Reactie Hans de Boer op NRC-artikel

27-02-2016

Hans de Boer: 'In aanvulling op de reactie op het NRC-artikel en met de instemming van de medeoprichters hecht ik er aan ook de laatste opgeworpen punten van een reactie te voorzien, vooral het punt of er voldoende transparantie is betracht rond het karakter van de Vakcollege Groep en de aandelentransactie. Het is verheugend dat de kwaliteit van de innovatie van de vakcolleges in het artikel niet ter discussie stond en de waarde voor het beroepsonderwijs is onlangs door de minister van OCW in de Tweede Kamer bevestigd. Nederland heeft op dit moment rond de 100 vakcolleges met ongeveer 20.000 leerlingen.

De oprichters hebben in de periode 2006/2007 een BV opgericht om de vakcolleges tot stand te brengen. Deze BV leverde via een franchisecontract diensten aan bestaande VMBO-scholen. Die diensten bestaan uit een nieuwe lesmethode, nieuw lesmateriaal, begeleiding van de scholen en de leerkrachten, modellen om het regionale bedrijfsleven erbij te betrekken en marketing om meer jongeren naar het technische beroepsonderwijs te trekken. Vanaf het begin is uitgelegd aan betrokkenen dat we ondernemingsgewijs te werk gingen, op het briefpapier stond dat we een BV zijn, franchisecontracten werden ondertekend etc. Het bedrijfsmatige karakter van de aanpak werd destijds verwelkomd door de scholen. Zij gaven aan dat dit gunstig afstak tegen de gebruikelijke aanpak. Het was mede een van de redenen waarom het aantal scholen zo groeide. Het vakcollege-concept is privaat ontwikkeld met private investeringen en in publiek-private samenwerking opgericht. Ook in de externe berichtgeving werd dit helder uitgedragen. We maakten een strikte scheiding tussen publiek en privaat geld, doordat het overheidsgeld rechtstreeks naar de scholen ging.

De Vakcollege Groep moest zich zelf waarmaken door de kwaliteit van de formule en geleverde diensten. De scholen besloten in vrijwilligheid of ze zich zouden aansluiten bij de formule. De overheid was niet bereid om publiek geld naar de private Vakcollege Groep te leiden, zodat alle kosten die daar werden gemaakt voor rekening kwamen van een aantal private sponsoren, waarvan USG de grootste was. Dit is steeds kenbaar gemaakt evenals in de externe communicatie, getuige artikelen vanaf 2008 in het FD. De boodschap is steeds helder gecommuniceerd dat er jarenlang geïnvesteerd moest worden om scholen van de grond te krijgen en leerlingen zo ver te krijgen dat ze naar de arbeidsmarkt konden worden geleid met hun nieuwe, hoogwaardige diploma. Duidelijk werd ook gemaakt dat in de toekomst door een goede bemiddeling van leerlingen naar een arbeidsplek geld moest worden gegenereerd voor de continuïteit van de operatie. Dat is nooit verhuld.

Toen het initiatief groter werd, meer investeringen vereiste, schaalvergroting en professionalisering, hebben de oprichters in 2010/2011 het merendeel van hun aandelen verkocht aan USG People, een beursgenoteerde onderneming. USG verklaarde zich ook borg voor de financiële continuïteit van de Vakcollege Groep. Dat was zeer welkom, want iedereen was blij met de vakcolleges maar royale financiële ondersteuning kwam er niet. De eigenaren ontvingen voor hun aandelen ieder 1 miljoen euro. Dit betreft een normale privaatrechtelijke transactie die op normale wijze is verantwoord in het jaarverslag over 2011 van USG People. Over het verwerven van de meerderheid van de aandelen door USG People kan geen misverstand zijn ontstaan. Naast de verantwoording conform wetgeving, is onder andere overgegaan naar de USG-huisstijl en werd het directievoorzitterschap door USG ingevuld. Ook hier is alles dus kenbaar gemaakt. Dat laat onverlet dat niet alle scholen ingenomen waren met het meerderheidsbelang van USG, wat besproken en toegelicht is in de Scholenraad. Het aantal scholen dat zich - uiteraard vrijwillig - aansloot bij de formule is niettemin blijven groeien.

Het probleem werd het plan om de scholen uit te breiden met het zogenaamde Vakgilde, een Facebookachtige constructie waarop de leerlingen hun vorderingen en interesses konden laten zien aan de regionale bedrijven en omgekeerd. In het Vakgilde zat ook een geautomatiseerde module voor arbeidsmarktbemiddeling. De bedoeling daarvan was de leerlingen van de vakcolleges als stagiaires te detacheren bij ondernemingen zodat zij snel een baan zouden hebben. Voor het Vakgilde bleek in de praktijk niet genoeg draagvlak. Het plan was revolutionair, een moderne en efficiënte koppeling tussen de scholen en de arbeidsmarkt, maar scholen vonden het te commercieel. Dat bleef zo, zelfs toen in 2013 werd aangeboden dat de scholen dan zelf aandeelhouder zouden worden van het Vakgilde en de opbrengsten van bemiddeling zelf zouden kunnen aanwenden voor verbetering van het onderwijs. Daarmee verviel voor USG People het continuïteitsmotief voor de Vakcolleges. Het concept zou zonder het Vakgilde afhankelijk blijven van subsidies en dat was niet de bedoeling. Toen werd de weg ingeslagen om dan in elk geval de vakcolleges te behouden, maar binnen de publieke setting.

Begin 2014 hebben de oorspronkelijke oprichters het restant van hun aandelen om-niet overgedragen aan USG, omdat ik als toekomstig VNO-NCW-voorzitter niet geacht werd om actief te zijn als ondernemer. Daarbij is wel de afspraak gemaakt dat mocht zich de situatie voordoen dat de BV in de toekomst zeer winstgevend zou draaien, dat dan de oprichters met ridderlijkheid behandeld zouden worden. Maanden voordat het voorzitterschap van VNO-NCW aanving, zijn mijn contacten met het ministerie overgedragen aan USG People. Het ministerie heeft direct duidelijk gemaakt dat ze wel de 100 Vakcolleges wilde overnemen, maar er geen publiek geld voor wilde betalen aan een particuliere partij. Daarmee was de voorgenoemde uitkering irrelevant geworden en is verder ook niet meer ter sprake gekomen.'