6 OKT, 2026 • Buitenland
Doortastende Duitsers - Wanneer miljarden wél werken
Duitsland zet miljarden publiek geld in om sleuteltechnologieën en strategische industrieën te versterken. Dresden laat zien wat zo’n actieve industriepolitiek kan opleveren, maar ook waar de risico’s zitten. Wat kan Nederland daarvan leren?
Afgelopen zomer opende in Oost-Duitsland alweer een gloednieuwe chipfabriek van Infineon. Van buiten is de kolos in Dresden glimmend grijs, van binnen klinisch wit. In de voor halfgeleiders ontworpen fabriek werken duizenden mensen. De nieuwe vestiging is het zoveelste pareltje van `Silicon Saxony´, waartoe duizenden ondernemingen zoals TSMC en Bosch behoren. Want volgens de autoriteiten komt een op de drie Europese chips inmiddels uit Saksen, een sterke industriële regio waar al honderd jaar baanbrekende uitvindingen zijn gedaan.
De vestiging van Infineon is mogelijk gemaakt door klassiek industriebeleid van de Duitse overheid. Want het bedrijf ontving een forse subsidie van 1 miljard euro. Daarnaast investeert de onderneming zelf vijf miljard euro, goed voor liefst zesduizend banen. Saksen laat daarmee zien wat Duitsland met actief industriebeleid probeert te bereiken: strategische technologie binnen de eigen grenzen ontwikkelen, private investeringen aanjagen en minder afhankelijk worden van het buitenland.
Met het innovatieve project is veel hoop verbonden. Want Duitsland kent al jarenlang nauwelijks economische groei, in tegenstelling tot de rivalen uit Amerika en China. Het land wil nu strategisch autonomer worden en minder afhankelijk van het niet-Europese buitenland. En er bestaan meer voorbeelden van succesvolle Berlijnse industriepolitiek. Zoals Tesla, dat onder de rook van de hoofdstad een grote fabriek bouwde voor elektrische auto’s en de benodigde batterijen. ‘De komst van Tesla, mogelijk gemaakt door subsidie van de deelstaat Brandenburg, was goed geïnvesteerd geld.’ Dat stelt de Duitse onderzoeker Martin Gornig, verbonden aan het gezaghebbende economische instituut DIW.
Maar elders bleek doortastend Duits industriebeleid geen garantie voor succes, aldus Gornig. Dat bleek bijvoorbeeld bij de beoogde komst van een gigantische chipfabriek bij Maagdenburg. Daar wilde het computerbedrijf Intel dertig miljard euro investeren. Op 400 hectare moest de modernste productiecapaciteit ter wereld verrijzen. De federale regering beloofde daarom bijna tien miljard euro staatssteun. Maar Saksen-Anhalt is een dunbevolkte en economisch zwakke streek, met weinig kennisinstituten voor kruisbestuiving, en uiteindelijk trok Intel de stekker uit het plan. ‘Het is strategischer om steun aan een Duits dan aan een buitenlands bedrijf te geven’, vraagt ING-hoofdeconoom Carsten Brzeski zich af.
Daarmee rijst de vraag wanneer staatssteun een economie daadwerkelijk sterker maakt – en wanneer publiek geld vooral een risico op weggegooid geld en uitgestelde ontwikkeling vormt.Voor 1945 was dit de trotse thuishaven van honderdduizenden arbeiders in de steenkolen en staalindustrie. ‘Hier klopte het economische hart van de Bondsrepubliek. Maar die banen in de steenkoolindustrie zijn kunstmatig met zeer veel subsidie tot voor kort overeind gehouden’, aldus Brzeski.
Het verschil met Silicon Saxony is duidelijk: daar helpt de overheid een nieuw technologisch ecosysteem opbouwen, terwijl steun in het Roergebied lange tijd vooral bestaande bedrijvigheid kunstmatig in stand hield.
Honderden miljarden extra
Ondanks onrust en onzekerheid, geopolitieke risico’s en de grote achterstand van de Europese gemeenschappelijke industriepolitiek op de VS en Azië, bestaat hoop op betere economische tijden, maakte de industriebond BDI bekend. Dat ligt vooral aan de gigantische investeringen van de staat in infrastructuur en het leger.
Direct na Poetins invasie van Oekraïne begin 2022 kondigde oud-bondskanselier Olaf Scholz (SPD) zijn militaire `Zeitenwende´ (omwenteling) aan. De regeringsleider verhoogde het Duitse defensiebudget plotsklaps met honderd miljard euro. Opvolger Friedrich Merz (CDU) ging weer een stap verder. Vanaf 2025 omzeilde hij de wettelijke rem om schulden te maken. Zo komt de komende jaren ongeveer 500 miljard euro extra vrij. Het Duitse ministerie van Defensie heeft dus meer middelen. ‘Maar hoe wordt het geld uitgegeven? Het kopen van duizend Duitse tanks heeft niet hetzelfde effect als de investering in innovaties bij cybersecurity en drones’, meent Brzeski.
