23 JUN, 2026 • Essay
Europa is niet zo zwak als het soms denkt
Europa staat tegelijkertijd onder druk van de Verenigde Staten, China en Rusland, maar reageert nog te vaak aarzelend en reactief.
Tijdens de recente NAVO-bijeenkomst in Helsingborg lieten de Verenigde Staten opnieuw doorschemeren dat hun militaire aanwezigheid in Europa op termijn niet vanzelfsprekend is. Een gedeeltelijke terugtrekking lijkt steeds waarschijnlijker. Tegelijkertijd overweegt de EU het omstreden handelsakkoord van Turnberry te ratificeren, nadat Washington dreigde met nieuwe importheffingen. Ook de druk vanuit China neemt toe. Europa dreigt de belangrijkste afzetmarkt te worden voor Chinese overcapaciteit, nu Chinese exportstromen door Amerikaanse handelsbeperkingen worden omgeleid. In het eerste kwartaal steeg de Chinese export naar Europa met meer dan 20 procent, wat de concurrentiedruk op de Europese industrie verder vergroot. Rusland blijft ondertussen, ondanks de economische en militaire gevolgen van de oorlog in Oekraïne, de spanningen opvoeren met militaire oefeningen nabij NAVO-grenzen en intensievere droneaanvallen. Een recente verdwaalde drone kwam zelfs terecht op NAVO-grondgebied in Roemenië. Deze ontwikkelingen tonen een steeds grimmiger geopolitieke werkelijkheid. Toch blijft Europa vooral kiezen voor voorzichtigheid en conflictvermijding, zelfs wanneer het wordt geconfronteerd met economische en militaire druk.
De grenzen van terughoudendheid
Er zijn situaties waarin terughoudendheid verstandig is. Zoals Joan Robinson stelde in haar essay Beggar-my-Neighbour uit 1937: ‘Dat je handelspartner stenen in zijn haven legt, is voor jou geen reden om dat ook te doen.’ Samenwerking en openheid blijven waardevolle uitgangspunten. Maar nu de geopolitieke concurrentie zich beweegt buiten het kader van het overeengekomen multilateralisme, daartoe aangestuurd door instellingen als de VN en de WHO, wordt terughoudendheid algauw iets anders: een structureel onvermogen om te reageren. De aanpak van Europa is al te vaak niet gebaseerd op strategische keuzes, maar op vermeende zwakheid en angst voor escalatie. De redenering wordt dan: als we geen vergelijkbare machtsmiddelen hebben, moeten we ons niet verzetten tegen de druk, maar erin meegaan. Door deze houding wordt de druk van buitenaf echter niet minder. Integendeel, die druk wordt daardoor juist aantoonbaar versterkt. Of je nu kijkt naar de handelsmaatregelen van de VS, de van staatswege gesponsorde industriële expansie van China of de militaire intimidatie door Rusland, het patroon is min of meer hetzelfde: Europa krijgt de kosten voor zijn kiezen, terwijl anderen de grenzen van de Europese terughoudendheid beproeven.
Een wereld van knelpunten
De grootste misvatting is dat het Europa ontbreekt aan strategische invloed. Dat is niet zo. Europa mag dan misschien niet beschikken over evenveel dwangmiddelen als de Verenigde Staten of China, het heeft wel zeggenschap over diverse cruciale knelpunten in het mondiale systeem – en in de geopolitiek kan één enkel knelpunt van enorme betekenis zijn. China heeft dit laten zien met het beperken van de export van zeldzame aardmetalen. Iran heeft hetzelfde gedaan via dreigementen rond de Straat van Hormuz. Zelfs beperkte vormen van strategische invloed kunnen, indien die geloofwaardig zijn, onderhandelingen ombuigen.
Daarnaast beschikt Europa over een ander soort macht: toegang, regulering en marktomvang. Met een markt van 450 miljoen consumenten is de EU nog steeds een van de grootste en waardevolste economische ruimten ter wereld. Bovendien bevinden Europese ondernemingen en instellingen zich op de belangrijkste knooppunten van de mondiale financiële, industrie- en technologiesectoren. De vraag is dan ook niet of Europa macht heeft. Europa heeft macht. De vraag is of Europa bereid is die macht strategisch in te zetten. En tot dusverre is dat niet het geval.
