28 MEI, 2026 • Analyse en Buitenland
Frankrijk denkt strategisch. Nederland leert het net
Lang gold het als protectionistisch, maar de Franse aanpak voor strategische autonomie krijgt steeds meer bijval in een veranderende geopolitieke en economische werkelijkheid.
Protectionistisch, nationalistisch en ouderwets: lange tijd was dat het dominante beeld van Frankrijk. Inmiddels heeft het pleidooi van president Emmanuel Macron voor strategische autonomie de tijdgeest mee. Wat ooit werd weggezet als typisch Franse grootheidsdrang, geldt steeds vaker als vooruitziende blik. Natuurlijk is Frankrijk geen zaligmakend voorbeeld zonder problemen, maar geopolitieke spanningen en verschuivende economische machtsblokken dwingen wél tot een herwaardering van de Franse benadering. Wat verklaart dat strategische denken – en wat betekent het voor landen als Nederland?
Het had bijna tien jaar nodig, maar Macron beleeft zijn ‘told-you-so moment’, zoals de politieke nieuwssite Politico het omschreef. Zelf sprak de president eerder al van het ‘winnen van de ideologische strijd’. Toen hij in 2017, kort na zijn aantreden, aan de Sorbonne-universiteit pleitte voor een autonoom en soeverein Europa, werd dat buiten Frankrijk nog vaak met scepsis ontvangen. Het idee van ‘strategische autonomie’ werd gezien als verhuld protectionisme, of als een uiting van Franse hang naar grandeur. Inmiddels is het begrip gemeengoed geworden in Brussel en andere Europese hoofdsteden.
Strategische autonomie betekent in de Franse context niet zozeer volledig zelfvoorzienend zijn, maar de mogelijkheid om op cruciale gebieden zelfstandig te kunnen handelen, in plaats van afhankelijk te zijn van grootmachten zoals China of de Verenigde Staten. Het gaat om een zekere controle op het gebied van energie, technologie en veiligheid in een wereld waarin economische afhankelijkheden steeds vaker worden ingezet als geopolitiek instrument.
Die verschuiving in het denken is niet los te zien van een veranderde internationale context. Met de herverkiezing van Donald Trump, oplopende strijd over importheffingen en de oorlog in Oekraïne is de kwetsbaarheid van economische afhankelijkheden de afgelopen jaren zichtbaarder geworden. Toegang tot energie, technologie en grondstoffen blijkt niet alleen een economische, maar ook een strategische kwestie. De oorlog in Iran en de gevolgen van de blokkade van de Straat van Hormuz zetten dat ingedaalde besef nog eens extra op scherp. In het licht van dat alles oogt de Franse benadering minder als een afwijking, en meer als een vroegtijdige aanpassing aan een nieuwe realiteit.
Historische wortels
Het Franse denken over strategische autonomie heeft diepe historische wortels. Vrijwel elke analyse voert terug naar Charles de Gaulle. Als leider van het Franse verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog en later als president van de Vijfde Republiek legde hij de basis voor een politiek die gericht was op nationale onafhankelijkheid en strategische slagkracht.
Onder zijn leiding ontwikkelde Frankrijk een eigen nucleaire afschrikkingscapaciteit en koos het nadrukkelijk voor een autonome positie ten opzichte van zowel de Verenigde Staten als de Sovjet-Unie. Die koers was mede ingegeven door de ervaringen aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, toen Frankrijk zich tegenover nazi-Duitsland militair en strategisch in de steek gelaten voelde door zijn bondgenoten. In zijn boek Nous étions seuls beschrijft voormalig topdiplomaat Gérard Araud hoe deze ervaring het Franse denken blijvend heeft beïnvloed: zelfredzaamheid werd geen ideologische keuze, maar een strategische noodzaak.

Van idee naar beleid
De Franse invulling van strategische autonomie beperkt zich niet tot defensie, maar strekt zich uit tot economie, technologie en energie. Het uitgangspunt is dat geopolitieke macht niet zonder economische slagkracht kan — een besef dat ook onder De Gaulle al verankerd raakte in het Franse denken.
Dat vertaalt zich onder meer in actieve industriepolitiek. Met het investeringsprogramma France 2030, goed voor tientallen miljarden euro’s, zet de Franse staat gericht in op sectoren als kunstmatige intelligentie, halfgeleiders en duurzame energie. Tegelijkertijd ondersteunt het land actief nationale technologiebedrijven en investeert het in infrastructuur zoals datacenters en supercomputers. Er is kritiek op de effectiviteit en controleerbaarheid van France 2030, en de begrotingsproblemen zetten druk op de investeringen – verbetering is noodzakelijk. Maar met de actieve inzet op strategische infrastructuur behoort Frankrijk in de mondiale AI-competitie wél tot de weinige Europese landen die daadwerkelijk proberen een alternatief te ontwikkelen voor Amerikaanse en Chinese technologie.
Daarnaast pleit Frankrijk binnen de Europese Unie voor instrumenten om oneerlijke concurrentie tegen te gaan, bijvoorbeeld wanneer buitenlandse bedrijven profiteren van staatssteun of lagere productiestandaarden. Strategische autonomie betekent in deze benadering ook dat de EU haar interne markt beschermt waar nodig, zonder die volledig af te sluiten.
