Nieuw sociaal beleid, inleiding Hans de Boer voor het AWVN-congres

13-10-2014


1. Intro

  • Graag begin ik met een welgemeende felicitatie aan de AWVN voor het organiseren van dit congres. Het is goed om stil te staan bij de ontwikkelingen van de arbeidsverhoudingen, sociale zekerheid en de markten van werken en ondernemen. Dat doe ik vanuit de visie van VNO-NCW op de concurrentiekracht van Nederland en de noodzaak om de economische groei in ons land weer naar een robuust niveau terug te brengen. Nederland is nog altijd een sterke economie maar heeft de afgelopen jaren verdienvermogen verloren. De verwachting dat pas in 2019 het inkomen per Nederlander weer het niveau haalt van 2008, is niet het perspectief waar ik warm van word. Nederland kan zoveel beter: van plaats 8 op de internationale ranglijsten naar nummer 1. Dat moet de ambitie zijn. Daarvoor is nodig gretig ondernemerschap, meer internationaal gaan verdienen, de schouders er onder met groeiprojecten en versterking van het verdienvermogen, onder meer door collectieve lasten stevig te verlagen en door meer eigen verantwoordelijkheid bij burgers te leggen in plaats van ze onder te brengen in collectieve structuren.
     
  • We moeten het potentieel van dit land beter gaan benutten. Met vele ondernemingen en vooral jonge mensen die hun toekomst zeker willen stellen. Zij vragen ons daarvoor de mogelijkheden te bieden, onze regelingen en instituties aan te passen. Dat moeten we doen, maar denk niet dat men er op wacht. Wanneer te lang het verleden de maatstaf voor de toekomst is, gaat men om de ordening van het verleden heen of zoekt men plekken in de wereld waar het talent wel kan gedijen.
     
  • De vraag van vandaag is hoe onze arbeidsmarktinstituties er voor staan. Kunnen we daarmee de toekomst aan?
     
  • Wat zie ik op de arbeidsmarkt? Allereerst een cao die 100 jaar bestaat en zijn meerwaarde meer dan heeft bewezen. Ongetwijfeld zal de cao nog genoeg verandering ondergaan, maar de verworven plek is er. Die verdwijnt echt niet. Het is een instrument dat transactiekosten bespaart en dat voordeel is er ook na 100 jaar nog volop. Tegelijkertijd zien we een grote diversiteit aan contractrelaties, contracten voor onbepaalde tijd, maar ook tijdelijke contracten, deeltijdarbeid, uitzendarbeid – een Nederlandse innovatie – en contracten waarbij ondernemen en werkgeven gescheiden zijn, de zgn. driehoeksrelaties. En, last but not least, is de samenleving ondernemender geworden. In de bijna 18 jaar sinds de wetgeving over Flexibiliteit en Zekerheid (1996) is de zelfstandig professional in opkomst. Nog 400.000 in 1996 (6,5% van de beroepsbevolking), 680.000 in 2008 en vorig jaar bijna 800.000 (ruim 10 %). Een gestage jaarlijkse toename van zo’n 20 tot 25 duizend mensen die voor zelfstandig werken en ondernemen kiezen.
     
  • De vraag is hoe waarderen we dit meer stromen land van werken en ondernemen en de ontwikkelingen van de arbeidsverhoudingen? Laat ik er vanuit macro- en micro perspectief een duiding aan proberen te geven.


2. Macro-perspectief: economie en samenleving onder voortdurende verandering

  • De econoom kijkt in de eerste plaats naar de economie. De ondernemer staat daar midden in en ervaart dit tijdperk als de ‘era of change’, gedreven door ICT als grootste "game changer" en met globalisering en verduurzaming als belangrijke trends. Ondernemingen staan in het midden van de economische dynamiek en moeten zich voortdurend aanpassen om positie te behouden en uit te bouwen. Ondernemingen zijn daarmee ordeverstoorders, en niet altijd geliefd. Maar, ik houd me aan de grote econoom Schumpeter: ondernemen is het vinden van steeds weer Neue Kombinationen of het initieren van creative destruction, en wanneer dat goed kan in een land, dan heb je een welvaartsmotor van jewelste in huis. Maar het is als op een fiets: "wanneer je niet beweegt, val je om".
     
