25 SEP, 2026
POSITION PAPER PAKKET BELASTINGPLAN 2027
September 2026
Inleiding
Binnenkort behandelt u het pakket Belastingplan 2027. Nederland staat voor grote uitdagingen. Dat maakt een gezamenlijke langetermijnagenda noodzakelijk: voor meer economische groei en voor hervormingen die onze publieke voorzieningen toekomstbestendig maken. Daarbij zijn ruimte voor publieke en private investeringen en het wegnemen van knelpunten die groei belemmeren essentieel. Zo’n meerjarige agenda vraagt om breed politiek én maatschappelijk draagvlak.
VNO-NCW en MKB-Nederland roepen u daarom op keuzes bij het pakket Belastingplan 2027 langs drie vragen te leggen: versterkt dit ons groeivermogen, draagt dit bij aan toekomstbestendige publieke voorzieningen en draagt dit bij aan stabiel en voorspelbaar beleid dat investeringen mogelijk maakt?
Het pakket Belastingplan 2027 bevat goede maatregelen, zoals de versterking van de EIA en de verruiming van het MKB-forfait in de innovatiebox. Tegelijkertijd bevat het pakket maatregelen die investeringen en ondernemerschap juist kunnen belemmeren of onvoldoende economisch zijn onderbouwd. Hieronder geven VNO-NCW en MKB-Nederland per voor het bedrijfsleven relevante maatregel onze belangrijkste aandachtspunten mee. Wij houden hierbij per wetsvoorstel de volgorde van de Memorie van Toelichting aan.
1. Wetsvoorstel Belastingplan 2027
Youngtimerregeling
Voor 2027 was eerder al een verhoging van de leeftijdsgrens voor de youngtimerregeling naar 25 jaar vastgelegd. Het Belastingplan verzacht dit pad door de grens in 2027 op 17 jaar en in 2028 op 20 jaar te stellen. Wij ondersteunen deze versoepeling.
Energie-investeringsaftrek
De EIA wordt verhoogd van 40% naar 45,5%. Dit versterkt de prikkel voor ondernemingen om te investeren in energiebesparing en verduurzaming. Wij ondersteunen deze verruiming. Stabiele investeringsregelingen zijn belangrijk om private verduurzamingsinvesteringen daadwerkelijk van de grond te krijgen.
Startersaftrek
Het kabinet stelt voor de startersaftrek, de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid en de willekeurige afschrijving voor starters af te schaffen en verwijst daarbij naar de negatieve evaluatie van deze regelingen. Die conclusie is te stellig. Voor geen van deze regelingen kon een harde causale effectmeting worden uitgevoerd. De onderzoekers baseren zich mede op beschrijvende gegevens, interviews en expert judgement. Voor de startersaftrek stellen zij expliciet dat onvoldoende cijfermatige onderbouwing beschikbaar is om vast te stellen wat de regeling doet met de keuze om een onderneming te starten. De evaluatie geeft daarmee reden tot een kritische blik, maar toont niet aan dat deze regelingen geen relevant effect hebben.
Juist beginnende ondernemers hebben vaak lage en onzekere inkomsten, hoge aanloopkosten en beperkte toegang tot externe financiering. Door de sterke afbouw van de zelfstandigenaftrek is de startersaftrek relatief belangrijker geworden. Afschaffing raakt starters dubbel, omdat ook de daaraan gekoppelde willekeurige afschrijving verdwijnt, terwijl die juist extra liquiditeit en financiële ruimte voor investeringen kan bieden. Bij de startersaftrek voor arbeidsongeschikten vindt de evaluatie bovendien aanwijzingen voor een kleine toename van de arbeidsparticipatie.
- Wij vragen de Kamer de startersaftrek niet af te schaffen zonder nadere onderbouwing van de gevolgen voor ondernemerschap, investeringen en financiering en een serieuze vergelijking met gerichtere alternatieven.
Personeelskorting op branche-eigen producten
In lijn met een eerdere motie stelt het kabinet voor de gerichte vrijstelling voor korting op branche-eigen producten af te schaffen. Wij vragen deze maatregel te heroverwegen. De regeling wordt zeer veel en in uiteenlopende sectoren gebruikt, juist ook door werkgevers met veel parttimers en werknemers met relatief lage lonen. Van onze leden begrijpen wij dat deze regeling in alle business to consumer sectoren breed wordt ingezet Zij biedt werkgevers de mogelijkheid werknemers op een eenvoudige manier iets extra’s te geven zonder de fiscale lasten van een vergelijkbare verhoging van het reguliere loon.
