28 AUG, 2026

Position Paper Rapport Wennink - Industrie- en Innovatiebeleid vraagt om samenhang, regie en investeringskracht

Nederland verdient krachtig industriebeleid

Het Nederlandse industrie- en innovatiebeleid, wat centraal staat in uw plenaire debat over het Rapport Wennink op 3 september, vraagt om urgentie, samenhang, regie en investeringskracht. Dit is recent stevig onderschreven door de WRR, die pleit voor een combinatie van stevig innovatie- en industriebeleid én een nieuwe inzet op handelsbeleid. 1

Nederland staat voor fundamentele keuzes met betrekking tot het toekomstige verdienvermogen. Geopolitieke spanningen nemen toe, technologie ontwikkelt zich razendsnel en landen om ons heen investeren op grote schaal in hun industrie, strategische technologie en economische weerbaarheid. Tegelijkertijd staat het Nederlandse investerings- en vestigingsklimaat onder zware druk.

Het rapport Wennink laat duidelijk zien dat meer groei van belang is om onze uitstekende voorzieningen op peil te houden. VNO-NCW en MKB-Nederland zijn positief dat het kabinet deze ambitie heeft omarmt. Tegelijkertijd klinkt de economische urgentie nog onvoldoende door in concreet beleid en besluitvorming.

Een sterke economie is geen belang naast andere belangen, maar een belangrijke basis onder onze brede welvaart en de maatschappelijke ambities.  

Integraal beleid vraagt daarom dat economische gevolgen volwaardig worden meegewogen en dat wordt bijgestuurd wanneer beleid onze investeringskracht, productiviteit of economische weerbaarheid aantast.

Dat gebeurt nu onvoldoende. Het gesprek met de industrie verengt zich te vaak tot de vraag wat juridisch mogelijk en rechtmatig is. Die toets is noodzakelijk, maar goed bestuur vraagt óók om een weging van wat maatschappelijk en economisch urgent is – en om het vermogen daarnaar te handelen.

De signalen vragen om actie. Nederland staat in de IMD-ranking op het onderdeel fiscaal beleid op plek 69 van de 702. Ook onze investeringen in onderzoek en ontwikkeling blijven achter en dreigen verder terug te vallen. Tegelijkertijd lopen bedrijven aan tegen netcongestie, trage vergunningverlening, stikstofproblematiek, arbeidsmarktkrapte, regeldruk, beperkte toegang tot financiering en een gebrek aan voorspelbaarheid.

Niets doen is geen neutrale optie, maar heeft nu al een prijs

Als we die stapeling niet doorbreken, worden investeringen uitgesteld of elders gedaan en verliezen we stap voor stap verdienvermogen dat niet vanzelf terugkomt.

In sommige sectoren zien we de consequenties al: bedrijven stellen investeringen uit, verplaatsen activiteiten of kiezen ervoor nieuwe productiecapaciteit en uitbreidingen buiten Nederland te realiseren. Daarmee verliezen we niet alleen één investering. Rond industriële bedrijven bevinden zich complete ecosystemen van mkb-toeleveranciers, kennisinstellingen, technisch talent en gespecialiseerde dienstverlening. Wanneer in deze ecosystemen serieuze witte vlekken gaan ontstaan, dreigt uiteindelijk de hele keten te verzwakken.

Daar komt een tweede probleem bovenop: Nederland heeft op dit moment een onvoldoende herkenbaar stuur op zijn industrie- en innovatiebeleid.

Het Topsectorenbeleid is losgelaten zonder dat duidelijk is wat daar nu voor in de plaats is gekomen. Begrippen als markten, domeinen, sleuteltechnologieën buitelen over elkaar heen maar onduidelijk is hoe het allemaal samenhangt en wat er nu echt wordt gedaan. Bovendien ontbreekt een duidelijke publiek-private governance. Er ontstaan nieuwe structuren die ieder afzonderlijk nuttig kunnen zijn, maar samen vormen ze nog geen begrijpelijk systeem. Voor bedrijven is onvoldoende duidelijk waar besluiten worden genomen, wie verantwoordelijk is, hoe prioriteiten worden gesteld, waar financiering beschikbaar is en hoe bedrijfsleven en kennisinstellingen structureel betrokken worden. Nederland heeft geen behoefte aan nieuwe structuren. Nederland heeft behoefte aan een stuur.

