9 APR, 2026 • Achtergrond

Europese alternatieven voor big tech: hoeveel onafhankelijkheid is realistisch?

Hoe afhankelijk is Europa eigenlijk van Amerikaanse Big Tech, en wat betekent dat als de geopolitieke verhoudingen veranderen? 

Voor een gemiddelde kenniswerker in Nederland voelt het als een gewone werkdag: browsen in Chrome, mailen via Gmail of Outlook, videobellen met Teams of Zoom, documenten opslaan in de cloud. Maar wie dat lijstje kritisch bekijkt, ziet dat vrijwel elke stap afhankelijk is van een Amerikaanse techdienst. Onze digitale infrastructuur, van communicatie en opslag tot distributie, draait grotendeels op technologie van bedrijven als Microsoft, Google en Amazon.  

Jarenlang was dat nauwelijks een punt van discussie. De diensten werken goed, zijn gebruiksvriendelijk en sluiten naadloos op elkaar aan. Voor bedrijven en overheden was de keuze vaak simpel: Amerikaanse platforms boden de beste combinatie van functionaliteit, betrouwbaarheid en prijs. Maar nu de geopolitieke verhoudingen verschuiven en Europa nadrukkelijker spreekt over strategische autonomie, komt een vraag op tafel die eerder nauwelijks werd gesteld: hoe kwetsbaar is die afhankelijkheid eigenlijk? En: wat kunnen we zelf?  

Volgens Ruud Alaerds, directeur van branchevereniging Dutch Cloud Community, komt die discussie rijkelijk laat. ‘Soevereiniteit is nu een buzzword, maar eigenlijk speelt dit vraagstuk al veel langer,’ zegt hij. Toch ziet hij dat de urgentie pas recent echt is doorgedrongen. Niet alleen door privacywetgeving, maar vooral door geopolitieke ontwikkelingen die laten zien hoe afhankelijkheid kan doorslaan in kwetsbaarheid. ‘Het is echt een strategisch probleem.’ 

Ecosystemen en lock-in 

Die afhankelijkheid zit dieper dan het gebruik van losse tools. Grote techbedrijven leveren complete digitale ecosystemen tegen concurrerende prijzen. Microsoft, waarschijnlijk het bekendste voorbeeld voor de Nederlandse kenniswerker, biedt met zijn Microsoft 365-pakket een volledige werkomgeving waarin e-mail, documenten, cloudopslag, videobellen en samenwerking samenkomen. Google doet hetzelfde met zijn eigen pakket aan diensten. Voor bedrijven heeft dat duidelijke voordelen. Eén account, één omgeving en systemen die naadloos met elkaar samenwerken. Kleinere aanbieders kunnen daar vaak moeilijk tegenop concurreren.  

Maar dat gemak heeft een prijs: het maakt overstappen lastig. Bij Bits of Freedom zien ze dat mechanisme al langer. ‘Grote techbedrijven hebben heel slim gebruik gemaakt van het zogenaamde lock-in effect,’ zegt hoofd communicatie Maartje Knaap. ‘Ze creëren ecosystemen waarin hardware en software naadloos samenwerken, maar niet of nauwelijks met externe producten. Die diepe integratie in bedrijfsprocessen maakt het voor organisaties erg moeilijk om over te stappen op alternatieven.’  

Veel organisaties zitten daardoor feitelijk vast aan zo’n totaalpakket. En daar is op zichzelf weinig mis mee. De diensten werken goed, zijn gebruiksvriendelijk en beschikbaar tegen concurrerende prijzen. Bovendien beschikken de grote techbedrijven over uitgebreide netwerken van consultants en partners die organisaties ondersteunen. Voor zakelijke gebruikers is het digitale ecosysteem van bedrijven als Microsoft daardoor vaak simpelweg de meest efficiënte keuze. 

Geopolitiek verandert de discussie 

De geopolitieke context verandert echter snel. Sinds de terugkeer van Donald Trump in het Witte Huis staat de trans-Atlantische relatie opnieuw onder druk. De Amerikaanse regering dreigt voortdurend met importheffingen, heeft de militaire steun aan Oekraïne sterk teruggebracht en uit geregeld kritiek op Europese regelgeving en interne politiek. In strategische documenten wordt Europa steeds nadrukkelijker als economische concurrent genoemd. In Europa groeit daardoor het besef dat afhankelijkheid van buitenlandse technologie ook geopolitieke risico’s kan hebben. De conclusie die steeds vaker wordt getrokken: de EU moet meer op eigen benen kunnen staan, economisch, militair én digitaal.  