China: structurele overcapaciteit naar Europa
China wordt vaak beschouwd als onstuitbare economische supermacht. Er ontbreekt iets aan dit plaatje. Het Chinese groeimodel blijft zwaar steunen op investeringen en export, terwijl de binnenlandse consumptie structureel zwak blijft. Dit heeft geleid tot grote interne en externe wanverhoudingen en een toenemende afhankelijkheid van externe vraag. Toen de Chinese vastgoedsector een paar jaar geleden in een crisis belandde, verschoof de economie nog sterker naar de export van industriële producten. Deze verschuiving werd recentelijk nog verder versneld door de gespannen handelsbetrekkingen met de Verenigde Staten.
Het gevolg is een mondiaal spillover-effect: het industrieoverschot van China wordt in steeds grotere mate naar Europa geëxporteerd. Dit wordt momenteel alom aangeduid als ‘China shock 2.0’ en heeft directe gevolgen voor de Europese productie. Binnen Europa lopen de politieke reacties uiteen. Frankrijk en Italië neigen naar krachtiger defensieve maatregelen, terwijl Duitsland, Nederland en delen van Noord-Europa zich van oudsher verzetten tegen protectionistische reacties, vaak uit principe en ter verdediging van de vrije handel.
Er is echter ook een dieperliggende structurele reden voor deze aarzeling: het industriemodel van Duitsland is nauw verweven met China, met aanzienlijke winstmogelijkheden in belangrijke sectoren. In andere landen, waaronder Spanje en Hongarije, heeft China grote investeringen gedaan. Dat maakt aanpassing van het Europese beleid in politiek en economisch opzicht moeilijk. Toch wordt het lastiger om deze houding te handhaven. China richt zich nu rechtstreeks op de industriële kern van Europa, met name de auto-industrie, de chemische industrie en de machine-industrie. De vraag is niet langer of aanpassing noodzakelijk is, maar hoe snel dat zal gebeuren en in welke vorm.

Rusland: belemmerd maar nog steeds ontwrichtend
De oorlog die Rusland voert in Oekraïne heeft aanzienlijke militaire en economische zwakheden aan het licht gebracht. Na ruim vier jaar oorlog lijkt Rusland nog maar beperkte capaciteit te hebben voor aanhoudende expansie. Europa heeft in feite relatief doeltreffend gereageerd op de Russische agressie: met grootschalige financiële en militaire steun aan Oekraïne, aangescherpte sanctieregelingen en toenemende weerbaarheid tegen hybride dreigingen. Tegelijkertijd verbetert de houding van Europa jegens defensie, met name in landen als Duitsland, waar een aanmerkelijke verschuiving plaatsvindt in het defensiebeleid. Dit wil niet zeggen dat Rusland geen bedreiging meer vormt. Het geeft wel aan dat de meest directe strategische uitdaging voor Europa elders ligt.
De Verenigde Staten: verbond onder spanning
De politiek gevoeligste verschuiving is het veranderende karakter van de trans-Atlantische relatie. We kunnen niet langer rekenen op de Verenigde Staten als bondgenoot van Europa. Vanuit een verbijsterende ommezwaai in het beleid heeft de regering-Trump hoge, verstorende importheffingen opgelegd, haar betrokkenheid bij de NAVO in twijfel getrokken en zich rechtstreeks in de Europese politiek gemengd aan de kant van ultrarechtse oppositiepartijen. Het handelsakkoord van Turnberry is niet alleen onevenwichtig wat de tarievenstructuur betreft, het weerspiegelt ook een verschuiving van multilaterale handelsafspraken, zoals vastgelegd binnen de WHO, naar dwingende, op macht gebaseerde onderhandelingen. Dit roept een dieperliggende vraag op: wat is de aard van de trans-Atlantische relatie in een wereld waarin vertrouwen tussen bondgenoten niet langer een gegeven is? Als Europa geacht wordt meer verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen veiligheid, terwijl het tegelijkertijd asymmetrische handelsafspraken accepteert, wordt de logica van de relatie moeilijker staande te houden.