Onze inzet: pak Rapport Wennink integraal en voortvarend op

Het rapport-Wennink biedt volgens VNO-NCW en MKB-Nederland de kans om dat stuur opnieuw te organiseren. De kracht van Wennink zit niet in één fonds of instelling, maar juist in de samenhang tussen goede randvoorwaarden, gericht industrie- en innovatiebeleid, voldoende investeringsvermogen en een overheid die daadwerkelijk kan uitvoeren.

Het is daarom positief dat het kabinet met Wennink aan de slag is gegaan en heeft gekozen voor een interdepartementale aanpak. Maar de uitvoering dreigt versnipperd te raken. Het primaat voor belangrijke onderdelen van het innovatiebeleid lijkt bovendien steeds vaker bij afzonderlijke vakdepartementen terecht te komen, terwijl die vervolgens niet over de middelen beschikken om de noodzakelijke investeringen te doen.

Ondanks de kabinetsambitie die we steunen, constateren we dat in de praktijk, in de bedrijven, in de industriële ecosystemen, grote zorgen leven over stabiliteit, voorspelbaarheid, financiering en governance. Daarmee komt Nederlands industriebeleid niet dichterbij, maar lijkt het verder weg dan ooit.

VNO-NCW en MKB-Nederland pleiten voor de volgende aanpak:

  1. Weg met de verstikkende deken over ondernemend Nederland – oplossen wat investeringen en groei belemmert
  2. Actief versterken wat Nederland nodig heeft
  3. Maak Europees industriebeleid het hart van de Nederlandse aanpak
  4. Bouw een begrijpelijke publiek-private governance voor industrie- en innovatie
  5. Zonder funding geen industriebeleid
  6. Zet in op de mkb-maakindustrie

 

  1. Weg met de verstikkende deken over ondernemend Nederland – oplossen wat investeringen en groei belemmert

Industrie- en innovatiebeleid begint bij een eenvoudig uitgangspunt: bedrijven kunnen alleen investeren wanneer de basis op orde is. Op dit moment stapelen belemmeringen zich echter op. Een bedrijf heeft weinig aan een innovatieregeling wanneer het geen aansluiting op het elektriciteitsnet krijgt. Een investeringsfonds helpt onvoldoende wanneer een vergunning jarenlang op zich laat wachten. En een strategie voor nieuwe technologie heeft weinig betekenis wanneer de fiscale randvoorwaarden onder druk staan of opschalingsfinanciering ontbreekt.

Daarom moet Nederland met prioriteit werken aan:

  • voldoende en betaalbare energie en het oplossen van netcongestie (met aandacht o.a. voor de rol van technologie en innovatie);
  • stikstofruimte, aanzienlijk snellere vergunningverlening en regelgeving die toepassing van emissie reducerende innovaties mogelijk maakt;
  • voldoende technisch en internationaal talent (uitvoeren Talentstrategie);
  • onderhoud aan en investeringen in fysieke en digitale infrastructuur die groei mogelijk maakt;
  • fiscale stabiliteit en voorspelbaarheid;
  • toegang tot kapitaal voor investeringen en opschaling;
  • vermindering van onnodige regeldruk en schrappen van alle nationale koppen
  • Rechtszekerheid: de Tweede Kamer spreekt op hetzelfde moment als over het rapport Wennink over de inroepbevoegdheid, een nieuw generiek mededingingsinstrument met ruime discretionaire bevoegdheid voor de toezichthouder. Het ontbreken van duidelijke en vooraf kenbare criteria staat op gespannen voet met de rechtszekerheid die bedrijven en financiers nodig hebben om te investeren, te innoveren en op te schalen.