De Europese Commissie brengt daarom in hoog tempo strategische afhankelijkheden in kaart. De risico’s van digitale afhankelijkheid zijn niet alleen economisch, maar ook juridisch en politiek. Dankzij de Amerikaanse CLOUD Act kunnen Amerikaanse autoriteiten in bepaalde gevallen toegang eisen tot data van Amerikaanse techbedrijven, ook wanneer die data fysiek in Europa wordt opgeslagen. Dat betekent dat Amerikaanse wetgeving invloed kan hebben op gevoelige gegevens van Europese bedrijven en overheden. Volgens Bits of Freedom zijn er bovendien voorbeelden waarbij diensten of accounts plotseling ontoegankelijk werden door geopolitieke beslissingen. ‘Met een druk op de knop zouden Amerikaanse bedrijven ervoor kunnen zorgen dat onze digitale infrastructuur hier ernstig ontregeld raakt,’ zegt Knaap.  

Ze verwijst naar een incident uit 2025, toen een hoge rechter van het Internationaal Strafhof opeens geen toegang meer had tot zijn Microsoft-account nadat de VS sancties tegen hem hadden aangekondigd. In een reactie ontkende Microsoft dat het haar diensten aan het Strafhof had opgeschort. De desbetreffende rechter en zijn collega’s zijn ondertussen wel overgestapt naar een andere (Europese) e-maildienst.  

Of zo’n ‘rode knop’ daadwerkelijk bestaat, blijft vooralsnog onduidelijk. Amerikaanse techbedrijven stellen dat het technisch niet mogelijk is om Europa eenzijdig van hun diensten af te sluiten. Bovendien beloofden ze aan Europese overheden dat ze zich niet zomaar neerleggen bij druk van andere landen (zoals de VS) om hun clouddiensten stop te zetten. Bij Dutch Cloud Community wordt dat risico daarom vaak nog als theoretisch gezien. Maar volgens Alaerds maakt dat het niet minder relevant. ‘Een theoretisch risico is nog steeds een risico. Maar: It could happen.’ De vraag is dus niet alleen óf het mis kan gaan, maar vooral of Europa dat risico wil accepteren. Zéker wanneer het gaat om kritieke infrastructuur en gevoelige data. 

Europese alternatieven voor big tech

Het feit dat we zwaar afhankelijk zijn betekent niet dat Europa niets in huis heeft. Voor vrijwel elke Amerikaanse dienst bestaan inmiddels Europese alternatieven: e-mailproviders, cloudoplossingen, CRM-systemen en samenwerkingstools. Het probleem is vooral dat ze versnipperd zijn en vaak minder goed geïntegreerd. 

Alaerds ziet dat ook in de praktijk. Zijn eigen organisatie besloot in 2025 grotendeels over te stappen op Europese oplossingen. ‘We hebben gezegd: laten we zelf maar het voorbeeld geven.’ De branchevereniging gebruikt onder meer de Nederlandse e-maildienst Soverin, werkt met Nextcloud voor opslag en samenwerking en verving zijn CRM-systeem door het Belgische Odoo. De ervaring is volgens hem gemengd, maar werkbaar. ‘Het is misschien minder mooi, minder fancy. Maar het werkt gewoon goed.’  

Ook Bits of Freedom benadrukt dat overstappen vaak minder ingrijpend is dan organisaties denken. ‘Mensen maken het in hun hoofd vaak groter dan het in werkelijkheid is,’ zegt Knaap. Nieuwe systemen vragen aanpassing en niet alles werkt direct even soepel. Maar volgens haar is dat geen reden om het niet te proberen. 