  • We mogen ons gelukkig prijzen met arbeidsverhoudingen en een arbeidsmarkt die zich steeds weer vernieuwen om wel te kunnen blijven bewegen. Deze zegening moeten we tellen. Het heeft zijn resultaten. Zo is de werkloosheid nu weliswaar te hoog, maar Nederland kent naar internationale maatstaven nog steeds een lage werkloosheid: 7% van de beroepsbevolking. Het is goed te beseffen dat dit zonder het nieuwe "meer stromen land" veel hoger zou hebben gelegen. Stel nu eens dat het aantal zelfstandig professionals nog steeds op het niveau van 1996 zou liggen, dan durf ik u op een briefje te geven dat de werkloosheid nu veel hoger zou liggen. Een paar honderd duizend hoger en voor de minister van SZW zo maar 5 miljard meer aan werkloosheidsuitgaven. Dat dat gelukkig niet zo is, komt omdat 100.000-en mensen zeggen: "Ik wil me niet in een werkloosheidssituatie laten brengen, ik neem de situatie in eigen hand." Geweldig is dat en een groot compliment aan deze mensen en aan Nederland. Ik kom hier straks op terug.
     
  • Het tijdperk van verandering is overigens nog maar net begonnen. Wie zijn oor te luisteren legt, met name bij wetenschap en technologie, hoort steeds weer "You ain’t seen nothing yet". Onze minister van Sociale Zaken heeft daar onlangs ook op gewezen. Robotisering gepaard gaande met een - zoals u als HRM-professionals zou zeggen - "toenemende dynamiek in de beroepenstructuur en functieprofielen". Oftewel, er verdwijnen oude beroepen, maar er komen ook in hoog tempo nieuwe beroepen bij. En bij beroepen waarvan de naam hetzelfde blijft, veranderen taken en functies heel snel. De lasser van vandaag is echt niet meer de lasser van 10 jaar geleden.
     
  • Dan naar de maatschappelijke veranderingen. De tweeverdienerssamenleving heeft het kostwinnersmodel vervangen. Werk- en privé moeten goed worden gemanaged en dat is geen sinecure in jonge gezinnen. De keuze van veel werkenden om hun werk niet te doen voor een baas, maar voor een klant, past bij een grotere behoefte aan – zoals dat heet – "tijd- en plaatsonafhankelijker" actief willen zijn. Het past bij die jonge gezinnen. Maar het past ook bij de werkenden die kansen voor zichzelf zien en willen grijpen, verlost van de werkgever van weleer. Dat past bij ons tijdsbeeld en dat moeten we goed onderscheiden van de norm van eenverdieners met de echtgenote thuis die voor een kinderschare zorg droeg; de tijd van 100 jaar geleden toen de cao haar ingang vond en nog vele decennia daarna.

    Die behoefte aan grotere eigen verantwoordelijkheid, met een grotere zeggenschap over de invulling van taken, zien we natuurlijk ook terug in de verhouding werkgever-werknemer. Nederlanders staan bekend als eigenwijs, werkgevers hebben het er soms moeilijk mee. De nieuwe norm op de arbeidsmarkt wordt mobiliteit: we zullen veel meer van werk naar werk gaan, van werk naar ondernemen, etc. En er wordt in toenemende mate met ondernemen gestart. Zo heeft de Erasmus Universiteit onderzocht dat de afgelopen jaren het aantal studenten met een eigen bedrijfje naast de studie is verdubbeld. Het is geweldig, zeg ik vanuit mijn ondernemershart!
     
  • Mijn conclusie is dat de samenleving van generatie op generatie ondernemender wordt, zelfbewuster in het omgaan met werken en ondernemen, passend bij de persoonlijke behoeftes en ambities. En, laten we onszelf complimenteren, ons stelsel van arbeidsverhoudingen heeft zich daaraan aangepast.

    So far, so good, zou ik zeggen. Het toekomstperspectief ligt naar mijn mening ook in een "meer stromen" landschap. Dat zal zeker institutionele veranderingen met zich brengen, want de meerdere stromen moeten een houdbare (duurzame) bedding vinden en krijgen.


3. Micro-perspectief : de zp'er versus de werknemer

  • Om daar wat meer over zeggen, moeten we een spade dieper, naar het micro-perspectief van de werkenden in de verschillende stromen. Kortheidshalve beperk ik me tot de zelfstandig professional, de man of vrouw die er voor kiest de eigen verdienkracht zelfstandig en naar eigen inzicht te gelde te maken. Ook het kabinet legt daarvoor bijzondere belangstelling aan de dag, te weten een afremmende.
     
