21 AUG, 2026 • Essay
Europa scoort een economische eigen goal
Techondernemer Ruben Brave en directeur Beleid van VNO-NCW Willemien Bosch betogen dat ondernemers uit ondervertegenwoordigde groepen in Europa goed zijn voor honderden miljarden euro’s omzet, maar aantoonbaar minder toegang hebben tot groeikapitaal. Dat is volgens hen geen diversiteitsprobleem, maar een probleem van kapitaalallocatie en daarmee van concurrentievermogen — precies nu Nederland zijn verdienvermogen moet opschroeven.
BioNTech redde miljoenen levens met een van Europa’s meest gebruikte coronavaccins. De oprichters, Uğur Şahin en Özlem Türeci, zijn kinderen van Turkse immigranten. Mattias Scheek, opgegroeid in Amsterdam-West en van Surinaamse afkomst, verkocht het speakertechnologiebedrijf dat hij samen met zijn broer oprichtte voor circa 100 miljoen dollar aan Sonos. En Hamed Sadeghian, die als Iraanse promovendus naar Nederland kwam, leidt Nearfield Instruments, dat in 2026 met 380 miljoen dollar de grootste deeptechronde in de Nederlandse geschiedenis ophaalde.
Dit zijn geen sentimentele uitzonderingen. Het zijn ondernemers die laten zien hoeveel economische waarde kan ontstaan wanneer talent, technologie en kapitaal elkaar vinden. Juist daarom is de relevante vraag niet of Europa over voldoende ondernemerstalent beschikt. Die vraag is beantwoord. De vraag is of ons financiële systeem dat talent ook weet te vinden. Dat is belangrijker dan het op het eerste gezicht lijkt. Nederland staat voor een forse investeringsopgave in technologie, energie, infrastructuur en defensie. Peter Wennink, voormalig CEO van ASML, becijferde dat Nederland tot 2035 minimaal 151 tot 187 miljard euro aan extra productiviteitsverhogende investeringen moet mobiliseren. Dat lukt alleen als kapitaal terechtkomt bij ondernemingen die kunnen groeien, innoveren en nieuwe markten kunnen ontwikkelen.
En daar wringt het.
Niet iedereen begint met dezelfde uitgangspositie
In verschillende Europese landen zijn ondernemers met een migratieachtergrond verantwoordelijk voor een aanzienlijk deel van de nieuwe bedrijven. In Nederland ligt hun aandeel inmiddels rond de 40 procent. Tegelijkertijd ontvangen ondernemers uit verschillende ondervertegenwoordigde groepen structureel minder externe financiering dan op basis van hun aandeel in het ondernemerschap verwacht zou mogen worden.
Onderzoek van OPEN/MSDUK toont aan dat ondernemingen van ondernemers met een migratieachtergrond in economisch toonaangevende delen van Europa samen goed zijn voor circa 570 miljard euro omzet en 2,7 miljoen banen. Dat is geen marginale bijdrage aan de economie. Het is een economische factor van betekenis.
Toch ontstaat bij financiering een ander beeld. Waar data beschikbaar zijn, blijkt dat oprichters uit ondervertegenwoordigde groepen een zeer klein aandeel van het durfkapitaal ontvangen. Ook op de bredere financieringsmarkt spelen verschillen in toegang een rol. Niet noodzakelijk omdat hun ondernemingen minder levensvatbaar zijn, maar omdat financiering vaak wordt verstrekt binnen systemen die bestaande netwerken, zekerheden, kredietgeschiedenis en vertrouwde profielen zwaar laten meewegen.
Dat is begrijpelijk vanuit het perspectief van individuele banken en investeerders. Maar op macroniveau kan het tot een probleem leiden: als financieringscriteria systematisch bepaalde vormen van ondernemerschap minder goed herkennen, wordt kapitaal niet noodzakelijk daar ingezet waar het economisch het meeste kan opleveren. Het gaat dus niet om de vraag of iedereen dezelfde financiering moet krijgen. Het gaat om de vraag of goede ondernemingen dezelfde kans krijgen om hun groeipotentieel te bewijzen.
Kapitaal zoekt vertrouwdheid
Dat probleem begint soms al voordat een ondernemer een financieringsaanvraag indient. Uit CBS-onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat vrouwen met een financieringsbehoefte minder vaak daadwerkelijk een aanvraag doen dan mannen. De financieringskloof zit dus niet alleen in afwijzingen. Een deel ontstaat doordat ondernemers verwachten dat financiering toch buiten bereik ligt.
Ook dat is economische inefficiëntie.
