Uit met de pret(studies)

Het kabinet moet niet bezuinigen op onderwijs. Vindt het onderwijs. Maar beter onderwijs zit hem niet alleen in geld. Het tegengaan van de versnippering levert veel meer op. Zo’n 13.500 hbo- en mbo-opleidingen, dat moet toch een onsje minder kunnen.

 

 

Weg met de versnippering in het onderwijs. Loek Hermans, lijsttrekker voor de VVD in de Eerste Kamer, wil dat het onderwijsgeld efficiënter en doelmatiger wordt besteed. ‘Er zijn 26 opleidingen bedrijfseconomie. Zouden dat er alsjeblieft niet een paar minder kunnen zijn?’, zei hij in een televisiedebat tussen de lijsttrekkers van de Eerste Kamer. Het is veel efficiënter als hbo-instellingen meer gaan samenwerken om de versnippering in het aanbod tegen te gaan, vindt Hermans. ‘Dan wordt het geld dat we nu in het onderwijs steken efficiënter besteed. De besparing die dat oplevert kan dan weer geïnvesteerd worden in datzelfde onderwijs.’ Zo werd een landelijk thema onderwerp voor de provinciale verkiezingen van 2 maart.

 

Is het aanbod aan studies inderdaad zo enorm? Ja dus. Uit cijfers van de onderwijsinspectie valt op te maken dat er in 2008 maar liefst 10.493 mbo-opleidingen met ten minste één ingeschreven deelnemer geregistreerd waren. Aangezien een half miljoen kinderen kiest voor een mbo-opleiding, leert een simpele rekensom dat er gemiddeld maar 45 studenten per opleiding zijn. Dan zijn er volgens de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) in Nederland ook nog eens 2.969 hbo-opleidingen geaccrediteerd. Zo’n 35 procent daarvan heeft dertig of minder studenten. En zowel de HBO-raad als de MBO-raad bevestigen dat het aantal opleidingen nog steeds jaarlijks groeit.

 

De opleidingsinstituten maken het schoolverlaters er dus niet gemakkelijker op. Je zal na het afronden van je mavo, havo of vwo maar een keuze moeten maken uit die lijst met opleidingen op mbo- en hbo-niveau. Zeker als je nog niet precies weet wat je wilt.

 

Ondertussen zwelt de kritiek op de ongebreidelde groei van het aantal opleidingen aan. Niet alleen uit de politiek. Het bedrijfsleven en zelfs de wetenschapswereld plaatsen er al jaren vraagtekens bij. Is dat nou allemaal wel nodig? ‘Het aanbod aan bachelors en masters in het Nederlandse hoger onderwijs lijkt steeds meer op de menukaart van een slechte chinees’, zei Frits van Oostrom, destijds president van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, zo’n vijf jaar geleden al in zijn jaarrede.

 

Keuzestress

Op het eerste gezicht lijkt de toelating van nieuwe opleidingen goed geregeld. Zowel de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) als de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs (CDHO) moeten groen licht geven voordat een opleidingsinstituut van het ministerie van OCW aan de slag mag met een nieuwe opleiding. Maar dat is geen garantie voor succes: niet elke opleiding leidt tot iets op waaraan op de arbeidsmarkt ook echt behoefte is of voegt erg veel toe aan het bestaande aanbod.

 

Dat opleidingen dan tóch in de markt worden gezet, wordt volgens critici in de hand gewerkt door de manier waarop onderwijsinstellingen worden bekostigd. Het ministerie van OCW betaalt die instellingen voor een belangrijk deel op basis van het aantal studenten dat instroomt. En dat is volgens de commissie-Veerman, die in opdracht van datzelfde ministerie onderzoek deed naar de toekomstbestendigheid van het hoger onderwijs, voor instellingen een belangrijke stimulans om te kiezen voor groei van het aantal studenten en van het aantal opleidingen.

 

Scholen proberen studenten te prikkelen voor hen te kiezen met steeds weer nieuwe opleidingen, bevestigt Willie Berentsen, adviseur arbeidsmarkt en onderwijs bij brancheorganisatie FME, het beeld dat Veerman schetst. ‘Wat je ziet is dat de innovatie niet zit in onderwijsvernieuwing, maar meer in vernieuwing van het aanbod.’ Hogescholen moeten wel, verklaarde Karel van Rosmalen, bestuursvoorzitter van de Limburgse Hogeschool Zuyd, vorig jaar in Trouw. ‘Nieuwe opleidingen trekken studenten van andere hogescholen. Begin je zelf die opleiding niet, dan komen er dus minder studenten binnen. En minder studenten betekent minder geld.’ Gevolg: als er één hogeschool over de brug is, volgen er meer.