  • De zp'er.
    Deze nieuwe stroom begint bij sommigen weerstand op te roepen. Er circuleren nogal wat drogmythes over de opkomst van de zp'ers. Zo wordt wel gezegd dat mensen die voor de zp-status kiezen dat vooral doen vanwege de fiscale ondernemingsfaciliteiten. Iedereen die een vergelijking probeert te maken tussen inkomens van werknemers en zp'ers komt echter al snel tot de ontdekking dat het appelen met peren vergelijken is. Zo staat tegenover het netto uurloon van een werknemer ogenschijnlijk een hoger netto inkomen per uur van een zp'er. Maar vergeten wordt dan dat de zp'er:
    • moet reserveren voor -of zich verzekeren tegen- inkomensderving bij arbeidsongeschiktheid;
    • uit het inkomen nog moet sparen voor pensioen;
    • zelf moet investeren in bedrijfsmiddelen, waar de werknemer achter de PC van de werkgever kruipt;
    • geen recht heeft op WW voor het overbruggen van slechte tijden zonder opdrachten; en
    • niet krijgt doorbetaald bij ziekte en vrije dagen. In de vakantie gaat bij de werknemer het salaris door, bij de zp'er komt er niets binnen. Zeker dit laatste verschil wordt nogal eens vergeten.


    Houd je rekening met al deze aspecten en maak je een eerlijke vergelijking, dan zijn de ondernemingsfaciliteiten hard nodig om de grote verschillen met het werknemerschap weg te nemen. De nettoinkomens per uur zijn dan voor een zp'er zeker niet hoger dan voor een werknemer, zo wijzen tentatieve becijferingen van VNO-NCW uit.
     

  • Eerlijk gezegd vind ik het nogal wat wanneer werknemers de overstap maken naar het zelfstandig werken, louter bekeken vanuit deze inkomens- en sociale-zekerheidskwesties. Degenen onder hen die de afgelopen jaren hun baan dreigden te verliezen, hebben met het zp-schap bewust niet gekozen voor werkloosheid en de bijbehorende uitkeringen. Ze hebben zich niet afhankelijk gemaakt van anderen om hen weer een baan te bezorgen. Nee, zij hebben hun verdiencapaciteit behouden door aan de slag te blijven en als zp'er te gaan ondernemen. Op zulke veerkracht mag een samenleving alleen maar trots zijn. Stel dat de toename van het aantal zp'ers niet had plaatsgevonden en wij nu 200.000 meer werklozen zouden hebben gehad. Dan zou dat een budgettair beslag geven dat bijna het dubbele is van dat van de zelfstandigenaftrek en de winstvrijstelling bij elkaar opgeteld. Dus, waar naar het oordeel van sommigen de zp'er zo a-sociaal van profiteert ten koste van de belastingbetaler, lijkt veeleer het tegendeel het geval. Je hoort ook wel eens dat de zp'ers het draagvlak van sociale verzekeringen zouden uithollen. Ze zouden de goede risico's zijn die uit de collectieve stelsels stappen en niet meer solidair zijn met de slechtere risico's die daarvan gebruik moeten maken. Ook dit is een drogmythe. zp'ers zijn er net als werknemers in vele soorten en maten, in uiteenlopende beroepen en verdeeld over het gehele inkomensgebouw. Het zijn geen mensen die geen risico's lopen. Wat wel geldt, is dat zij geen gebruik maken van de collectieve regelingen waar ze niet meer aan betalen. Wanneer je niet betaalt, en niet gebruikt, hol je niks uit.
     
  • Dan is er nog de tegenwerping dat men mogelijk wel op latere leeftijd een groter beroep op collectieve voorzieningen gaat doen, in de pensioenperiode. Ook voor deze bewering is geen enkele basis. Er zijn generaties aan zelfstandig ondernemers de huidige zp'ers voorgegaan. Die hebben op hun eigen ondernemende wijze aan vermogensvorming voor de oude dag gezorgd en helemaal geen bijzonder afwijkend groot beroep op de samenleving gedaan voor zorg op de oude dag. Is dat met de huidige zelfstandig ondernemers ineens geheel anders?
     
  • Mijn overtuiging is de volgende: zp'ers hollen niets uit, ze voegen een heleboel toe. Creativiteit, flexibiliteit, productiviteit en ondernemerschap. Een waardevolle toevoeging in het meer stromen landschap. Zoals ook de SER enige jaren geleden in een doorwrocht advies al concludeerde.
     
  • Is daarmee de kous af? Nee, want we moeten wel oog hebben voor belemmeringen die zp'ers ondervinden om te sparen voor pensioen, zich te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid en het krijgen van een hypotheek. Daar wordt al het nodige aan gedaan, onder meer door staatssecretaris Klijnsma voor het pensioen. De banken bezien het probleem van de hypotheken en experimenteren nu om oplossingen te vinden.

    Zo kan de stroom van zelfstandig ondernemen een robuuste bedding vinden. Wij zullen ons daar als VNO-NCW sterk voor gaan maken en met de verschillende partijen tot passende oplossingen komen.
     