Frankrijk: digitale soevereiniteit als staatsproject 

Frankrijk zet al jaren expliciet in op digitale soevereiniteit. De overheid beschouwt controle over data en digitale infrastructuur als een strategische kwestie, vergelijkbaar met energie of defensie. De staat investeert daarom actief in nationale cloudoplossingen. Een voorbeeld is de rol van OVHcloud, een van de grootste Europese cloudproviders. Daarnaast probeert de Franse overheid via regelgeving Amerikaanse invloed te beperken. Gevoelige overheidsdata moet worden opgeslagen bij aanbieders die niet onder buitenlandse wetgeving vallen, zoals de Amerikaanse CLOUD Act. Critici wijzen erop dat Frankrijk ondanks deze ambities nog steeds veel Amerikaanse technologie gebruikt. Toch laat het Franse beleid zien dat digitale autonomie voor sommige Europese landen een expliciet strategisch doel is geworden. 

Duitsland: bouwen aan een Europese cloud 

Duitsland kiest voor een andere aanpak. In plaats van nationale oplossingen zet het land vooral in op Europese samenwerking. Het bekendste initiatief is GAIA-X, een project dat in 2019 werd gelanceerd door Duitsland en Frankrijk. Het doel is geen centrale cloud bouwen, maar een netwerk van Europese cloudproviders die volgens dezelfde standaarden samenwerken. Bedrijven kunnen zo data opslaan bij verschillende aanbieders, terwijl systemen toch met elkaar communiceren. Hoewel het project nog in ontwikkeling is en soms wordt bekritiseerd vanwege trage voortgang, laat het zien hoe Duitsland digitale autonomie vooral ziet als een Europese industriële opgave. 

Nederland: pragmatisme en afhankelijkheid 

Nederland kiest vooralsnog een pragmatische koers. In plaats van een duidelijke nationale strategie maakt de overheid vaak gebruik van de technologie die het beste werkt, ook al komt die van buitenlandse bedrijven. Daardoor draaien veel Nederlandse overheidsorganisaties op systemen van Microsoft en Google. Tegelijk groeit ook in Den Haag het besef dat deze afhankelijkheid risico’s kan opleveren. Europese data kan bijvoorbeeld onder Amerikaanse wetgeving vallen via de CLOUD Act. Het Nederlandse beleid richt zich daarom vooral op risicobeperking: strengere contractvoorwaarden, betere controle op dataopslag en meer aandacht voor open standaarden. Een duidelijke strategische keuze voor Europese alternatieven blijft vooralsnog uit. 

Puzzelen 

Onze afhankelijkheid verkleinen blijkt echter niet zo makkelijk. De uitdaging zit hem volgens beide partijen niet in het ontbreken van technologie, maar in het ontbreken van samenhang. Waar Amerikaanse bedrijven complete ecosystemen aanbieden, bestaat het Europese aanbod uit losse bouwstenen. Dat betekent dat organisaties zelf moeten puzzelen om een werkend geheel te creëren. 

Volgens Alaerds is dat precies waar de uitdaging ligt. ‘Ik denk dat het in de eerste jaren heel moeilijk wordt om een alternatief voor Microsoft 365 te brengen dat zo breed is,’ zegt hij. Maar hij ziet dat niet als een reden om het niet te proberen. ‘Is het onoverkomelijk? Wij denken van niet.’ Toch zien Alaerds liever geen nieuwe ‘lock-in’ situatie. ‘Wij zien meer heil in het gebruik van open standaarden en open source, dat toelaat dat partijen samen kunnen werken aan een geïntegreerd aanbod, in plaats van één partij die alles aanbiedt.’ 

Alaerds vindt Bits of Freedom aan zijn kant. Ook zij pleiten voor een meer gedecentraliseerde aanpak, in plaats van één geïntegreerd Europees alternatief te bouwen. ‘Monopolies lijken me überhaupt geen goed idee,’ zegt Knaap. In hun visie moet de toekomst niet bestaan uit een Europees equivalent van Microsoft, maar uit een netwerk van diensten die met elkaar kunnen samenwerken. 

Dat betekent dat interoperabiliteit centraal moet staan. Diensten moeten met elkaar kunnen communiceren, data moet verplaatsbaar zijn en gebruikers moeten kunnen kiezen zonder vast te zitten aan één leverancier. Knaap vergelijkt het met e-mail, waar verschillende providers probleemloos met elkaar communiceren. ‘Europa moet focussen op interoperabiliteit, zodat je als gebruiker echt kunt kiezen,’ zegt ze.  

