9 OKT, 2026 • Europees nieuws

Conditionaliteit in het ETS werkt de industrialisatie van Europa in de hand

Het Emission Trading System, of het ETS, is het kloppende hart van het Europese klimaatbeleid. Bedrijven die onder het ETS vallen moeten rechten kopen voor elke ton CO2 die ze uitstoten. Hierdoor hebben bedrijven een prijsprikkel om hun uitstoot te verminderen. De ‘Cap’ is de totale hoeveelheid ETS-rechten of de totale CO₂-uitstoot van ETS-bedrijven in dat jaar. Deze bouwt elk jaar langzaam af richting 2050 totdat we CO2-neutraal zijn. Hierdoor zijn er steeds minder rechten, en als de ETS-bedrijven hun CO2-uitstoot niet snel genoeg verminderen, moeten ze dus steeds meer ETS betalen. Het probleem is dat het ETS slechts geldt voor Europese sectoren en de EU is geen eiland. Dit betekent dat ETS-sectoren moeten concurreren met bedrijven van buiten de EU die minder of in veel gevallen niet betalen voor hun CO2-uitstoot. Een gedeeltelijke oplossing is CBAM. Hierbij worden bepaalde productcategorieën van buiten de EU belast om een gelijk speelveld te creëren met ETS-gerechtigde producten binnen de EU. Dit dekt echter nog maar een beperkt aantal productgroepen en is nog te makkelijk te omzeilen. Daarom bestaan er ook vrije rechten.

Producenten binnen de EU krijgen een aantal rechten kosteloos gebaseerd op een specifieke benchmark voor hun productiemethode. Hiermee worden ze beschermd tegen oneerlijke concurrentie van buiten de EU totdat er voldoende andere beschermende maatregelen in werking zijn. Als bedrijven sneller verduurzamen, dan kunnen ze de rechten die ze over hebben weer doorverkopen.In de afgelopen jaren zijn er echter enkele bedrijven geweest die hun productie hebben verplaatst naar buiten de EU. Hierdoor stoot je niets meer uit in de EU en kan dit bedrijf vervolgens al deze vrije rechten verkopen om de verhuizing te bekostigen. De Europese Commissie heeft dit willen tegengaan in de herziening van het ETS door een conditionaliteitsmechanisme te introduceren. Kort gezegd zijn bedrijven die vrije rechten ontvangen verplicht om een verduurzamingsplan te publiceren waarin ze uiteenzetten hoe ze in de EU gaan verduurzamen en 100% van de waarde van de vrije rechten hierin gaan investeren. Over een periode van 5 jaar krijgt het bedrijf slechts 80% van de vrije rechten en na 5 jaar krijgt het bedrijf de overige 20% als deze plannen verwezenlijkt zijn.

De-industrialisatie van Europa is een groot probleem voor onze economische en strategische autonomie, en zeker als dit met ETS-gelden gebeurt, gaat dit ten koste van de bedrijven die wel de noodzakelijke investeringen maken. De voorgestelde conditionaliteit raakt echter ook de bedrijven die wel investeren in Europa en lopen daarmee het risico de de-industrialisatie alleen maar te versnellen.Ten eerste zijn de benchmarks waarop de vrije rechten gebaseerd zijn gebaseerd op de 10% meest CO2-efficiënte installaties binnen die benchmark. Hierbij wordt geen rekening gehouden met productievolume. Hierdoor bestaat de top veelal uit installaties waarvan de unieke omstandigheden niet gerepliceerd of opgeschaald worden; denk bijvoorbeeld aan een installatie direct naast een waterkrachtcentrale. Bovendien zijn de benchmarks vrij breed, waardoor installaties die de pech hebben om een benchmark te delen met andere minder vervuilende productieprocessen nooit in de top 10% kunnen komen. De vrije rechten zullen voor veel bedrijven al niet dekkend zijn voor hun concurrentienadeel. Met wat verbeeldingskracht kunnen we dit echter nog zien als een streefdoel of prestatieprikkel.

Daar komt bovenop dat bedrijven 100% van de waarde van de vrije rechten moeten investeren in verduurzaming. Wat verduurzaming betekent staat nog niet gedefinieerd en zal op een later moment door de Commissie worden ingevuld. De investering die een bedrijf zou moeten doen om te vergroenen wordt dus om onverklaarbare redenen gekoppeld aan de hoeveelheid CO2-rechten die de 10% meest efficiënte bedrijven in die benchmark elk jaar moeten kopen. Daarnaast zit hier geen toets op haalbaarheid in, met als risico dat het oneconomische investeringsbeslissingen afdwingt en geen rekening houdt met industriële investeringscycli, kosten en verschillen tussen sectoren. Bovendien is het niet 100% zeker dat de gedane investeringen goed worden gekeurd door de Commissie. Als bedrijven de investeringen extern financieren, brengt onzekerheid dus ook hoge rente en daarmee extra kosten mee. Het investeringsplan wordt ook nog eens openbaar gemaakt, dus we kijken graag uit naar de uitwerking van de Commissie over hoe bedrijfsgeheimen hierin beschermd kunnen worden.

Bedrijven die van buiten de EU concurreren, staat het volledig vrij om enkel te investeren in efficiëntie of opschaling van de productie of zelfs geen geld opzij te zetten voor investeringen en extra winstmarge te halen. Daar staan volgens het huidige voorstel Europese bedrijven die een betrekkelijk arbitraire investering in verduurzaming moeten doen die, als deze eventueel goedgekeurd wordt, in veel gevallen niet dekkende prijsbescherming oplevert. Op deze manier maken we de keuze voor investeerders wel heel makkelijk.

 

co2-uitstootemissiehandelssysteem (ets)energie en klimaat