  • De werknemer.
    Ik zei het al eerder, en wil het nog een keer goed gezegd hebben. Ondernemingen hebben niet alleen nu grote behoefte aan werknemers waarmee zij een langdurige en stabiele relatie hebben. Dat zal tot in lengte van jaren zo blijven. Voor heel veel werk geldt dat een wederzijdse verbintenis op basis van een arbeidscontract te prefereren valt boven het inhuren van de diensten van iemand voor een enkele opdracht. De werknemer is "here to stay" en dat geldt evenzeer voor het arbeidscontract en de cao. Ik zie dat op diverse overlegtafels wordt gesproken over modernisering, met onder meer de vraag hoe meer ruimte voor invulling op het individuele niveau van onderneming en werknemer kan worden gevonden. Dat is een goede zaak, ook de cao is niet weg te denken, maar zoals alles, aangepast aan de eisen van de tijd. Dat geldt ook voor de sociale zekerheid van de werknemer, met name ten aanzien van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Mijn waarneming is dat we scherp moeten blijven kijken naar onderdelen van ons stelsel die het werkgeverschap te belastend maken. Want ook voor de stroom van het werknemerschap moet de bedding duurzaam houdbaar blijven.


4. Slotwoorden

  • Dames en heren, ik sluit af. Het meer stromen land dat vanuit zich zelf ontstaat op de Nederlandse markt van werken en ondernemen is een belangrijke asset voor ondernemingen en werkenden. Nederland is hierin innovatief, zoals dat in de jaren '80 van de vorige eeuw het geval was met deeltijd- en uitzendarbeid. Het heeft ons geen windeieren gelegd. Ik ben zeer gemotiveerd om in de beste overlegtradities van dit land, binnen de hier tot stand gekomen evenwichtige arbeidsverhoudingen, het "meer stromen landschap" verder vorm te geven. Daarvoor zullen we afwachten het komende advies van een Interdepartementaal Beleidsonderzoek naar de betekenis van zp'ers. Het lijkt mij goed heel nuttig om het SCP onderzoek te laten doen naar de manier waarop de jongere generaties van Nederlanders, heel vaak tweeverdieners, zelf hun balans wensen te zoeken tussen de vastigheid van een formeel werknemerschap en de flexibiliteit en eigen keuzemogelijkheid van zelfstandigheid.
     
  • Voor de korte termijn moet me wel nog één ding met veel klem van het hart. Dat betreft het wetsvoorstel van het kabinet om schijnzelfstandigheid aan te pakken via nieuwe VAR-regels en de zo genoemde BGL. Het werkt volkomen averechts om iedere opdrachtgever te belasten met de vraag of de opdrachtnemer voldoet aan alle voorwaarden van de status van zelfstandig ondernemer van de Belastingdienst. Is het kabinet er op uit om het voor opdrachtgevers onaantrekkelijk te maken om zp'ers in te huren? En realiseert het Kabinet zich wel dat het daar mee niet alleen groot onrecht doet aan al die jonge zp'ers die volkomen legitiem kiezen voor eigen verantwoordelijkheid in plaats van voor werknemerschap? En realiseert het kabinet zich wel dat een extra toeloop naar de werkloosheid veel kostbaarder gaat uitpakken dan nu de budgetten voor de zelfstandigenaftrek en de winstfaciliteit bij elkaar? Er wordt mij wel verzekerd dat het kabinet dit niet zo niet bedoeld heeft. Dan is de oplossing simpel: Trek dit ongelukkige plan zo snel mogelijk in.
     
  • Nederland is een sterk land met goede tradities. De blik is altijd op de toekomst gericht vanuit het adagium dat "wie angstvallig vasthoudt aan het verleden, aan de toekomst niet toe komt". Dat willen wij geen van allen.
     
  • Daarom herhaal ik wat ik vorige week ook heb gezegd bij de voorzitterswisseling in de SER, namelijk dat wij de bereidheid hebben en zullen houden om zaken te blijven doen met anderen. De vakbonden zijn onze onmisbare partner geweest gedurende vele jaren in het vormgeven van veranderingen in de verzorgingsstaat. Dit maakt onderdeel uit van de Nederlandse cultuur die altijd op samenwerking is gericht. Ik, VNO-NCW, wij hopen dat dat de Nederlandse vakbeweging ook in de toekomst een constructieve partner zal zijn.
     
  • Ik dank de AWVN dat ik hier heb mogen spreken over deze belangrijke ontwikkelingen en wens de organisatoren een vruchtbaar congres toe. Hartelijk dank voor uw aandacht.