Tegelijkertijd is het Franse model geen pleidooi voor economische isolatie. Juist bij grote investeringsprogramma’s worden publieke en private middelen gecombineerd, vaak met aanzienlijke buitenlandse investeringen. Strategisch beleid betekent hier niet het sluiten van grenzen, maar het gericht sturen van kapitaal en capaciteit. Frankrijk positioneert zich met succes als interessante bestemming voor buitenlandse investeerders.
Twee economische logica’s
De Franse benadering contrasteert met die van landen als Nederland, waar economische openheid en vrijhandel traditioneel centraal staan. Waar Frankrijk de staat ziet als actieve speler die richting geeft aan de economie, vertrouwt Nederland sterker op marktdynamiek en internationale verwevenheid.
Volgens de Franse onderzoeker Pierre Haroche, gespecialiseerd in Europese integratie en geopolitiek, zit dat verschil diep verankerd in de economische en politieke traditie. Tijdens discussies over strategische autonomie merkt hij regelmatig dat Nederlandse beleidsmakers huiverig zijn voor een te grote rol van de staat. In Frankrijk wordt de economie al langer gezien als een verlengstuk van geopolitiek, stelt hij. In Nederland overheerst het idee dat open markten juist stabiliteit en welvaart brengen.
Dat is begrijpelijk — de interne markt is in Frankrijk vele malen groter. ‘Maar autonomie vraagt om actieve interventie van de staat in de economie’, benadrukt Haroche. ‘Strategisch denken betekent ook erkennen dat je de zaak niet op zijn beloop kunt laten.’
Binnen de Europese Unie hebben die verschillende denktradities intussen geleid tot een eigen draai aan het Franse idee van strategische autonomie. Op initiatief van Nederland en Spanje, die de term introduceerden, wordt binnen de EU nu gesproken van ‘open strategische autonomie’. Daarbij gaat het verminderen van afhankelijkheden hand in hand met het behoud van een open economie. Die benadering moet voorkomen dat strategisch beleid ontaardt in protectionisme of in het bevoordelen van nationale kampioenen.
Energie als strategische factor
Een domein waarop het Franse model duidelijk strategisch voordeel oplevert, is energie. Door decennialange investeringen in kernenergie beschikt Frankrijk over een relatief stabiele en grotendeels binnenlandse energievoorziening. Het land is netto-exporteur van elektriciteit en minder kwetsbaar voor externe schokken op de energiemarkt.
Die positie bleek van grote waarde na de Russische inval in Oekraïne, toen energieprijzen in Europa sterk opliepen en afhankelijkheid van Russisch gas een geopolitiek risico werd. Waar andere landen in korte tijd alternatieven moesten zoeken, bleek Frankrijk relatief beschermd tegen tekorten en exploderende prijzen. Bij de recente escalatie rond Iran en de bredere crisis in het Midden-Oosten blijkt ook Frankrijk niet immuun voor de wereldwijde effecten van geopolitieke spanningen. Maar dankzij de kernenergieproductie is het wel minder afhankelijk van olie en gas om de eigen industrie draaiende te houden.
De Franse benadering onderstreept dat energievoorziening niet alleen een kwestie is van kosten en duurzaamheid, maar ook van geopolitieke weerbaarheid. Dat inzicht wint inmiddels ook in andere Europese landen terrein.

Institutionele verankering
Opvallend is dat strategisch denken in Frankrijk niet alleen politiek wordt uitgedragen, maar ook institutioneel is ingebed. Organisaties als het Haut-commissariat à la Stratégie et au Plan houden zich expliciet bezig met langetermijnontwikkeling. Daarnaast worden veel topfunctionarissen in zowel politiek als bedrijfsleven opgeleid aan dezelfde elite-instellingen, waar strategisch en staatsgericht denken een centrale rol speelt.
Volgens Rick Floore van de Netherlands France Chamber of Commerce zorgt die verwevenheid voor een gedeeld referentiekader. ‘Voor de CAC 40, de veertig grootste Franse beursgenoteerde bedrijven, geldt dat de helft van de CEO’s aan een van die grote staatsscholen is opgeleid. De Franse politiek en de top van het bedrijfsleven denkt hetzelfde.’
Die institutionele context maakt het verschil tussen beide landen minder een kwestie van politieke voorkeur, en meer van structurele inrichting. Strategisch denken is in Frankrijk geen tijdelijke beleidskeuze, maar sterk verankerd in de collectieve intuïtie.
Naar een Europese synthese
De opkomst van strategische autonomie als Europees beleidsconcept weerspiegelt een bredere verschuiving in het denken over economie en geopolitiek. Waar economische globalisering lange tijd werd gezien als een stabiliserende kracht, groeit het besef dat afhankelijkheden ook kwetsbaarheden creëren.
Frankrijk heeft die realiteit vroeg onderkend en vertaald in beleid. Andere landen, waaronder Nederland, bewegen voorzichtiger in dezelfde richting, zoekend naar een balans tussen openheid en weerbaarheid.
De vraag is niet langer of strategisch denken nodig is, maar hoe dat vorm krijgt binnen de Europese en Nederlandse context. Tussen het Franse model van actieve staatssturing en het Nederlandse model van open markten ontstaat geleidelijk een hybride benadering, waarin economische efficiëntie en geopolitieke overwegingen naast elkaar bestaan.
Die ontwikkeling markeert geen breuk met het verleden, maar wel een herijking ervan, getuige de expliciete Europese ambitie van ‘open strategische autonomie’. Het is een pragmatische middenweg die toont dat het Europese marktdenken niet tot het verleden behoort, maar de Europese Unie wél onmiskenbaar Franser is gaan denken.