Wie geen financiering aanvraagt, omdat die niet beschikt over het juiste netwerk, onvoldoende onderpand heeft of verwacht niet in het profiel van een financier te passen, blijft buiten de markt voordat de kwaliteit van het ondernemingsplan überhaupt is beoordeeld. Daar komt bij dat de meeste ondernemers nooit bij een venturecapitalfonds terechtkomen. Het overgrote deel van het mkb is aangewezen op banken, alternatieve financiers en publieke financieringsinstrumenten. Juist daar is de vraag relevant hoe we ondernemers bereiken die niet vanzelf hun weg vinden naar bestaande netwerken. Dat betekent niet dat banken hun risicomodellen moeten loslaten. Het betekent wel dat Nederland beter moet worden in het herkennen van ondernemingspotentieel. Een systeem dat vooral kijkt naar bestaande zekerheden en financiële historie loopt immers het risico vooral bestaande vermogensposities te financieren. Maar de economie van morgen wordt gebouwd door ondernemingen waarvan de belangrijkste waarde soms juist nog niet op de balans staat: technologie, intellectueel eigendom, kennis, internationale netwerken en groeipotentieel.
Van diversiteit naar verdienvermogen
Peter Wennink benoemt in zijn analyse van het Nederlandse concurrentievermogen expliciet dat de toegang tot durfkapitaal minder gelijk verdeeld is voor vrouwen en ondernemers met een migratieachtergrond. Dat is een belangrijke constatering, juist omdat zij afkomstig is uit het hart van het Nederlandse technologie-establishment.
De economische consequentie is groter dan de financieringsmarkt alleen. Ondernemers met internationale wortels brengen vaak kennis van andere markten, talen, netwerken en handelsrelaties mee. Dat kan waardevol zijn voor een Europa dat zijn economische positie wil versterken in een wereld waarin geopolitieke verhoudingen veranderen.
Strategische autonomie gaat daarom niet alleen over halfgeleiders, energie, defensie en kunstmatige intelligentie. Het gaat ook over de vraag wie toegang krijgt tot het kapitaal waarmee nieuwe bedrijven in die sectoren kunnen ontstaan en doorgroeien.
Europa kan niet tegelijkertijd klagen over een gebrek aan snelgroeiende technologiebedrijven en een financieringssysteem in stand houden waarin een deel van het beschikbare ondernemerstalent moeilijker toegang krijgt tot groeikapitaal. Dat is de economische eigen goal.
Nederland heeft al veel van de instrumenten
Het goede nieuws is dat Nederland niet vanaf nul hoeft te beginnen.
De Tweede Kamer nam op 15 april 2025 de motie-White aan, waarin de regering wordt opgeroepen knelpunten rond inclusieve financiering aan te pakken, onder meer via de FinancieringsGids en aanverwante instrumenten. Ook wordt gevraagd om beter zicht te krijgen op het bereik van publieke financiering.
Daarmee is een belangrijke politieke stap gezet. Maar een motie verandert nog geen financieringspraktijk. Nederland beschikt over een uitgebreid stelsel van publieke en private financieringsinstrumenten: BMKB, Qredits, de ROM’s, Seed Capital en Invest-NL. Die infrastructuur kan een belangrijke rol spelen bij het toegankelijker maken van kapitaal voor ondernemingen die buiten traditionele financieringsnetwerken vallen.
Invest-NL heeft inmiddels bovendien 50 miljoen euro beschikbaar gesteld voor het Diverse Manager Programme, gericht op durfkapitaalfondsen met diverse partners. Dat is een stap in de goede richting. Maar het bereik van dergelijke fondsen blijft noodzakelijkerwijs beperkt. Volgens de CBS Financieringsmonitor lag in 2024 ongeveer 99 procent van het aantal non-bancaire financieringen onder 1 miljoen euro. Bij direct lending lag het merendeel zelfs onder 50.000 euro.
Daarom is meer diversiteit aan de bovenkant van de kapitaalmarkt alleen niet genoeg. De hele financieringsketen moet beter gaan functioneren. Juist daar kan Frankrijk een interessant bijvoorbeeld zijn. Bij Bpifrance leidde een doelstelling rond vrouwelijke oprichters tot een duidelijke stijging van de financiering aan vrouwelijke teams. Niet als gunst, maar als manier om onbenut economisch potentieel aan te boren. Dat is de relevante les: inclusieve financiering vraagt niet alleen om meer aanbod, maar ook om een financieringsketen die ondernemers weet te vinden én te financieren.