De SEO-evaluatie biedt onvoldoende basis voor volledige afschaffing, met name omdat zij ervan uitgaan dat de regeling nauwelijks wordt gebruikt. Dat strookt niet met de werkelijkheid getuige de vele bezwaren die zijn opgekomen uit verschillende branches. Een analyse van het aantal werknemers dat profiteert, hun inkomensniveau en de beschikbare vrije ruimte bij deze werkgevers ontbreekt. Bij de invoering van de huidige vrijstelling in 2015 koos de wetgever juist voor een afzonderlijke regeling omdat werkgevers met veel deeltijders en lage lonen per werknemer relatief weinig vrije ruimte hebben. Dat probleem bestaat nog steeds.
De vrije ruimte is bovendien geen gelijkwaardig alternatief. Omdat deze is gekoppeld aan de loonsom, is zij per werknemer juist beperkt bij werkgevers met veel parttimers en lagere lonen. Personeelskorting gaat bij die groepen bovendien concurreren met andere arbeidsvoorwaarden die uit dezelfde vrije ruimte worden betaald. ATR wijst er eveneens op dat de gevolgen voor individuele werkgevers en werknemers materieel kunnen zijn.
- Wij vragen de Kamer de gerichte vrijstelling te behouden. De conclusie dat deze regeling geen maatschappelijk doel meer dient, wordt niet gerechtvaardigd door de beschikbare onderbouwing. Met oplopende prijzen is de waarde van de regeling voor werknemers juist toegenomen.
Innovatiebox voor het MKB
Wij zijn positief over de aangekondigde maatregelen die de toegankelijkheid van deze regeling voor met name het MKB verbeteren. Een voorbeeld daarvan is de verruiming van het zogenoemde MKB-forfait. Met het MKB-forfait in de innovatiebox hoeven bedrijven niet precies te berekenen welk deel van hun winst aan een innovatief immaterieel activum is toe te rekenen. Dat maakt de innovatiebox toegankelijker voor ondernemingen waarvoor een uitgebreide winsttoerekening relatief veel administratieve lasten met zich meebrengt. De forfaitaire innovatiewinst bedraagt 25 procent van de fiscale winst, waarbij het bedrag is gemaximeerd op 25.000 euro per jaar. Wij steunen de voorgestelde verhoging van dit maximum naar 100.000 euro.
Fiscale behandeling valutaresultaten
Het kabinet stelt voor de fiscale behandeling van valuta-afdekkingsinstrumenten aan te passen. Zoals eerder aangegeven in onze reactie op de consultatie zijn wij daar geen voorstander van. Het voorstel mist economische basis, verhoogt administratieve lasten en leidt tot uitvoeringsproblemen en rechtszekerheidsrisico’s. Daarnaast schaadt de maatregel het Nederlandse vestigingsklimaat voor internationaal opererende ondernemingen die reële valutarisico’s op buitenlandse deelnemingen afdekken. De voorgestelde maatregel kan ertoe leiden dat een bedrijfseconomisch samenhangende positie fiscaal verschillend wordt behandeld. Naar ons oordeel volgt uit een forward premium of discount niet zonder meer dat sprake is van een daadwerkelijk verwachte toekomstige valutawinst die economisch tegenover de rente staat.
Onafhankelijk van elkaar stellen Raad van State, ATR én Belastingdienst vast dat de maatregel aanzienlijke complexiteit toevoegt. De Belastingdienst noemt hem uitvoerbaar, maar merkt tegelijk expliciet op dat het toezicht complexer wordt. ATR constateert dat het Ministerie de doenlijkheid als ‘goed’ beoordeelt zonder empirisch onderzoek onder de betrokken ondernemingen. De Raad van State noemt juist deze maatregel als een voorbeeld van “zeer complexe vormgeving”. Daarbij komen inmiddels ook vragen op over de praktische toepassing van het overgangsrecht, de behandeling van bestaande afdekkingsinstrumenten, en de gevolgen voor reeds afgegeven beschikkingen en bestaande afspraken met de Belastingdienst.