Een sterk verdienvermogen vraagt om een klimaat waarin ondernemerschap, investeren en innoveren worden gewaardeerd en gestimuleerd. Bedrijven creëren banen, investeren in innovatie, dragen bij aan maatschappelijke oplossingen, betalen belastingen en dragen de kennis en productiekracht waarop onze samenleving mede rust.

Kritiek op bedrijven moet kunnen, maar het stilletjes ingeslopen structureel wantrouwen richting bedrijven smoort investeringsbereidheid. 

  1. Actief versterken wat Nederland nodig heeft

Alleen belemmeringen wegnemen is niet genoeg. De internationale concurrentie om technologie, productiecapaciteit, talent en kapitaal is daarvoor te groot geworden.

Nederland moet daarom veel bewuster bepalen welke economische ecosystemen, technologieën en (circulaire) waardeketens we hier willen behouden, ontwikkelen en opschalen. Dat betekent gericht investeren in strategische technologie, innovatie, productiviteit en sterke clusters en sectoren.

De door het kabinet gekozen strategische markten bieden daarvoor een goede basis, maar zijn te beperkt. Naast Digitale diensten en AI, Semicon, Defensiegerelateerde toepassingen, Machinebouw (o.a. medtech en agritech), Biotechnologie en Innovatieve Chemie3, verdienen óók de sectoren Water & Maritiem en Agrofood een expliciete plek: sectoren waarin Nederland internationaal beeldbepalend is, met sterke kennisposities, innovatieve bedrijven groot exportpotentieel en strategische belangen.

Daarnaast moet industrie- en innovatiebeleid niet alleen naar nieuwe technologie kijken, maar nadrukkelijk ook naar toepassing en opschaling door de brede mkb-toeleverketen.

  1. Maak Europees industriebeleid het hart van de Nederlandse aanpak

In een wereld van geopolitieke spanningen en mondiale concurrentie is de Europese schaal de minimale schaal waarop Nederland succesvol en concurrerend kan zijn. Europa kan daarom geen aanvulling op het Nederlandse industriebeleid zijn; Europees industriebeleid moet het hart vormen van de Nederlandse aanpak. Dat betekent dat Nederland actief mede richting geeft aan de Europese industrieagenda en voldoende financiële en organisatorische slagkracht organiseert om op niveau deel te nemen aan IPCEI’s en andere strategische Europese industrieprogramma’s. Nationaal beleid moet vanaf het begin worden ontworpen vanuit deze Europese schaal.

Met de voorbereiding van nieuwe IPCEIs, de nieuwe Chips Act, het volgende Europese Programma voor R&D en de uitwerking van het European Competitiveness Fund (ECF) is het van groot belang dat Nederlandse prioriteiten hierop aansluiten. Innovatieprogramma’s en investeringsinstrumenten moeten zó worden ingericht dat zij Europese deelname versterken, cofinanciering mogelijk maken en opschaling richting de Europese markt ondersteunen. VNO-NCW en MKB-Nederland vragen u daarom:

  • Het kabinet te vragen een strategie te ontwikkelen die stevige deelname van Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen aan Europese industrie- en innovatieprogramma’s mogelijk maakt
  • In de onderhandelingen voor het Meerjarig Financieel Kader voor de EU in te zetten op een verdubbeling van het huidige budget voor het Europese R&D programma Horizon Europe (naar 200 miljard) mét een stevig aandeel PPS-onderzoek én een link naar industriële opschaling in het ECF.

 

  1. Bouw een begrijpelijke publiek-private governance voor industrie en innovatie

Met het verdwijnen van het Topsectorenbeleid is ook een herkenbare structuur voor publiek-private samenwerking grotendeels verdwenen. Daarvoor is geen duidelijk nieuw model in de plaats gekomen. Inmiddels ontstaat een landschap van onder andere de Ministeriële Taskforce, de Productiviteitsraad, de Nationale Investeringsinstelling, het NADI, Departementale Themateams (onder het Missiegedreven Innovatiebeleid), Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s), de Semicon Board, het Sectorbestuur Chemie en Materialen, Biotech Board, DefBoard, bestaande uitvoeringsorganisaties, departementen en regionale organisaties. De afzonderlijke onderdelen kunnen waardevol zijn maar het geheel is dat nog niet.