Meet wie wordt bereikt
De volgende stap is niet nog een beleidsnota, maar inzicht in wie het systeem bereikt en wie niet. Nederland moet weten welke ondernemers gebruikmaken van publieke financieringsinstrumenten — en welke ondernemers structureel buiten beeld blijven. Daarvoor zijn organisaties als de Kamer van Koophandel en het CBS cruciaal. De KVK heeft toegang tot het ondernemersbestand en kan helpen om outreach structureler te organiseren. Het CBS kan inzicht geven in verschillen in toegang en bereik. Dat hoeft niet te betekenen dat individuele ondernemers of gevoelige persoonsgegevens worden gevolgd. Geaggregeerde monitoring kan juist zichtbaar maken waar het systeem wel en niet werkt.
Ook de uitvoeringsorganisaties zelf zouden niet alleen moeten meten hoeveel geld zij uitzetten, maar ook wie zij daarmee bereiken en welk economisch potentieel daardoor wordt ontsloten.
Dat is een wezenlijk verschil. Een financieringsinstrument kan op papier succesvol zijn omdat het budget volledig benut wordt, terwijl een deel van de potentiële doelgroep het instrument niet kent, niet bereikt of niet gebruikt. De maatstaf zou daarom niet alleen moeten zijn: hoeveel euro is geïnvesteerd? Maar ook: welke ondernemingen hebben daardoor kunnen groeien die anders geen toegang tot kapitaal hadden gehad?
De keuze is economisch
Inclusieve financiering wordt nog te vaak behandeld als een onderdeel van het diversiteitsbeleid. Daarmee doen we het onderwerp tekort. Het gaat uiteindelijk om een veel fundamentelere economische vraag: hoe alloceren we schaarse middelen? Als Nederland tientallen miljarden extra moet mobiliseren voor productiviteit, innovatie en strategische sectoren, kunnen we ons niet veroorloven om een deel van het beschikbare ondernemerstalent onvoldoende te bereiken. Niet omdat iedere ondernemer recht heeft op financiering, maar omdat iedere levensvatbare onderneming de kans moet krijgen om op haar economische potentieel te worden beoordeeld.
Wennink heeft laten zien wat er gebeurt wanneer uitzonderlijk technologisch talent en langetermijnkapitaal elkaar vinden. ASML is niet groot geworden doordat het systeem uitsluitend investeerde in ondernemingen die al bewezen waren. Het bedrijf groeide doordat er bereidheid was om potentieel te herkennen en daarop in te zetten. Diezelfde logica moet nu breder worden toegepast. Het talent is er. De ondernemers zijn er. Het kapitaal is er. En de financieringsinstrumenten zijn er. Wat ontbreekt, is een systeem dat deze elementen consequent met elkaar verbindt.
Daarom moet Nederland inclusieve financiering niet langer primair benaderen als een vraagstuk van representatie. Het is een vraagstuk van kapitaalallocatie, productiviteit en concurrentievermogen. Wie wil weten waar de volgende groeibedrijven vandaan komen, moet niet alleen kijken naar de ondernemers die vandaag al toegang hebben tot het systeem, maar ook naar degenen die het systeem nog onvoldoende weet te vinden. Want in een economie die dringend nieuw verdienvermogen nodig heeft, kunnen we ons niet veroorloven potentieel onbenut te laten. Dat is niet alleen zonde van het talent, maar ook economisch onverstandig.
Willemien Bosch is directeur beleid van VNO-NCW. Ruben Brave is tech-ondernemer, voorzitter van de New Economy Werkgroep van VNO-NCW Metropoolregio Amsterdam en oprichter van het Dutch New Narrative Lab. De opvattingen zijn die van de auteurs persoonlijk.
DE CIJFERS ACHTER HET VERHAAL
€570 mld
Omzet van ondernemingen van ondernemers met een migratieachtergrond in economisch toonaangevende EU-landen, goed voor 2,7 miljoen banen.
OPEN/MSDUK, Minority Businesses Matter: Europe (2022)
Ca. 40%
Aandeel van ondernemers met een migratieachtergrond in nieuwe Nederlandse bedrijven.
CBS / DNNL-VU (2025)
€151–187 mld
Aanvullende productiviteitsverhogende investeringen die Nederland tot 2035 moet mobiliseren.
Rapport-Wennink, De route naar toekomstige welvaart (2025)
47% vs. 59%
Van de vrouwen met een financieringsbehoefte vraagt daadwerkelijk financiering aan, tegenover 59% van de mannen.
CBS, Financieringsmonitor
€50 mln
Beschikbaar via het Diverse Manager Programme van Invest-NL voor durfkapitaalfondsen met diverse partners.
Invest-NL (2025)