Echt in debat over voeding, kunnen we dat nog?

Voeding is emotie, een nieuwe religie zelfs volgens sommigen. Voor supermarkten en levensmiddelenfabrikanten zijn het ruige tijden. Zij worden regelmatig klemgezet tussen de idealen van de burger en de portemonnee van de consument. Hoe kom je dan nog met elkaar in gesprek?

Wiskundigen, communicatiewetenschappers, psychologen, celbiologen en ecologen: een bont gezelschap van vijftig hoogleraren zette onlangs een handtekening onder een oproep van Wakker Dier gericht op supermarkten tegen de ‘kiloknaller’. Omdat ‘elke winkel het betere vlees hoort aan te bieden’, volgens een van de hoogleraren. Omdat ‘dieren levende wezens zijn die mededogen verdienen’, aldus een ander. Omdat het ‘een poging is het beschavingsproces alsnog en tegen de verdrukking in van nieuwe impulsen te voorzien’, stelt een derde.
De actie, gericht op het overkoepelend orgaan van de supermarkten, verbaast CBL-directeur Marc Jansen niet. ‘Wakker Dier houdt pas op met actie voeren als er echt niemand meer vlees eet. Hun eerste acties gingen over hogere kwaliteitseisen en vooral meer aandacht voor dierenwelzijn. Dat heeft de branche gerealiseerd. Maar nu gaan ze verder in hun strijd om vlees helemaal uit te bannen.’

Waarom de kiloknaller een hardnekkige mythe is
Tijd om af te rekenen met een hardnekkige mythe waar ook bewindslieden keer op keer in trappen. De aanbiedingsprijs waarvoor supermarkten een product in de schappen besluiten te leggen heeft géén relatie met het productieproces. Een krat bier dat in de aanbieding is, wordt niet opeens anders geproduceerd. Zo’n kratje wordt vaak onder de inkoopprijs verkocht, omdat een supermarkt hoopt dat klanten dan ook andere producten kopen. Winst wordt namelijk niet behaald op individuele producten: door een ander product met wat meer marge te verkopen, compenseert de supermarkt dat verlies weer. De ‘kiloknaller’ wordt dus gebruikt om de consument naar de supermarkt te lokken, zodat hij vervolgens ook zijn karretje vol laadt met de rest van de wekelijkse boodschappen. Overigens gebeurt dat ‘stunten’ ook regelmatig met vleesvangers.
Lees ook het artikelVerketterd door valse romantiek

Fact free science
Dat vijftig hoogleraren van diverse pluimage hun titel in de strijd gooien vindt hij opvallender. ‘We moeten toch niet toe naar fact free science? Je verwacht toch van hooggeleerde mensen dat ze zich laten informeren over de feiten: je ziet dat ze ook niet goed op de hoogte zijn van de situatie. De onwetendheid en dat gemak, dat praten in heel algemene termen. Van mij mag je vegetariër zijn, maar geen uitspraken doen die niet kloppen.’ Overduidelijk is volgens Jansen dat steeds meer mensen vinden dat er meer aandacht moet zijn voor kwaliteit, duurzaamheid en dierenwelzijn. Terecht ook, zegt hij. ‘Ook wij vinden dat al jaren belangrijk en het resultaat is echt zichtbaar in de schappen. We stellen milieu- en dierenwelzijnseisen aan veehouders als ze aan supermarkten leveren. En individuele supermarkten werken ook allemaal op hun eigen manier aan het uitbannen van plofkip.’ Hij vindt het jammer dat de discussie nu weer de verkeerde kant op dreigt te gaan. ‘Wakker Dier beukt nu weer op het prijsbeleid, maar aanbiedingen in de supermarkten hebben niks te maken met hoe vlees wordt geproduceerd. De hoge eisen die we stellen, die hebben daar wél wat mee te maken.’

