Nooit meer Bangladesh

De Rana Plaza-ramp in Bangladesh heeft de schijnwerpers gericht op de kledingindustrie. Ook Nederlandse bedrijven moeten verantwoording afleggen over de productie die zij laten uitvoeren in ontwikkelingslanden. Maar hoever reikt hun invloed op wat er aan de andere kant van de wereld gebeurt?

Het is wrang, maar de tragedie van Rana Plaza in Bangladesh heeft de textielwereld wakker geschud. Meer dan elfhonderd doden, vooral vrouwen, waren er nodig om grote stappen te zetten in het verbeteren van de arbeidsomstandigheden in de Bengalese kledingindustrie. Drie weken na het instorten van het gebouw melden westerse bedrijven zich aan voor de ondertekening van een Accord on Fire and Building Safety in Bangladesh.

Het twee jaar oude akkoord was tot dusver door twee bedrijven getekend. Het zou pas rechtsgeldig worden met vier handtekeningen. C&A is een van de nieuwe ondertekenaars. 'We hebben niet eerder getekend omdat je niet over één nacht ijs moet gaan. Er zijn meerdere initiatieven waaraan we hebben deelgenomen. Het akkoord is inmiddels ook aangepast door er meerdere partijen bij te betrekken', zegt woordvoerder Paulien Straeter. 'Als individueel merk kun je niet de grote verandering brengen. Het is essentieel dat we dit samen doen, en niet elk bedrijf voor zichzelf. Als je de situatie voor werknemers in Bangladesh wilt veranderen, heb je kritische massa nodig en de medewerking van de Bengalese overheid. Pas als bedrijfsleven, overheid en ngo's meedoen, maak je een wezenlijk verschil.'

C&A is actief in Bangladesh, maar had geen opdrachten uitstaan bij de bedrijven die in het Rana Plaza huisden. Dat was eerder wel het geval: eind 2011 werd een contract 'om zakelijke redenen' beëindigd. Het had volgens Straeter niets met de arbeidsomstandigheden te maken. Wel werd kleding voor C&A gemaakt in de Tazreen-fabriek waar in 2012 brand uitbrak en waarbij meer dan honderd doden vielen. In eerste instantie werd de slechte elektrische bedrading als oorzaak genoemd, later werd gesproken van sabotage. C&A laat de brandveiligheid van het bedrijf van een leverancier voorafgaand aan de opdracht controleren. Daarna volgen onaangekondigde controles. Na de Tazreen-brand worden die nu verscherpt en uitgevoerd door een onafhankelijk bureau. Maar controles zijn niet heilig: in de Tazreen-fabriek vielen ook veel slachtoffers omdat werknemers die het pand uit voorzorg wilden verlaten, werden tegengehouden door managers. De nabestaanden worden financieel gecompenseerd door C&A en andere opdrachtgevers. In totaal steekt C&A 5 miljoen euro in de maatregelen.

Er zijn veel organisaties die zich met gedragscodes, controles of campagnes bezighouden voor het verbeteren van de arbeidsomstandigheden in lagelonenlanden. In Nederland is onder meer de Schone Kleren Campagne actief. De van oorsprong Nederlandse organisatie heeft momenteel in vijftien Europese landen een Clean Clothes Campaign lopen. Woordvoerder Christa de Bruin kan zich voorstellen dat bedrijven met al die organisaties soms door de bomen het bos niet meer zien. 'Daarom hebben we ons best gedaan om met betrekking tot de veiligheid in Bangladesh tot één akkoord te komen. Het is een ambitieus programma. Het akkoord is dwingend en bedrijven móeten er geld in steken. Ze moeten vakbonden en werknemers een rol geven, onafhankelijke inspecties toelaten en transparant zijn over hun relaties met leveranciers en toeleveranciers.'

