14 APR, 2026 • Opinie en Opiniearena

Industrial Accelerator Act: moet Europa ook de private vraag naar ‘Made in Europe’ stimuleren?

De Europese Commissie presenteerde begin maart de Industrial Accelerator Act (IAA): een pakket maatregelen om de Europese industrie te versterken in een wereld waarin geopolitiek, subsidies en strategische afhankelijkheden steeds bepalender worden. Met ‘Made in Europe’-eisen wil Brussel publieke middelen nadrukkelijker laten bijdragen aan productie in Europa zelf. Bij de presentatie bleek echter dat de wetgeving, na stevig debat tussen lidstaten, is afgezwakt en selectief is vormgegeven. Daarmee blijft een fundamentele vraag liggen: moet Europa verder gaan en ook de private vraag naar Europese producten actiever sturen?

Waar de Europese Unie lange tijd vertrouwde op open markten en mondiale ketens, verschuift de nadruk nu richting strategische autonomie en economische veiligheid. Maar hoe ver die verschuiving moet gaan, en tegen welke prijs, is onderwerp van debat.

Europese Commissie: de spelregels zijn veranderd

Voor de Europese Commissie is de richting duidelijk. In een op-ed die Stéphane Séjourné, de Europees commissaris voor Industriële Strategie en architect van de IAA, liet publiceren in tientallen Europese kranten, wordt de regelgeving gepresenteerd als een noodzakelijk antwoord op een wereld waarin de regels van de handel fundamenteel zijn veranderd. ‘Zonder een ambitieus, doeltreffend en pragmatisch industriebeleid is de Europese economie gedoemd om slechts een speelterrein voor haar concurrenten te blijven,’ schrijft hij. In die analyse is publieke vraag een cruciale hefboom. Wanneer Europees belastinggeld wordt ingezet, moet dat volgens de Commissie ook Europese productie versterken: ‘Telkens wanneer Europees overheidsgeld wordt gebruikt, moet dit bijdragen aan de Europese productie en aan hoogwaardige banen.’

Die redenering is een duidelijke breuk met het verleden. Waar efficiëntie en kostenoptimalisatie lange tijd leidend waren, schuift de Commissie nu economische veiligheid en strategische autonomie naar voren. Tegelijk probeert Brussel het beleid nadrukkelijk te positioneren als proportioneel en verenigbaar met internationale regels. Het moet gebeuren op ‘the European way’: met behoud van openheid en samenwerking met partners.

Toch laat de uiteindelijke IAA zien dat die balans lastig is. De ‘Made in Europe’-eisen zijn beperkt, gelden alleen voor specifieke sectoren en kennen relatief lage percentages. Bovendien is de definitie van ‘Europees’ opgerekt, zodat ook landen met wederzijdse markttoegang kunnen meetellen. Daarmee kiest de Commissie zichtbaar voor een middenweg: meer sturing, maar geen harde breuk met de open economie.

Bedrijfsleven is verdeeld

Voor Tata Steel Nederland is die middenweg begrijpelijk, maar mogelijk onvoldoende. Het bedrijf ziet ‘Made in Europe’ juist als een essentieel onderdeel van effectief industriebeleid, met name in sectoren waar wereldwijde overcapaciteit en oneerlijke concurrentie de norm zijn geworden. Volgens Rigved Mitra, Head of Commercial Strategy, is het risico groot dat beleid zonder vraagsturing zijn doel voorbijschiet. ‘Als vraagcreatie voor duurzame producten […] niet gekoppeld wordt aan ‘Made in Europe’-criteria, bestaat het risico dat dergelijk beleid onbedoeld werkt als een indirecte importsubsidie.’

In die redenering is publieke vraag slechts het begin. Als Europa investeert in verduurzaming, maar de vraag niet expliciet richting Europese producenten wordt gestuurd, vloeit de economische waarde alsnog weg naar buiten. Dat ondermijnt niet alleen de effectiviteit van beleid, maar vergroot ook het risico op verdere de-industrialisatie. Vanuit dat perspectief ligt het voor de hand om ook private vraag te betrekken. Zeker in kapitaalintensieve sectoren zoals staal, waar investeringen in vergroening alleen rendabel zijn bij voldoende vraag, kan gerichte vraagcreatie volgens Tata Steel bijdragen aan een gelijker speelveld en meer investeringszekerheid.

Het perspectief van AkzoNobel laat zien dat vraagsturing niet los kan worden gezien van de realiteit in de keten. De verf-gigant, benadrukt dat veel eindproducten al in Europa worden geproduceerd, maar dat de afhankelijkheid vooral zit in grondstoffen en halffabricaten. ‘De meeste verf en coatings voor Europese consumenten en industriële klanten worden al in Europa geproduceerd,’ vertelt Jesse Martens, Head of Global Public Affairs. ‘De IAA gaat echter vooral over grondstoffen. Die kopen we graag in de regio, maar die vraag is nu: worden die grondstoffen eigenlijk wel in Europa geproduceerd? En op welke schaal en tegen redelijke prijzen? Dat zijn vragen die ons bezig houden.’

Hybride oplossingen

Waar Tata Steel pleit voor sterkere vraagsturing om investeringen in vergroening rendabel te maken, waarschuwt AkzoNobel impliciet voor een andere realiteit: zonder voldoende Europees aanbod kan dezelfde politiek juist de kosten in de keten verhogen.

Deze observatie raakt aan een fundamenteel spanningsveld. Het stimuleren van vraag naar Europese producten heeft alleen effect als het aanbod er is, en tegen concurrerende voorwaarden. Als Europese grondstoffen duurder of schaars zijn, kan extra vraag juist leiden tot hogere kosten en een verslechtering van de internationale concurrentiepositie. Daarmee verschuift het probleem van vraag naar aanbod, en wordt duidelijk dat industriebeleid meerdere schakels tegelijk moet adresseren.

De discussie over de IAA laat daarmee een bredere ontwikkeling zien. Europa beweegt richting een actiever industriebeleid, maar probeert tegelijkertijd de voordelen van een open economie te behouden. Dat leidt onvermijdelijk tot hybride oplossingen: selectieve sturing in strategische sectoren, gecombineerd met ruimte voor internationale samenwerking.

De vraag of ook de private vraag moet worden aangezwengeld, past in diezelfde logica. Enerzijds kan het bijdragen aan het versterken van Europese ketens en het voorkomen dat publieke investeringen weglekken. Anderzijds vergroot het de kans op hogere kosten, verstoringen in handel en beperkingen in toegang tot de beste mondiale technologieën.

De uiteindelijke IAA laat zien dat de politieke ruimte voor vergaande maatregelen begrensd is. Lidstaten verschillen fundamenteel in hun economische structuur en afhankelijkheden, en die verschillen vertalen zich direct in de wetgeving. Wat resteert is een pragmatische middenweg, waarin ambitie en haalbaarheid voortdurend met elkaar moeten worden verzoend.

Misschien ligt daar ook de kern van het debat. Niet of Europa meer moet sturen, die richting lijkt ingezet, maar hoe ver die sturing kan gaan zonder de basis van het Europese economische model aan te tasten. De IAA is daarmee geen eindpunt, maar een tussenstap. De discussie over private vraag is dan geen technisch detail. Het gaat over een fundamentele politieke keuze: hoeveel autonomie wil Europa, en wat mag die kosten?

 

opiniearena (rubriek)