Waarom de passieve houding van Europa geld kost
Er zijn twee redenen waarom Europa zijn huidige houding zou moeten heroverwegen. Ten eerste heeft geloofwaardig verzet tegen dwangpolitiek het afgelopen jaar geleid tot gedragsverandering bij de VS. Wanneer kleinere actoren – waaronder bondgenoten – in opstand komen tegen druk van de VS op het gebied van handel of veiligheid, stelt Washington zijn positie in veel gevallen bij. Ten tweede speelt er een binnenlandse politieke dimensie. Een Europa dat niet in staat lijkt zijn eigen belangen te verdedigen, riskeert zijn politieke legitimiteit intern te ondermijnen, met name in een tijd waarin populistische machten de waarde van Europese integratie reeds in twijfel trekken. Met andere woorden: externe zwakte wordt interne instabiliteit.
De echte invloed van Europa
De literatuur die opduikt over economisch staatsmanschap benadrukt het belang van knelpunten in de mondiale machtsstrijd. SWIFT, geavanceerde halfgeleiderapparatuur, kritieke materialen, geldstromen en gereguleerde toegang vertegenwoordigen allemaal vormen van strategische invloed. Europa speelt een centrale rol in veel van deze systemen. Zoals Edward Fishman, auteur van Chokepoints: How the Global Economy Became a Weapon of War, heeft betoogd, zouden veel door de VS aangestuurde dwanginstrumenten niet doeltreffend functioneren zonder Europese deelname. In die zin is Europese samenwerking niet alleen ondersteunend, maar essentieel voor de westerse economische macht. Europa heeft voorts aanzienlijke invloed op financieel gebied, via zijn netto spaarquote en investeringsstromen naar de Verenigde Staten, die mede bedoeld zijn als bijdrage aan de financiering van het reeds bovenmatig grote begrotingstekort van de VS. Aanpassing van de stimuleringsregelingen om de Europese financiering van de overconsumptie van de VS te beperken, zou tot hogere financieringskosten in de VS leiden en een behoorlijke macro-economische impact hebben. Daarnaast blijft Europa een cruciale hub voor geavanceerde productie, farmaceutica, lucht- en ruimtevaart, precisietechniek en groene technologieën. Dat bezorgt Europa nog geen overwicht. Het schept wel invloed, die gebruikt kan – en moet – worden om dwingende politieke aanvallen op Europa te pareren.
Een strategische conclusie
Europa hoeft zich niet te meten met de Verenigde Staten of China voor wat betreft mogelijkheden tot dwang. Het moet echter wel af van de aanname dat het geen invloed heeft. De centrale strategische vraag is niet of Europa de confrontatie moet aangaan. De vraag is of Europa bereid is te functioneren in een wereld waarin anderen dat al doen. Terughoudendheid zonder strategie, en zonder de bereidheid om op te staan en een tegenaanval in te zetten, loopt in een dergelijke wereld uit op kwetsbaarheid. Europa is niet zo zwak als het soms denkt. Evenmin zijn zijn partners zo sterk als ze zich voordoen. De kloof tussen perceptie en realiteit is steeds vaker beslissend voor geopolitieke resultaten. De ironie is dat Europa zijn eigen macht wellicht niet door eigen keuze, maar uit noodzaak zal herontdekken. Dat heeft een risico: tegen de tijd dat het zo ver is, zijn de voorwaarden al vastgesteld door anderen.
Over de schrijver
Erik Fossing Nielsen is Senior Advisor bij ‘Independent Economics’, een adviesbureau gevestigd in Londen. Voordat hij in dienst trad bij ‘Independent Economics’, werkte Erik veertien jaar als Group Chief Economist bij UniCredit. Van 1996 tot 2011 werkte hij voor Goldman Sachs; zijn laatste functie daar was die van Chief European Economist. Vóór Goldman was Erik tien jaar werkzaam in Washington, waar hij als econoom verbonden was aan het IMF en de Wereldbank. Daarvoor werkte hij vier jaar bij de centrale bank van Kopenhagen als econoom en gastdocent aan de Copenhagen Business School.