 Philip den Ouden (FNLI): ‘Voeding is emotie. Dat begrijpen we maar al te goed’

De consument is anno 2016 geobsedeerd door voedsel, stelt emeritus hoogleraar voedingsleer Martijn Katan. ‘De overdaad en wellust waarmee wij het over voedsel hebben, neemt pathetische vormen aan. Het geouwehoer komt je bijkans de oren uit.’ Voeding is entertainment geworden, een vorm van vrijetijdsbesteding, zegt hij in Het Parool. ‘Het is lekker om er met z’n allen over te klagen.’
‘Tja, voeding is emotie: dat begrijpen we maar al te goed’, stelt Philip den Ouden, directeur van de organisatie voor de levensmiddelenindustrie FNLI. ‘Het is heel persoonlijk, het raakt mensen. Sinds een jaar of tien wordt er veel meer over voedsel gesproken en dan vooral ook heel kritisch.’ Daarom gaf de FNLI deze week het startschot voor het starten van een nieuwe beweging: een open gesprek over voedsel.

Hoe belangrijk is de levensmiddelen-industrie voor Nederland?
De levensmiddelenindustrie is één van de grootste industrieën van ons land en telt zo’n 5.500 bedrijven. Daarvan behoort het grootste deel (64 procent) tot het midden- of kleinbedrijf. De sector is goed voor 10 procent van de Nederlandse werkgelegenheid. De gehele agrofoodketen, waarvan de levensmiddelenindustrie ook deel uitmaakt, exporteert wereldwijd voor 51 miljard euro. Zo’n 20 procent van deze export gaat naar landen buiten de Europese Unie. De agrofoodketen neemt 30 procent van de Nederlandse handelsbalans voor haar rekening.
Nederlandse bedrijven in de levensmiddelen-industrie investeren gezamenlijk zo’n 400 miljoen euro in r&d, een bedrag dat de afgelopen jaren is toegenomen.

Vraagtekens
De levensmiddelenindustrie maakt zich grote zorgen over de kloof tussen industrie en bevolking als het gaat om voedsel. ‘Uit onderzoek blijkt dat mensen wel vertrouwen hebben in de kwaliteit van producten, maar dat er tegelijkertijd veel vraagtekens worden gezet bij de samenstelling van producten, over de gezondheidsaspecten en of wij wel eerlijk communiceren’, zegt Den Ouden. Dat lijkt in tegenspraak met het feit dat de industrie sinds een aantal jaar via allerlei projecten bezig is om daar werk van te maken. ‘Bijvoorbeeld door de samenstelling van producten aan te passen. Maar we slagen er niet voldoende in om dat over de bühne te brengen.’
Dat is ook de ervaring van CBL-directeur Jansen: ‘We doen er van alles aan om duurzame keuzes te stimuleren. Bijvoorbeeld met seizoengroenten. Zelfs in de economische crisis hebben de supermarkten hard gewerkt aan verduurzaming. En daar plukken we nu de vruchten van. Daarnaast hebben we convenanten gesloten over maatschappelijk verantwoord ondernemen. Dat laat zich alleen niet allemaal via de winkel communiceren.’

Ondanks alle inspanningen wordt er steeds meer naar het bedrijfsleven gekeken als een soort kwade genius, die er welbewust op uit is om de consument te manipuleren uit puur winstbejag. Dat laat de voedingsindustrie zelf niet onberoerd. ‘Een reactie van de sector zou kunnen zijn om nog meer in zichzelf te keren. Een andere dat ‘we het jullie nog één keer zullen uitleggen’, stelt Den Ouden. ‘Maar dat werkt dus niet. Onze fabrieken zijn vaak heel gesloten, al is dat vooral vanwege voedselveiligheid. En daar komt natuurlijk bij dat we zelf ook wel eens verbergen dat we op grote schaal, in grote fabrieken produceren. Dus soms voeden we die spanning misschien ook wel zelf. Terwijl we eigenlijk heel trots zouden moeten zijn op onze fabrieken. Want we doen dat enorm productief en met een heel hoge veiligheid.’

