Cassatiegronden Urgenda

04-02-2019

Minister Wiebes van Economische Zaken heeft de cassatiegronden voor Stichting Urgenda aan de Tweede Kamer gezonden. Urgenda vordert in deze procedure dat de Staat wordt bevolen om de emissie van broeikasgassen in Nederland per eind 2020 met 25 procent te reduceren. Het cassatieberoep van de Staat bestrijdt de belangrijkste oordelen van het gerechtshof.

 

Ander pad

De cassatieklachten stellen onder andere aan de orde dat het hof is uitgegaan van een onjuist of onbegrijpelijk uitgangspunt door te oordelen dat een emissiereductie in Nederland van minimaal 25 procent in 2020 noodzakelijk is om de tweegradendoelstelling binnen bereik te houden (en een gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen). De Staat heeft aangevoerd dat de tweegradendoelstelling ook met een ander reductiepad kan worden bereikt. Volgens de Staat heeft het hof onvoldoende de beleids- of beoordelingsruimte gerespecteerd die haar toekomt om op grond van beleidsmatige of politieke afwegingen te kiezen voor een ander reductiepad dan Urgenda voorstaat.

 

Niet verplicht

Ook heeft het hof volgens Wiebes een onjuiste of onbegrijpelijke invulling gegeven aan art. 2 en art. 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens door te oordelen dat de Staat op grond van deze bepalingen verplicht zou zijn om voor deze emissiereductie te zorgen. Tot slot heeft het hof volgens Wiebes miskend dat het door Urgenda gevorderde reductiebevel alleen kan worden uitgevoerd door (ook) wetgeving tot stand te brengen, waarmee dit bevel neerkomt op een niet toelaatbaar bevel tot wetgeving.

 

Tijdpad

De Staat heeft er groot belang bij dat de cassatieprocedure met voortvarendheid wordt afgewikkeld. Zodra Urgenda in cassatie is verschenen zal zij in afstemming met de cassatieadvocaten van Urgenda verzoeken om een tijdpad voor de behandeling vast te stellen, opdat op het cassatieberoep uiterlijk eind 2019 is beslist.

 

Lees hier de brief.