Die visie sluit aan bij bredere ontwikkelingen binnen Europa, waar gewerkt wordt aan open standaarden en federatieve cloudmodellen. Ook binnen de achterban van Dutch Cloud Community wordt volgens Alaerds steeds meer samengewerkt om tot beter geïntegreerde oplossingen te komen. Maar hij is realistisch over de stand van zaken. ‘Het is er nog niet,’ zegt hij.  

Launching customer 

De vraag is dan hoe die ontwikkeling kan worden versneld. Beide partijen wijzen nadrukkelijk naar de overheid. Niet als regelgever alleen, maar vooral als grote afnemer van digitale diensten. 

Het is een beproefde methode: naast de beschikbaarheid van enorme hoeveelheden (durf)kapitaal, gunstige regelgeving en slimme marktstrategieën, hebben veel Amerikaanse techbedrijven profijt gehad van staatssteun. Denk hierbij aan belastingvoordelen bij het bouwen van datacenters, belastingaftrek op r&d en langlopende overheidscontracten. Dit heeft ze in vroege fases geholpen om op te schalen, en maakt het nu moeilijk voor concurrenten om een been bij te trekken. 

Volgens Dutch Cloud Community ligt er een belangrijke hefboom bij die overheidscontracten. Als de overheid kiest voor Nederlandse of Europese oplossingen, ontstaat er schaal. En met schaal komen investeringen en innovatie. ‘Als de overheid het doet, dan volgen er meer,’ zegt Alaerds.  

De praktijk is echter weerbarstig. Overheidsorganisaties zitten vast in bestaande contracten, complexe IT-systemen en strikte aanbestedingsregels. Overstappen is niet alleen een technische, maar ook een juridische en organisatorische opgave. Dat maakt de overheid volgens Alaerds tot een ‘mammoettanker’ die moeilijk van koers verandert. 

Bits of Freedom is minder terughoudend en vindt dat de overheid een actievere rol moet spelen. Door in aanbestedingen eisen te stellen aan bijvoorbeeld open source, dataopslag en afhankelijkheid van buitenlandse wetgeving, kan de overheid de markt sturen. ‘Je kunt bijvoorbeeld opnemen dat software niet kwetsbaar mag zijn voor niet-Europese wetgeving,’ zegt Knaap.  

De overheid moet volgens haar zelf het goede voorbeeld geven. Dat gebeurt nu nog onvoldoende. ‘Het is zorgwekkend dat er nog steeds wordt gekozen voor die makkelijke, Amerikaanse weg,’ stelt ze.  

Economische schaal 

Een belangrijke reden waarom Amerikaanse techbedrijven zo dominant zijn, is hun economische schaal. Bedrijven als Microsoft, Google en Amazon kunnen enorme investeringen doen in infrastructuur, softwareontwikkeling en wereldwijde supportnetwerken. Die schaal maakt het mogelijk om complete ecosystemen te bouwen die kleinere concurrenten moeilijk kunnen evenaren. Bovendien profiteren deze bedrijven van het eerdergenoemde lock-in effect, en van sterke platformeffecten: hoe meer gebruikers, hoe aantrekkelijker het platform voor anderen om zich aan te sluiten, waardoor de dominante positie zichzelf versterkt. Europese aanbieders opereren daarentegen vaak op gefragmenteerde markten, met kleinere gebruikersbasissen, minder kapitaal en beperkte integratiemogelijkheden, waardoor het lastig is om een gelijkwaardig alternatief te creëren. 

Minder afhankelijk  

Toch zien beide partijen dat er beweging ontstaat. Organisaties worden zich bewuster van hun afhankelijkheden en beginnen die in kaart te brengen. Er ontstaan samenwerkingen tussen Europese aanbieders. En er groeit een markt voor alternatieven, al is die nog klein. 

Voor Bits of Freedom is het einddoel helder. ‘Dat we een pluriform landschap hebben waarin we eigenaarschap hebben over onze data en privacy,’ zegt Knaap.  

Dutch Cloud Community formuleert het pragmatischer. ‘Het gaat niet om volledige afkoppeling van Amerikaanse technologie, maar om bewustere keuzes en minder afhankelijkheid. Om het ontwikkelen van een Europese industrie die een volwaardig alternatief kan bieden,’ aldus Alaerds. 

achtergrond (rubriek)digitale infrastructuureuropastrategische autonomietechnologieverenigde staten van amerika