Wonderbaarlijke transformatie
Toch blijft het lastig opereren in een markt waar de consument als burger heel andere prioriteiten lijkt te hebben dan in de winkel. ‘We hebben het hier wel eens over de wonderbaarlijke transformatie tussen stoep en schap’, zegt Den Ouden. ‘Maar er zitten nu eenmaal spanningen tussen onze bijdrage leveren aan het oplossen van maatschappelijke problemen en het bedienen van de consument. We willen als burgers afvalreductie, maar tegelijkertijd kiest de klant ook voor gemak. We willen eerlijke handel en dierenwelzijn, maar ondanks de goede bedoelingen kiest de consument toch vooral op prijs.’ De consument lijdt aan cognitieve dissonantie, zei bestuursvoorzitter Louise Fresco (Universiteit van Wageningen) al eerder in Forum. ‘Consumenten begrijpen vaak te weinig van hoe hun voedsel nou daadwerkelijk geproduceerd wordt en hebben daar dus ook geen reëel beeld van. Maar’, zegt Fresco, ‘daar ligt ook een grote taak voor de industrie zelf. Communiceer en laat zien waar je mee bezig bent.’ Den Ouden denkt dat de sector daar ook klaar voor is: ‘We zullen bijvoorbeeld veel actiever mensen de fabriek in moeten zien te krijgen. Tijdens de week van de levensmiddelenindustrie is bijvoorbeeld een initiatief gestart om middelbare scholieren meer bij onze fabrieken te betrekken.’

Saai verhaal
En die initiatieven gaan om méér dan alleen de roep om regulering te counteren, zoals een verbod op kiloknallers, bezweert de FNLI-directeur. ‘Enerzijds zou je kunnen stellen dat regulering misschien wel het simpelste is voor de sector: daar passen we ons dan wel weer op aan, maar er spreekt ook veel tegen. Zo denk ik dat het veel sneller effect heeft als wij zelf stappen nemen dan dat we elke keer op wetgeving gaan zitten wachten met alle lobbytrajecten die daarbij horen. Bovendien, alleen in Nederland regels doorvoeren kan vaak niet eens in verband met Europese regels. En vergeet niet, de industrie is ook echt bereid om verantwoordelijkheid te dragen.’
Dat geldt ook voor de incidenten rond voedsel, zoals het paardenvleesschandaal, zoals we die de laatste jaren voorbij hebben zien komen, stelt Den Ouden. ‘Als het gaat om voedselveiligheid en frauduleus handelen zijn de afgelopen tijd grote stappen gezet om dat te voorkomen. Alleen: dat is een heel saai verhaal waar ik geen journalist voor geïnteresseerd krijg. Criteria voor kwaliteitssystemen klinkt heel stoffig, maar het gaat daarbij echt om het gedrag in de fabrieken. En om het vertrouwen dat er tussen schakels in de keten is. Hoe ga je bijvoorbeeld om met partijen waarvan je vermoedt dat er een vlekje aan zit? Aangifte doen was jarenlang helemaal niet zo vanzelfsprekend, want hoe zit het met de risico’s als je het mis hebt? Interessant is bijvoorbeeld dat een bedrijf als Vion de stap heeft genomen om álle audit- en inspectierapporten voortaan op hun site te zetten. Om te laten zien: Kijk, wij hebben niets te verbergen.’ Dat moet ook het uiteindelijke doel zijn, vindt Den Ouden: ‘We maken onderdeel uit van een zeer belangrijke economische keten, ook voor de Nederlandse economie. Maar dat kan alleen maar met het vertrouwen van de samenleving.’

Waarom biologisch vlees niet beter is
Of het klopt wat de vijftig hoogleraren in het manifest van Wakker Dier beweren, valt te betwijfelen. Zo beweert een aantal van hen dat biologisch vlees de norm zou moeten worden, omdat dat milieuvriendelijker is dan ‘normaal’ vlees. Dat zou niet alleen rampzalig zijn voor mensen met een kleinere portemonnee (biologisch eten is duurder), biologische koeien bijvoorbeeld stoten ook veel meer methaan en lachgas uit dan koeien uit de reguliere veehouderij. En juist die gassen zijn van invloed op klimaatverandering.