De structurele opbrengst is geen hard bedrag, maar modelmatig gebaseerd op aannames en afgeleid uit een beperkte set onderliggende beschikkingen, renteverschillen en futures. Het CPB noemt de raming wel redelijk en neutraal, maar geeft haar expliciet een hoge mate van onzekerheid. Vooral de concentratie bij een klein aantal ondernemingen en de volatiliteit van valutaontwikkelingen zijn daarvoor bepalend.
De budgettaire gevolgen van het arrest over de liquidatieverliesregeling zouden in beginsel binnen die regeling moeten worden geadresseerd. Daarbij zou inzicht moeten worden gegeven in de opbrengst van een gerichte voor-zover-benadering en de mate waarin daarmee de veronderstelde budgettaire problematiek kan worden opgelost. Indien het kabinet desondanks vasthoudt aan de voorgestelde systematiek, achten wij een objectieve de-minimis wenselijk die aansluit bij de omvang van het renteverschil waarop de maatregel is gebaseerd.
Daarnaast kan worden onderzocht of voor reguliere treasury-activiteiten in liquide en transparant geprijsde valuta een administratieve safe harbour mogelijk is. Daarmee wordt geen principiële uitzondering gemaakt voor specifieke belastingplichtigen, maar wordt voorkomen dat standaard afdekkingsactiviteiten, gericht op reguliere risicobeheersing, onnodig onder een permanent complex regime worden gebracht. Daarvoor is meer inzicht nodig en gegevens naar de effecten van verschillende renteverschildrempels, de gevolgen van een eventuele safe harbour voor liquide valuta, en de budgettaire en uitvoeringsgevolgen van alternatieven binnen de liquidatieverliesregeling.
Wij blijven van oordeel dat het kabinet met deze maatregel een probleem in de liquidatieverliesregeling probeert op te lossen via een wezenlijke wijziging van de deelnemingsvrijstelling. Dat geen gerichte, proportionele of uitvoerbare oplossing.
- Wij vragen de Kamer niet in te stemmen met deze maatregel. Indien daarvoor onvoldoende steun bestaat, verzoeken wij ten minste een combinatie van een gerichte de-minimis, een administratieve safe harbour en alternatieven binnen de liquidatieverliesregeling nader uit te werken.
Verlaging woningtarief overdrachtsbelasting van 8% naar 7%
Het kabinet verlaagt de overdrachtsbelasting voor woningen die de koper niet zelf gaat bewonen van 8 naar 7 procent. De verlaging verbetert het investeringsklimaat voor huurwoningen en helpt private investeringen in de woningmarkt op gang. Dat is belangrijk om het aanbod van midden- en vrije huurwoningen te vergroten. Wij ondersteunen deze maatregel.
Overdrachtsbelasting en woningcorporaties
Er komt een vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de overdracht van sociale huurwoningen en ander maatschappelijk vastgoed tussen woningcorporaties. De vrijstelling maakt het makkelijker voor corporaties om woningen onderling over te dragen en voorkomt dat overdrachtsbelasting een belemmering vormt voor een doelmatige verdeling van de sociale woningvoorraad. Zo blijft meer investeringsruimte beschikbaar voor de bouw, verduurzaming en het onderhoud van sociale huurwoningen. Wij ondersteunen deze maatregel.
Btw op sierteelt
Vanaf 2028 vervalt het verlaagde btw-tarief op sierteeltproducten en gaat het tarief van 9 naar 21 procent. Wij betreuren deze maatregel. Bloemen, planten, bomen en struiken dragen juist bij aan vergroening, klimaatadaptatie, gezondheid en leefbaarheid, maar worden door de btw-verhoging fors duurder voor burgers en maatschappelijke instellingen. Daarmee staat de maatregel op gespannen voet met de vergroeningsambities van het kabinet. Bovendien zijn de economische gevolgen aanzienlijk: recent onderzoek wijst op een mogelijk omzetverlies tot 670 miljoen euro en een verlies van maximaal 2.200 fte in de sector, tegenover een geraamde opbrengst van circa 300 miljoen euro voor de schatkist (waarbij uit recent onderzoek blijkt dat die opbrengst mogelijk maar €213-216 miljoen is).
- Wij vragen de Kamer niet in te stemmen met deze maatregel vanwege de disproportionele effecten.
Verlaging MRB
Wij steunen de tijdelijke verlaging van MRB voor bestelauto’s en vrachtauto’s. De maatregel houdt in dat het reguliere lagere tarief voor bestelauto’s gedurende de periode van 1 juli 2026 tot en met 31 december 2026 met 50 procent wordt verlaagd. Voor vrachtauto’s komt er tijdelijk een nihiltarief, van 1 juli tot en met 31 december 2026.
