Conjunctuurinformatie: Consumentenprijzen stegen in maart

08-04-2019

Consumentengoederen en -diensten waren in maart 2,8 procent duurder dan een jaar eerder, meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Dat is de hoogste stijging na augustus 2013. In februari betaalden consumenten 2,6 procent meer dan vorig jaar.

 

Voor voedingsmiddelen betaalde de consument in maart 3,8 procent meer dan een jaar eerder; tegen 3,2 procent in februari. Fruit, vlees en aardappelen dragen hier het meeste aan bij, aldus het statistiekbureau. De afgelopen tien jaar is het maar twee keer eerder voorgekomen dat de prijsstijging van voeding zo hoog uitkwam. Ook benzine had een verhogend effect op de stijging van de consumentenprijzen.

 

De consumentenprijsindex is een belangrijke indicator voor het verschijnsel inflatie, maar is niet hetzelfde. De index geeft het prijsverloop weer van een pakket goederen en diensten zoals dagelijkse boodschappen, kleding, benzine, huur en verzekeringspremies. Inflatie is breder dan de prijsontwikkeling van consumentengoederen en -diensten, want omvat ook de prijsverandering van bijvoorbeeld koopwoningen, industriële producten, aandelen en goud.

 

Naast de consumentenprijsindex berekende het CBS ook de Europees geharmoniseerde consumentenprijsindex. Volgens deze methode stegen de prijzen in Nederland 2,9 procent, tegen 2,6 procent in februari. In de eurozone nam de prijsstijging af van 1,5 naar 1,4 procent.

 

Cao-lonen stijgen minder hard dan inflatie

In het eerste kwartaal van het jaar zijn de cao-lonen met 2,2 procent gestegen. Dat is gelijk aan de loonontwikkeling over het laatste halfjaar van 2018. Anders dan toen is de stijging nu lager dan die van de consumentenprijzen. Deze bedroeg in het eerste kwartaal 2,5 procent.

 

Sinds 2014, het dieptepunt van de economische recessie, is het een keer eerder voorgekomen dat de consumentenprijzen harder stegen dan de cao-lonen. Dat was in het eerste kwartaal van 2017. In 2015 en 2016 lag de cao-loonstijging nog ver boven de stijging van de consumentenprijzen. Destijds kwam de stijging van de consumentenprijzen niet boven de 1 procent uit.

 

Het CBS merkt wel op dat een minder harde stijging van de cao-lonen dan de consumentenprijzen niet automatisch wil zeggen dat werknemers er reëel in koopkracht op achteruitgaan. Dat komt doordat het nettoloon ook afhankelijk is van premies die worden betaald voor bijvoorbeeld pensioen en sociale verzekeringen en de loonheffing.

 

Het afgelopen kwartaal stegen de lonen het meest in de gesubsidieerde sector, namelijk met 2,3 procent. In de sector particuliere bedrijven en bij de sector overheid namen de lonen toe met respectievelijk 2,2 procent en 1,8 procent. Vorig jaar stegen de lonen bij de sector overheid nog het meest en namen de lonen het minst toe in de gesubsidieerde sector. Op het niveau van de bedrijfstakken namen de lonen het meeste toe in de overige dienstverlening, met bijvoorbeeld kappers en de uitvaartzorg. In het onderwijs stegen de lonen het minst. Dit was vorig jaar de bedrijfstak met de grootste loonstijging, aldus het CBS.

 

Bouwsector groter dan ooit

Op 1 januari 2019 waren er bijna 182.000 bouwbedrijven in Nederland. Dat is bijna 8 procent meer dan in 2018 en het hoogste aantal ooit gemeten. In Den Haag is de toename het grootst. Dat meldt het CBS op basis van de nieuwste regionale cijfers over bedrijfsvestigingen.

 

De gespecialiseerde bouw met bijvoorbeeld installatiebedrijven, timmerbedrijven, loodgieters, stukadoors en schilders, kent de meeste bedrijfsvestigingen (ruim 97.000). Daarnaast waren er op 1 januari 2019 bijna 76.000 vestigingen in de algemene bouw en projectontwikkeling, zoals de bouw en verbouw van huizen, kantoren en winkels. Een veel kleiner aantal vestigingen (bijna 9.000) betreft de grond-, water- en wegenbouw.

 

Ten opzichte van begin 2018 waren er 8 procent meer bedrijven. Vrijwel alle nieuwe bedrijven waren eenpersoonsondernemingen. Van alle bouwbedrijven zijn de meeste actief in de gespecialiseerde bouw. Dat zijn onder meer installateurs, timmermannen, loodgieters, stukadoors en schilders. In totaal gaat het in die categorie om ruim 97.000 bedrijven.

De bouwsector zit al langer in de lift. In februari berichtte het CBS dat de omzet in de bouw in 2018 met ruim 10 procent was gestegen: het grootste groeipercentage in meer dan tien jaar tijd. Ook was er sprake van 5 procent minder faillissementen dan in 2017.

 

Bijna 180.000 banen vervuld door Polen

De meeste buitenlandse werknemers in Nederland komen uit Polen, meldt het CBS op basis van gegevens over 2017. Poolse werknemers behoren samen met Roemenen, Bulgaren en Hongaren tevens tot de groep minst betaalde krachten.

 

In 2017 werden 838.000 banen vervuld door buitenlandse werknemers. Poolse werknemers bezetten bijna 180.000 van die werkplekken. Duitse en Belgische arbeidskrachten waren goed voor respectievelijk 46.000 en 28.000 banen. Daarmee zijn die landen de nummers twee en drie op de lijst.

 

Het uurloon van de meeste arbeidskrachten uit Midden- en Oost-Europa is minder dan 15 euro. Volgens het CBS krijgt 70 tot 80 procent van die groep een dergelijk salaris. Zij werken voornamelijk in de land- en tuinbouw. Uitzendbureaus herbergen de meeste van de buitenlandse arbeidskrachten. Werknemers afkomstig van landen die al langer deel uitmaken van de EU, zoals Griekenland, Spanje, Italië en Portugal, verdienen doorgaans meer dan 15 euro per uur. Vaak zijn deze mensen werkzaam in de niet-commerciële dienstverlening, zoals bij overheden en in het onderwijs of de zorg. De bestbetaalde werknemers komen uit directe buurlanden.