Voor bedrijven (en ook kennisinstellingen) moet begrijpelijk zijn:

  • waar de nationale economische en industriële prioriteiten worden bepaald; Wennink stelt bijvoorbeeld een publiek-private Nationaal investeringsberaad voor.
  • wie eindverantwoordelijk is voor de uitvoering;
  • waar sectorale agenda’s worden ontwikkeld;
  • hoe bedrijfsleven en kennisinstellingen daarbij betrokken zijn;
  • hoe regionale en nationale agenda’s op elkaar aansluiten;
  • hoe Europese programma’s daarin worden geïntegreerd;
  • en, cruciaal, hoe prioriteiten uiteindelijk worden vertaald naar financiering.

We moeten daarbij leren van wat werkte in het Topsectorenbeleid. Sterke ecosystemen worden niet vanuit één departement gebouwd. Overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen moeten gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen voor een langjarige agenda én die voorzien van adequate financiering. De precieze institutionele vorm is minder belangrijk dan het resultaat: één herkenbare economische koers, heldere verantwoordelijkheden, publiek-private betrokkenheid en voldoende doorzettingsmacht om departementale grenzen te doorbreken.

Een andere belangrijke les: de noodzaak van een ordentelijk proces voor financiering. Als Nederland miljarden wil mobiliseren voor strategische investeringen, moet ook helder zijn hoe projecten en programma’s worden geselecteerd en gefinancierd. Daarvoor is een transparant en voorspelbaar proces nodig: duidelijke criteria, een herkenbare regeling of programmatische route, onafhankelijke beoordeling waar nodig en transparantie over prioritering en besluitvorming. De ervaring met onder meer Topsectoren en het Nationaal Groeifonds leert dat een ordentelijk proces niet alleen nodig is voor rechtmatigheid, maar ook voor kwaliteit en maatschappelijk en politiek draagvlak. Bedrijven moeten weten wanneer voorstellen kunnen worden ingediend, waaraan deze worden getoetst en binnen welke termijn besluitvorming plaatsvindt.

  1. Zonder funding geen industrie- en innovatiebeleid

Ambitie zonder financiering is geen industriebeleid. Juist hier gaapt een serieus gat. Nederland spreekt grote ambities uit over sleuteltechnologie, economische veiligheid, strategische autonomie, strategische markten en innovatie, maar budget voor industrie- en innovatiebeleid ontbreekt. Daarom maken VNO-NCW en MKB- Nederland zich grote zorgen dat “interventies” die de overheid wil plegen op het terrein van industriebeleid alléén betrekking mogen hebben op zaken die geen geld kosten. Deze geluiden, bereiken ons inmiddels met grote regelmaat. Een dergelijke aanpak herbergt het risico dat veel energie op losse, op zichzelf misschien terechte, interventies wordt gezet, terwijl het grotere plaatje uit zicht raakt.

Bedrijven die strategische investeringen overwegen, kijken niet alleen naar Nederland. Zij vergelijken vestigingsplaatsen, subsidies, fiscale voorwaarden, energieprijzen, snelheid van vergunningverlening en beschikbare infrastructuur internationaal. Wanneer andere landen hun ambities wél financieel ondersteunen, verliest Nederland investeringen. Daarom moeten grootschalige innovatieprogramma’s en IPCEI’s veel nadrukkelijker onderdeel worden van het Nederlandse instrumentarium. Important Projects of Common European Interest maken het mogelijk om op Europese schaal strategische waardeketens en technologieën te ontwikkelen en publieke en private investeringen te mobiliseren.

Nederland kan het zich niet permitteren ambitieuze Europese programma’s mede vorm te geven, maar vervolgens onvoldoende middelen beschikbaar te hebben om Nederlandse bedrijven daadwerkelijk te laten deelnemen.

Benut ook de kracht van de overheid als inkoper om te bezien hoe hiermee innovatie en de Nederlandse industrie kan worden verstrekt.