Teruggaafregeling bio- en hernieuwbare brandstoffen
De teruggaafregeling voor bio- en hernieuwbare brandstoffen maakt een gedeeltelijke teruggaaf mogelijk van accijns voor motorbrandstoffen die een aandeel duurzaam geproduceerde biobrandstoffen of hernieuwbare brandstoffen bevatten. Het kabinet stelt voor de regeling te beëindigen en noemt de regeling complex, arbeidsintensief en foutgevoelig voor zowel de uitvoering als de belastingplichtigen. Het kabinet veronderstelt daarbij dat het fiscale voordeel beperkt is, voor individuele belastingplichtigen kan de impact echter fors zijn.
- Juist nu het belang van verduurzaming alleen maar groter wordt, ligt het niet voor de hand deze maatregel af te schaffen. De businesscase voor verduurzaming in de transportsector is hier niet bij gebaat.
Alcoholaccijns
Het kabinet stelt voor om de alcoholaccijns vanaf 2027 jaarlijks te indexeren. Deze maatregel raakt de keten van producenten, importeurs, horeca en consumenten. Het automatisch indexeren zal onvermijdelijk leiden tot grotere grenseffecten, verlies aan omzet en verslechtering van de concurrentiepositie van Nederlandse ondernemers. Vooral in de grensstreek, waar de prijsverschillen zich al sterk doen voelen, zal deze maatregel impact hebben.
- Wij vragen de Kamer niet in te stemmen met deze maatregel.
Kleine brouwerijen
Het kabinet stelt voor om per 1 januari 2028 de zogenoemde kleine brouwersregeling af te schaffen. De kleine brouwersregeling behelst een verlaagd accijnstarief voor bier dat is geproduceerd door kleine zelfstandige brouwerijen. Wij achten het afschaffen van deze regeling ongewenst. Eerder is er al op gewezen dat andere lidstaten ook een kleine brouwersregeling toepassen. Met het afschaffen van de regeling in Nederland verslechtert dus de concurrentiepositie. Daarnaast komt deze afschaffing boven op de accijns indexatie en de verhoging van de belasting op leidingwater. De stapeling van maatregelen komt daarmee voor kleine brouwers extra hard aan.
- Wij vragen de Kamer niet in te stemmen met deze maatregel.
Brandstofaccijnzen
De korting van accijns op diesel blijft in 2027 in stand, en de korting op benzine en diesel wordt per 2028 vertraagd afgebouwd. Het kabinet reserveert hiervoor een bedrag. De brandstofprijzen zijn onder meer door de oorlog in het Midden- Oosten snel opgelopen. Het is goed dat het kabinet kiest voor een vertraagde afbouw van de korting om verdere prijsschokken te voorkomen. Wij ondersteunen het voorkomen van een abrupte lastenstijging, mede gezien de grenseffecten en de kosten voor ondernemers. Voor de langere termijn is meer voorspelbaarheid van accijnzen wenselijk.
Afvalstoffenbelasting en CO2-heffing afvalsector
Het kabinet stelt voor de lasten voor de afvalsector structureel te verhogen. De afvalstoffenbelasting (ASB) stijgt van € 41 per ton in 2026 naar € 64 per ton in 2028 en € 81 per ton vanaf 2030. Daarmee verdubbelt het tarief nagenoeg. De CO₂-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) stijgt van € 101 per ton CO₂ in 2026 naar € 304 per ton CO₂ in 2035: een verdrievoudiging. Hoewel de verhogingen lager en geleidelijker zijn dan in het Belastingplan 2026, blijft sprake van een disproportionele lastenverzwaring, niet rekening houdend met de reële draagkracht van de sector.
De sector speelt een cruciale rol in onze economie voor betaalbare afvalverwerking en recycling. De hogere heffingen leiden via hogere poorttarieven tot hogere lasten voor burgers en bedrijven. Vooral verslechtert de concurrentiepositie van Nederlandse afvalverwerkers en recyclers ten opzichte van bedrijven in andere Europese landen. Daardoor kunnen belangrijke importstromen wegvallen en kan Nederlands afval voor verwerking naar het buitenland uitwijken. Een aanzienlijke volumedaling ondermijnt daardoor de toekomstbestendigheid van de sector. De sector waarschuwt dat daarmee ook de financierbaarheid van CCS-projecten, zoals Aramis, onder druk komen te staan: de benodigde infrastructuur is naar verwachting pas rond 2030/2031 beschikbaar, terwijl de heffingen al eerder op investeringsruimte van afvalbedrijven drukken. Bovendien kunnen niet alle installaties vanwege hun locatie voor CO₂-afvang en -opslag worden aangesloten.
