ongeveer honderd sectorale onderwijs- en opleidingsfondsen, de zogenoemde O&O-fondsen. Jaarlijks keren ze ongeveer 1 miljard euro uit. Ze worden gevuld door werkgevers op basis van het aantal personeelsleden dat onder de cao valt. Achterliggende gedachte is dat werkgevers er belang bij hebben dat zij hun personeel kunnen bij- of omscholen en door samen op te trekken kan expertise worden gebundeld. Dat is ook de reden dat werkgevers niet altijd staan te juichen om opleidingen te financieren buiten de eigen sector. De fondsen worden beheerd door werkgevers- en werknemersorganisaties.
Er zijn grote verschillen in werkwijze van de verschillende fondsen, waarover in de cao’s afspraken zijn gemaakt. Vooral de fondsen voor de kleinere sectoren zijn vaak weinig meer dan administratiekantoren. Maar fondsen voor de metaalsector zijn erg actief. Deze bedrijven zijn van oudsher gewend om hun personeel binnen het bedrijf te scholen om ze optimaal voor te bereiden op de nieuwe ontwikkelingen in de onderneming.
Meer weten over opleidingsfondsen? Kijk op ooverzicht.nl/ of www.ondernemersplein.nl/subsidie/OenO-fondsen/

 
Zelf keuzes maken
En het is ook niet zo dat de opleidingsfondsen niet vernieuwen. Drie jaar geleden kwam het Expertisecentrum Beroepsonderwijs met een rapport, Sectorfondsen voor opleiding en ontwikkeling: van pepernoten naar spekkoek, waarin voorbeelden worden genoemd van de manier waarop de fondsen experimenteren met andere werkwijzen. Zoals in de metaalsector, waar de aandacht voor losse cursussen (pepernoten) is vervangen door het ontwikkelen van persoonlijke opleidingstrajecten (spekkoek). Of het mobiliteitscentrum dat is opgezet door de grafimediasector.
De bouwsector is vorig jaar een compleet nieuwe cao overeengekomen. Sindsdien komt de bijdrage voor scholing direct op een rekening van de werknemer die zo zelf meer verantwoordelijkheid krijgt voor zijn scholing. ‘Iedere werknemer onder de bouw-cao heeft een eigen duurzaam inzetbaarheidsbudget’, zegt Joba van den Berg, directeur Sociale Zaken & Ledenservice van Bouwend Nederland ‘Dat dient hij aan te wenden om duurzaam inzetbaar en employable te blijven. Hij kan daarmee zelf keuzes maken voor zijn toekomst want de werkgever betaalt de kosten voor de opleiding die nodig is voor zijn huidige baan. In plaats van dat werkgevers geld storten in een scholingsfonds waarvan maar 20 procent van de werknemers gebruik maakte, gaat het geld nu naar werknemers zelf. Wij hebben het scholingsfonds dus al hervormd en zien geen reden voor een Nationaal Scholingsfonds.’

‘Straks zitten we met enorme molochen’

‘Als Asscher een nationaal onderwijs- en opleidingsfonds wil en hij gaat dat betalen uit de algemene middelen, dan ben ik daar helemaal voor’, zegt bouwondernemer Ton Borst sarcastisch. Borst is commissaris bij het familiebedrijf A.C. Borst Bouw en bestuurslid van brancheorganisatie Bouwend Nederland. Het familiebedrijf wordt nu geleid door zijn zoon, de vierde generatie. ‘Ze moeten met hun poten van dat geld afblijven. Als de overheid dit gaat overnemen, worden dat enorme molochen en over tien jaar wordt alles weer teruggedraaid.’
De bouwsector kon zich de traditionele manier van het beheren van de opleidingsfondsen niet meer veroorloven, zegt Borst. ‘Er was teveel geregel en dure acties om onderwijs te stimuleren. Dat kon wel uit toen we nog tweehonderdduizend mensen in de cao hadden, maar nu zijn er nog maar 96 duizend cao’ers die ervoor betalen.’

Geen sector vol zzp’ers
Kom bij Borst niet aan met het verwijt dat werkgevers hun personeel niet willen scholen. ‘We moeten tot 67 jaar doorwerken’, zegt Borst. ‘Werkgevers en werknemers moeten er samen voor zorgen dat het lukt. Geschoold personeel is goed voor de productie en de veiligheid. Ik ben echt niet voor een sector vol zzp’ers, dat zie ik met lede ogen aan. Ik wil het liefst vast personeel, maar de werkgeverskosten zijn zo hoog, dat kan niet uit.’
Een cao even helemaal hervormen gaat ook niet zomaar, weet Borst. De bouwondernemer ziet de ingrijpende gevolgen. ‘Wij zitten nu in een overgangssituatie. Dat vraagt grote zelfstandigheid van het personeel. De werknemers krijgen nu het scholingsbedrag ‘op hun rekening’, maar ze hebben nog geen potje bij elkaar kunnen sparen. Daarnaast hebben we veel te maken met zij-instromers. Om hen bij te scholen heb je ook een beste pot geld nodig. Maar bedrijven, vooral in het midden- en kleinbedrijf, zijn nog niet zo goed bij kas dat ze even 1.000 euro ophoesten. De afgelopen jaren is er in de bouw geen pukkel verdiend.’
Eigenlijk zou Asscher de bestaande fondsen die dat willen, moeten helpen om over te gaan naar een nieuwe situatie, vindt Borst. Er is, zo zegt hij, door de overheid al genoeg bezuinigd op scholingsmogelijkheden. ‘Dáár zou de overheid kunnen stimuleren.’

Dit artikel komt uit de print Forum