Tegelijkertijd is de vraag hoe succesvol en toekomstgericht die industriepolitiek is. Volgens hem is de blik op het voormalige West-Duitsland, waar zich na de Tweede Wereldoorlog een `Wirtschaftswunder´ met enorme economische opbloei voltrok, verhelderend. ‘Beieren was lange tijd een arme agrarische deelstaat. Een netto-ontvanger, afhankelijk van steun van Vater Staat. Voor bedrijven als BMW, Siemens en Audi kwamen er grote belastingvoordelen.’ Daarnaast kregen ze subsidie, werden regels voor hen op maat gesneden en is onderzoek gefinancierd.
Leren van de buren
De vraag blijft: Wat kan ons land leren van de Duitse steun voor sleuteltechnologieën en strategische branches? Berlijn helpt niet alleen de chipsector, maar ook de militaire weerbaarheid. En wat betekenen de fors hogere Duitse investeringen voor het Nederlandse economische beleid en ons toekomstige verdienvermogen?
De Duitse miljardensteun kent daarmee twee gezichten. In `Silicon Saxony´ blijkt de combinatie van bedrijven, kennis en publieke investeringen vruchtbaar. Maar de mislukte Intel-investering bij Maagdenburg toont dat miljardensteun geen garantie biedt op succes. En het Ruhrgebied is een waarschuwing voor wat er gebeurt als subsidies vooral bestaande banen in stand houden.

De oude ijzerfabriek Landschaftspark Duisburg-Nord als industrieel erfgoed in het Ruhrgebied
Nederland heeft veel minder financiële slagkracht dan Duitsland. Hun aanpak roept daarom een fundamentelere vraag op: Waar kan ons koninkrijk met publiek geld daadwerkelijk het verschil maken en wanneer levert zo’n investering daadwerkelijk extra verdienvermogen op?
Al jaren lopen vaderlandse ambtenaren de deur van de ambassade in de Duitse hoofdstad plat. Delegaties ondernemen ook veel excursies elders in de Bondsrepubliek. Doel is om te leren van de buren. Maar dat geldt ook omgekeerd, merkt Brzeski op: ‘Duitsland kopieert ook dingen uit Nederland, zoals het beleid om top-sectoren voor subsidie te identificeren.’ Op de vraag welke clusters Nederland net als Duitsland zou moeten stimuleren, noemen de onderzoekers: micro-elektronica, waterstof, accu-technologie, gezondheid en de digitale platform-economie.
Wat helpt nog meer? ’Evenals in Nederland is de Duitse kruisbestuiving tussen bedrijven en kennisinstituten zoals universiteiten van groot belang’, betoogt Brzeski. In het zuidelijk van Duitsland, met Beieren als meest welvarende deelstaat, zijn vele bedrijven via bijvoorbeeld de Ludwig-Maximilian-Universität ontstaan. Datzelfde vruchtbare klimaat tussen wetenschap en ondernemingen geldt niet alleen voor de TU Delft, maar ook in Duitsland, van de RWTH in Aken net over de grens, tot de uitstekende Technische Universiteiten in Dresden en Berlijn. Ook hieruit blijkt dat succesvolle industriepolitiek meer is dan het subsidiëren van afzonderlijke bedrijven. Het gaat ook om de kennis, mensen en infrastructuur die samen een sterk economisch ecosysteem vormen.
De economie van Duitsland, met bijna 85 miljoen inwoners, is de grootste in de eurozone. Vandaar is het logisch dat daar meer geld geïnvesteerd wordt in onderzoek en ontwikkeling. Maar tussen Flensburg in het vlakke noorden en Berchtesgaden in het bergachtige zuiden zijn er – naast de universiteiten – ook veel specifieke en sterk gesubsidieerde onderzoeksinstituten actief, zoals de Fraunhofer- en de Max-Planck-Gesellschaft, alsmede de Leibniz- en de Helmholtz-Gemeinschaft. Ze worden jaarlijks met dik tien miljard euro ondersteund.
Het voorbeeld van Silicon Saxony en de steun voor het ecosysteem laat simpelweg zien dat industriepolitiek meer is dan een zak met subsidiegeld. De Duitse ervaring toont tegelijk dat miljardensteun geen garantie biedt op succes. Overheidssteun heeft vooral waarde waar die leidt tot nieuwe technologie en bedrijven, hogere productiviteit en versterking van de internationale positie. Dáár ligt ook de Nederlandse vraag naar toekomstig verdienvermogen. Voor ons land gaat het niet alleen om de omvang van de investeringen, maar vooral om de keuze waar publiek geld daadwerkelijk het verschil kan maken.