De Europese Commissie heeft op 17 juli 2026 voorgesteld AVI’s vanaf 2031 gefaseerd onder de EU-ETS-inleververplichting te brengen, met volledige verplichting vanaf 2034. De nationale CO₂-heffing voor AVI’s zou daarom moeten komen te vervallen zodra AVI’s daadwerkelijk onder het EU ETS vallen. Daarmee wordt dubbele CO₂-beprijzing voorkomen en wordt aangesloten bij de benadering voor andere ETS1-installaties.
- Wij adviseren de resterende nationale lasten verder te matigen, waarbij het lastenpakket ruimte laat voor een op draagkracht gebaseerde bijdrage aan de budgettaire opgave, zonder de continuïteit van afvalverwerking, het Europese gelijke speelveld en noodzakelijke verduurzamingsinvesteringen onevenredig onder druk te zetten.
Belasting op leidingwater
De Belasting op Leidingwater (BoL) is herzien na een tussenstap in 2026. Vanaf 2027 wordt het heffingsplafond volledig afgeschaft en wordt de grondslag beperkt tot drinkwater. Daarnaast wordt het tarief met 10 cent per m³ verhoogd. Het schrappen van het heffingsplafond van deze belasting is een lastenverzwaring voor grote afnemers in het mkb en de industrie, maar ook voor ziekenhuizen, zwembaden en andere organisaties die drinkwater gebruiken. De opgehaalde middelen komen niet ten goede aan het verduurzamen of verminderen van het watergebruik. Onderzoek laat zien dat beprijzing slechts een beperkt effect heeft op het watergebruik. Positief is wel dat de grondslag wordt beperkt, waardoor duurzame alternatieven zoals hergebruik, water van ander kwaliteit en circulaire oplossingen niet extra worden belast.
- Wij roepen de Kamer op de tariefsverhoging BoL te schrappen, maar de versmalling van de grondslag tot drinkwater te behouden (zoals vorig jaar in combinatie met schrappen heffingsplafond al was afgesproken), zodat hergebruik en alternatieve waterbronnen niet worden belast.
Verlagen hoge tarief vliegbelasting
Per 1 januari 2027 zal een hogere vliegbelasting ingaan, met gedifferentieerde tarieven op basis van afstand van de vlucht. Het kabinet kiest er nu voor om de belasting op lange vluchten te verlagen naar 59,43 euro ten opzichte van de eerdere voorgenomen verhoging. We zien dat als een eerste goede stap, om op deze manier de positie van Schiphol als internationale hub te kunnen behouden. We zien echter ook dat de vliegbelasting in Nederland voor de vluchten op korte- en middellange afstand wezenlijk hoger blijft dan in onze buurlanden. Om de concurrentiepositie van de Nederlandse luchtvaart te borgen, is het van belang dat de vliegbelasting gelijkgetrokken wordt aan de vliegbelasting van ons omringende landen zoals Duitsland. Verder wordt 45 miljoen euro gereserveerd voor een fonds dat het gebruik van duurzame luchtvaartbrandstoffen boven op de Europese verplichting moet stimuleren.
2. Wetsvoorstel Wet fiscale stimulering start-ups en scale-ups
Werknemersopties start-ups en scale-ups
Wij steunen de voorgestelde hervorming van de fiscale behandeling van medewerkersparticipatie in box 1. Dit is een belangrijke stap voor het Nederlandse startup- en scale-upklimaat. Startups en scale-ups concurreren internationaal om talent, kapitaal en groeikansen. Dan moet de fiscaliteit aansluiten bij de economische realiteit van deze bedrijven. De huidige fiscale regels belemmeren het gebruik van medewerkersparticipaties en maakt het voor jonge, innovatieve bedrijven moeilijker om talent aan te trekken en vast te houden. De voorgestelde aanpassing in box 1 pakt dat probleem aan en verdient daarom brede steun en snelle invoering.