 

Maar of de studenten in spe blij zijn met de grote keuze, waagt Berentsen (FME) te betwijfelen. ‘Het veelzijdige aanbod van opleidingen voorzien van de meest aantrekkelijke namen, maakt een goed inzicht in wat je ermee kan moeilijk. Het leidt bij studenten tot keuzestress’, schampert hij.

 

Langs de zijlijn

Vorig voorjaar stelden PvdA en SP de werkwijze van de accreditatie-instelling openlijk ter discussie. De NVAO zou niet streng genoeg zijn bij de beoordeling van hbo-studies en daarmee (mede) de hand hebben in de huidige wildgroei aan opleidingen. ‘Het arbeidsmarktperspectief speelt officieel een rol bij de beoordeling van opleidingen, maar het resultaat is er niet naar. Er is nog te vaak sprake van een mismatch’, stelt PvdA-Kamerlid Roos Vermeij. Ze geeft een voorbeeld: de tekortschietende toetsing van de hbo-opleiding juridisch medewerker – niet eens een stereotiepe ‘hippe’ opleiding. ‘Het zou wel handig zijn om vooraf te weten hoe zo’n opleiding zich verhoudt tot de academische studie rechten. Zolang werkgevers niet weten wat ze ermee kunnen, lijkt het me weinig zinvol om op verschillende locaties grote aantallen studenten zo’n opleiding aan te bieden.’

 

Harde cijfers over de gevolgen van de wildgroei zijn er niet. Maar duidelijk is wel dat de aansluiting op de arbeidsmarkt te wensen over laat. Technische bedrijven schreeuwen al jaren om hbo-opgeleide mensen, maar met het aantal afstudeerders in die richting kan niet aan de vraag worden voldaan. De kerncijfers schoolverlatersonderzoeken van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA), gelieerd aan de Universiteit van Maastricht, bevestigen dat beeld wel. Van de leerlingen die de mbo-opleiding sport en bewegen achter de rug hebben, komt nog tweederde terecht op een plek die aansluit bij de vooropleiding. Er zijn alleen ook legio voorbeelden van opleidingen waar dat succespercentage niet wordt gehaald. Zo vindt van de leerlingen die de mbo-opleiding paardenhouderij en paardensport met goed gevolg doorloopt, maar iets meer dan een derde een baan binnen de eigen of een aanverwante opleidingsrichting.

 

In het hbo zijn vergelijkbare ontwikkelingen te zien. Sommige opleidingen leiden op tot een meer dan gemiddelde werkloosheid, zo blijkt uit de ROA-statistieken. Geen prettig vooruitzicht voor de student en voor werkgevers.

 

Zorgvuldiger

Experts uit de zakelijke dienstverlening pleitten tijdens een lustrumdebat van Hogeschool Utrecht (HU), eind januari, voor stevig ingrijpen. Er moet maar eens drastisch worden gesnoeid in het aantal opleidingsrichtingen.

Vraag is of opleidingsinstellingen uit eigen beweging hun koers zullen verleggen. Een handje helpen dan maar? Aanpassing van de bekostigingssystematiek zoals de commissie-Veerman die bepleit, zou helpen.

Maar dat alleen is niet voldoende. Volgens oud-Shell-topman Jeroen van der Veer, nu voorzitter van het Platform Bèta Techniek, moet de aansluiting van opleidingen op de arbeidsmarkt ook zwaarder meewegen bij de bekostiging. ‘Dat is ook de insteek van het platform: het belonen van instellingen die meer technici afleveren. Ze eerst stimuleren om daar meer aandacht aan te geven, en ze vervolgens afrekenen op de resultaten.’

Uit de kabinetsreactie op het rapport van de commissie-Veerman die staatssecretaris Zijlstra van OCW 8 februari naar de Tweede Kamer stuurde, blijkt dat het kabinet er inmiddels van is doordrongen dat de bekostiging van de opleidingsinstituten anders moet. Volgens de bewindsman moeten bij de verdeling van het geld de prestaties van scholen een belangrijker rol gaan spelen.