Financiering moet vanaf het begin onderdeel zijn van industriebeleid, niet de sluitpost nadat plannen zijn ontwikkeld.

  1. Zet in op de mkb-maakindustrie

Een succesvolle industrie- en innovatieagenda kan niet uitsluitend bestaan uit grote technologiebedrijven, sleuteltechnologieën en start- en scale-ups. Achter internationaal toonaangevende ondernemingen bevindt zich een omvangrijk netwerk van gespecialiseerde mkb-bedrijven van machinebouwers, metaalbedrijven, kunststofverwerkers, recyclingbedrijven, onderhoudsbedrijven, elektronica- en installatiebedrijven, engineeringbedrijven, gespecialiseerde producenten en digitale diensten. Daar zit een groot deel van het Nederlandse vakmanschap, productievermogen en praktische innovatiekracht.

Deze bedrijven zijn bovendien onmisbaar om innovaties op te schalen en nieuwe technologie breed toe te passen, en dragen daarmee bij aan sterke en weerbare waardeketens, economische veiligheid en het verdienvermogen in de regio.

Een industrie- en innovatieagenda moet ook investeren in de toeleverketens. Daarom moet bij alle strategische domeinen expliciet worden gekeken naar de positie van het industriële mkb in de waardeketen. Niet alleen: welke nieuwe technologie willen we ontwikkelen? Maar ook: welke Nederlandse bedrijven kunnen deze technologie produceren, toepassen, onderhouden en opschalen?

Dat vraagt onder meer aandacht voor technologie-adoptie en digitalisering bij bestaande mkb-bedrijven, toegang tot financiering, deelname van mkb aan innovatieprogramma’s en publiek-private projecten, scholing en technisch talent en aansluiting van regionale industriële clusters op de nationale agenda

VNO-NCW en MKB-Nederland vragen u het kabinet aan te sporen samen met het georganiseerd bedrijfsleven een agenda te ontwikkelen voor het versterken van de positie van het industriële mkb en daarin o.a. nadrukkelijk in te gaan op het belang van deze bedrijvigheid en op de toepassing van AI, digitalisering en robotisering in deze mkb-bedrijven.

Tot slot: geef Nederland weer economisch richting

Het rapport-Wennink biedt Nederland een kans om het industriebeleid (en het verdienvermogen) opnieuw op orde te brengen.

Dat vereist drie dingen tegelijkertijd.

  1. We moeten wegnemen wat bedrijven belemmert: netcongestie, vergunningen, stikstofproblematiek, tekortschietende infrastructuur, gebrek aan talent, fiscale instabiliteit en onnodige regeldruk.
  2. We moeten versterken wat Nederland nodig heeft: innovatie, sleuteltechnologieën, arbeidsproductiviteit, sterke industriële ecosystemen, de brede mkb-maakindustrie en voldoende publiek en privaat investeringsvermogen.
  3. En bovenal moeten we weer een stuur organiseren: een begrijpelijke, stabiele en publiek-private governance waarin duidelijk is wie richting geeft, wie beslist, wie uitvoert en hoe ambities worden gefinancierd (incl voldoende financiering).

Het grootste risico is niet dat Nederland de verkeerde industriepolitiek kiest. Het grootste risico is dat we blijven praten over strategische autonomie, innovatie en verdienvermogen, terwijl investeringen elders landen en de industriële basis langzaam verder verzwakt. Niets doen heeft een prijs.

Nederland heeft alles in huis om een sterke, innovatieve en concurrerende economie te blijven. Maar dan moeten we nu wel kiezen, investeren en organiseren.

 

 

 

1 Strategisch handelen. Beleid voor een geopolitieke economie | WRR

2 Netherlands – IMD competitiveness ranking

3 Deze zes markten vallen binnen de vier bredere domeinen uit het coalitieakkoord/Wennink: Digitalisering & AI, Veiligheid & weerbaarheid, Energie- & klimaattechnologie en Life sciences & biotechnologie.

 

 

industrieinnovatie

2026-08-27 Position Paper Rapport Wennink_DEF_PDF