Het is wel cruciaal dat de regeling werkt in de praktijk. De definitie van startups en scale-ups moet duidelijk, voorspelbaar en uitvoerbaar zijn. Die definitie moet aansluiten bij hoe innovatieve groeibedrijven daadwerkelijk functioneren. Groei verloopt doorgaans niet lineair. Zeker bij deeptech en andere kapitaalintensieve sectoren kan het jaren duren voordat commerciële schaal wordt bereikt.
- Wij vragen de Kamer bij de definitie meer rekening te houden met groeipotentieel in plaats van alleen bewezen snelle groei, en daarnaast terughoudend te zijn met rigide termijnen en regelmatige herbeoordeling.
Stakingsaftrek en meewerkaftrek
Ter dekking worden de meewerkaftrek en stakingsaftrek eerst fors versoberd en vervolgens afgeschaft. De evaluatie concludeert dat de oorspronkelijke beleidsdoelen van deze regelingen niet langer voldoende actueel zijn. Dat rechtvaardigt een kritische blik, maar betekent niet automatisch dat volledige afschaffing de beste oplossing is. Zo wijst de evaluatie bij de meewerkaftrek op alternatieven zoals loondienst van de partner of een man-vrouwfirma, maar is onvoldoende onderzocht wat deze alternatieven voor de huidige gebruikers financieel, administratief en praktisch betekenen. Bij de stakingsaftrek volgt het negatieve oordeel in belangrijke mate uit de formulering van het oorspronkelijke beleidsdoel, terwijl onvoldoende is onderzocht welke functie de regeling nog vervult bij de belastingheffing over winst die bij beëindiging van een onderneming in één keer tot uitdrukking kan komen.
Daarbij kunnen deze maatregelen niet los worden gezien van de stapeling van eerdere en voorgenomen versoberingen voor IB-ondernemers. De zelfstandigenaftrek is de afgelopen jaren sterk afgebouwd en het kabinet wil nu ook de startersaftrek en andere startersfaciliteiten afschaffen. Daar komen de versobering en uiteindelijke afschaffing van de meewerkaftrek en stakingsaftrek bovenop. Daarmee wordt het fiscale stelsel voor ondernemers in korte tijd ingrijpend gewijzigd, zonder dat het cumulatieve effect op ondernemerschap, kleine en familiebedrijven en bedrijfsbeëindiging voldoende in beeld is gebracht.
- Wij vragen de Kamer deze stapeling integraal te beoordelen en gerichtere aanpassing te bezien in plaats van volledige afschaffing.
3. Wet veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024
Wij steunen de inzet om de zeer complexe regels van de Wet minimumbelasting 2024 beter uitvoerbaar te maken. De voorgestelde veiligehavenregels kunnen voor internationaal opererende ondernemingen belangrijke vereenvoudigingen opleveren, onder meer doordat in meer gevallen een volledige Pillar Two-berekening kan worden voorkomen en overlap tussen verschillende minimumbelastingstelsels wordt beperkt. Ook de verlenging van de tijdelijke CbCR-veiligehavenregel biedt ondernemingen extra tijd om hun systemen aan te passen aan de permanente regels.
Tegelijkertijd is van belang dat de veilige havens in de praktijk ook daadwerkelijk tot minder administratieve lasten leiden. Met name de vereenvoudigde effectievebelastingtariefregel kan nog aanzienlijke berekeningen en correcties vereisen, terwijl bij een uitkomst onder 15% alsnog een volledige Pillar Two-berekening nodig kan zijn.
- Wij vragen aandacht voor de feitelijke administratieve lasten, de rechtszekerheid over welke buitenlandse stelsels kwalificeren en duidelijkheid over de behandeling van Nederlandse fiscale stimuleringsregelingen
4. Wet OFM 2027
Wijzigingen pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s
Vorig jaar is de pseudo eindheffing voor niet-uitstootvrije auto’s van de zaak geïntroduceerd. Het kabinet stelt nu enkele aanpassingen voor. Voor vervangend vervoer (bandenwissel, reparatie) komt onder voorwaarden een uitzondering. Voor lesauto’s wordt ook onder voorwaarden een uitzondering geboden. Het overgangsrecht wordt verruimd naar 31 december 2030 en er wordt een anticumulatiebepaling opgenomen. Wij steunen de voorgestelde aanpassingen waar de praktijk mee geholpen zal zijn.
VNO-NCW en MKB-Nederland
Dirk-Jan Sinke
sinke@vnoncw-mkb.nl
06 – 14 69 48 94