17 JUN, 2026 • Column
Niet alles wat goed klinkt, hoort in de wet
In Den Haag klinkt regelmatig de roep om goede principes wettelijk vast te leggen. Zo werd tijdens een commissiedebat in april de wens uitgesproken om een belangrijk uitgangspunt uit de Corporate Governance Code in de wet op te nemen: bestuurders moeten zich richten op de continuïteit van hun onderneming en op duurzame waardecreatie voor de lange termijn. Een sympathiek idee. Maar juist daarom is enige terughoudendheid geboden.
Want wie kan er tegen continuïteit of langetermijndenken zijn? Vrijwel niemand. Sterker nog, de hoogste rechter heeft al jaren geleden bevestigd dat bestuurders zich moeten richten op het belang van de vennootschap en het bestendige succes van de onderneming. In gewone taal: bestuurders moeten verder kijken dan de winst van morgen en oog hebben voor de toekomst van het bedrijf.
Toch betekent dat niet automatisch dat deze formulering ook een plek in het Burgerlijk Wetboek moet krijgen. Het Nederlandse ondernemingsrecht ontleent veel van zijn kracht aan flexibiliteit. Ondernemingen verschillen immers enorm van elkaar. Een beursgenoteerde multinational is iets heel anders dan een familiebedrijf, een gezamenlijke onderneming van twee partners of een kleine BV met één aandeelhouder. Wat in het ene geval verstandig is, hoeft dat in het andere niet te zijn.
Juist daarom kiest de rechtspraak ervoor om het belang van de vennootschap steeds te beoordelen in het licht van de concrete omstandigheden. De Hoge Raad heeft benadrukt dat de aard van de onderneming en de afspraken tussen betrokken partijen daarbij een belangrijke rol spelen. Dat biedt ruimte voor maatwerk en voorkomt dat één algemene norm op alle situaties wordt geplakt.
De Corporate Governance Code vervult daarbij een nuttige functie. Zij biedt richting aan beursvennootschappen, zonder dat dezelfde regels automatisch voor iedere onderneming gelden. Dat onderscheid is verstandig.
Wetgeving moet problemen oplossen, niet nieuwe creëren. Door een norm die is ontworpen voor beursvennootschappen algemeen te codificeren, ontstaat het risico op nieuwe discussies, nieuwe procedures en nieuwe onzekerheid over de betekenis ervan. Soms is het beter om een goed werkend systeem niet te repareren. Niet alles wat goed klinkt, hoeft immers in de wet terecht te komen.