 

Samenwerking

Een deel van de oplossing zit ook in een betere voorlichting van potentiële studenten. Zij moeten duidelijker op het netvlies krijgen wat voor toekomst er zit in opleidingen (zie ook kader Keuzehulp). De gedachte daarachter is simpel: wie weet wat hij tijdens, maar vooral na zijn opleiding kan verwachten, zal bij zijn keuze een zorgvuldiger afweging maken. Ook op dit vlak lijkt er beweging in de zaak te komen. Studenten kunnen alleen de juiste keuze maken als zij goede informatie krijgen. En voorlichting en begeleiding zijn daarvoor cruciaal, aldus staatssecretaris Zijlstra in de kabinetsreactie op het rapport van de commissie-Veerman. Ruud van der Aa, clustermanager onderwijs bij onderzoeks- en adviesbureau Ecorys ziet in die voorlichting een belangrijke rol weggelegd voor het bedrijfsleven. Hij pleit sowieso voor een nauwere samenwerking tussen hbo en bedrijfsleven. ‘Het hbo zou daarin een voorbeeld kunnen nemen aan het mbo.’

 

Ook Berentsen (FME) pleit voor intensivering van de samenwerking tussen opleidingsinstituten en bedrijfsleven. Dat zoiets kan leiden tot een mooi resultaat, bewijst volgens hem de opleiding mechatronica. ‘Het heeft tien, vijftien jaar geduurd, maar nu staat deze er. Een opleiding die in samenspraak met het bedrijfsleven tot stand is gekomen – en waarbij ook rekening is gehouden met de wensen van datzelfde bedrijfsleven. Dat zou vaker moeten gebeuren.’

 

Bedrijfsleven betrekken bij hbo-vernieuwingHet kabinet wil werk maken van de adviezen van de commissie-Veerman gericht op het toekomstbestendig maken van het hoger onderwijs. Dit blijkt uit de kabinetsbrief die staatssecretaris Zijlstra van OCW op 8 februari naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.
De commissie onder voorzitterschap van oud-landbouwminister Cees Veerman concludeerde dat het huidige stelsel niet toekomstbestendig is: er is te weinig differentiatie voor de gevarieerde vraag van studenten en arbeidsmarkt en het onderwijsaanbod is versnipperd. Op zich is het bedrijfsleven niet ontevreden over de reactie van de staatssecretaris. Zo wordt een link gelegd met de gewenste profilering van hoger onderwijsinstellingen en de topsectoren van onze economie. Ook spreekt Zijlstra de ambitie uit om wat te doen aan de bekostiging van het hoger onderwijs.
Maar het is van groot belang om bij de uitwerking van de voorstellen het bedrijfsleven, de grootste afnemer van het hoger onderwijs, actiever te betrekken. In elk geval zullen bij de bekostiging van het onderwijs kwaliteit en arbeidsmarktrelevantie zwaarder mee moeten meewegen, vinden ondernemers. En er zal per topgebied (water, energie, voedsel en agro, tuinbouw, logistiek, hightech, life science, chemie en creatieve industrie) moeten worden geïnventariseerd welke opleidingen het bedrijfsleven nodig heeft en op welke onderzoeksgebieden moet worden ingezet. Centraal moet staan dat de student op de juiste plaats terecht komt. Zo kan talent optimaal worden benut.

KeuzehulpOuders, school en vrienden zijn vaak (mede) bepalend voor hun toekomstige beroepskeuze en daarmee voor hun studiekeuze. Maar is de keuze die ze maken dan wel de juiste? De statistieken doen het ergste vermoeden. Vijftig procent van de jongeren switcht tussentijds, 10 procent stopt binnen een jaar met studie en 15 procent kiest binnen een jaar voor een andere studierichting, blijkt uit de Keuzemonitor 2009.
Een indringend gesprek met een professional zou weleens uitkomst kunnen brengen, bedachten ze bij Rotary Deventer. De serviceclub biedt jongeren, die aan de vooravond van misschien wel de belangrijkste keuze van hun leven staan, aan om eens een ‘neutraal’ gesprek te hebben met iemand die met z’n poten in de klei staat. Alles vanuit de gedachte dat iemand die met plezier werkt in een beroep waar hij wat mee heeft, veel beter uit de verf komt. Als het aan Rotary Deventer ligt krijgt hun initiatief snel landelijke navolging. www.kiezennaschool.nl

Dit artikel komt uit de print Forum