Niet vertrekken
Het instorten van Rana Plaza staat niet op zichzelf, stelt De Bruin. 'Het is begonnen in 2005, met het instorten van de Spectrum-fabriek, nota bene om de hoek van Rana Plaza. Daarbij vielen 64 doden. Sinds Tazreen zijn er alweer 42 brandincidenten geweest. De laatste vond na Rana Plaza plaats en kostte 'slechts' acht mensen het leven. In haar optiek zijn meerdere partijen hiervoor verantwoordelijk, naast de fabrikanten en de inkopende kledingmerken. De Bengalese overheid moet de wet- en regelgeving voor bedrijfsgebouwen herzien, en de naleving strenger controleren. Het Rana Plaza was bijvoorbeeld ontworpen voor vier verdiepingen van winkels en kantoren, en niet voor de uiteindelijke acht verdiepingen met ook fabrieksactiviteiten.

Als de werkomstandigheden zo slecht zijn, roept dat de vraag op of westerse bedrijven wel actief moeten zijn in landen als Bangladesh. Vertrekken is echter geen optie, vindt De Bruin. 'Nu weglopen is je verantwoordelijkheid ontlopen. Opdrachtgevers moeten juist een langdurige relatie aangaan met hun leveranciers om verbeteringen door te kunnen voeren. Nu het akkoord binnenkort in werking kan gaan, moeten ook Nederlandse bedrijven meedoen aan deze fundamentele koerswijziging.'

Een langdurige relatie aangaan met leveranciers is ook de insteek van Expresso, een Nederlands damesmodemerk dat zich als duurzaam afficheert. De productie vindt plaats in Polen, Griekenland, Bulgarije, Macedonië, Turkije, Tunesië, India en China. Die laatste twee landen zijn 'high risk' in de terminologie van de Fair Wear Foundation, een van oorsprong Nederlandse organisatie die een gedragscode heeft ontwikkeld op basis van de normen van de International Labour Organization.

'In India en China doen we het minst', zegt Marieke Weemaes, sustainability coördinator bij Expresso. 'Maar ook daar geldt dat we in tien jaar tijd een vertrouwensband hebben opgebouwd met de leveranciers. Je kent elkaar en kunt dan meer bereiken op het gebied van de arbeidsomstandigheden.' Produceren in Bangladesh past volgens haar niet bij het 'midhoogsegment' van de markt waarin Expresso actief is. 'Voor een paar dubbeltjes minder moet je geen moeilijkheden opzoeken, gezien de misstanden daar.'

Druk op prijs
De productiemanagers van Expresso gaan elk modeseizoen op bezoek in de fabrieken. Fair Wear voert op kosten van Expresso controles uit van een halve tot een hele dag. Die leiden tot actieplannen om verbeteringen aan te brengen. De kosten daarvan worden door Expresso en de leverancier gedeeld, of komen volledig voor rekening van de leverancier. Dat laatste is bijvoorbeeld het geval als de brandveiligheid tekortschiet. Weemaes: 'Dat hadden ze zelf al moeten regelen. Bovendien hebben andere klanten van de leveranciers daar ook baat bij.'

Persoonlijk denkt zij dat op termijn een deel van de kledingproductie naar Europa terugkeert. 'Consumenten willen in toenemende mate weten waar de kleding vandaan komt, en je hebt er als bedrijf meer grip op als het dichtbij gebeurt. Bovendien zijn er minder culturele verschillen, waardoor je sneller op één lijn zit met leveranciers.'

Toch zullen winkels die zich richten op goedkope kleding voor de klant actief blijven in landen als Bangladesh. Paulien Straeter van C&A benadrukt daarbij dat goedkope kleding niet per definitie betekent dat de arbeidsomstandigheden ter plaatse slecht zijn. Maar de kledingbranche wordt wel gekenmerkt door een sterke prijsconcurrentie. En dus ook door het zoeken naar kostenbesparingen.

Volgens de brancheorganisaties Modint (mode, interieur, tapijt en textiel), Inretail (detailhandel) en vgt (grootwinkelbedrijven) zijn Nederlandse bedrijven 'zeker welwillend', maar is hun rol en invloed binnen de markt ontoereikend om alle misstanden op te lossen die zich voordoen in de kledingketen, die zeer complex en gefragmenteerd is. Voor elk onderdeel van het productieproces worden bedrijven ingeschakeld. In een brief aan de Tweede Kamer schrijven zij dat de gebeurtenissen in Bangladesh de 'wrange waarheid weer aan het licht brengt dat in de wereldwijde vrije markteconomie een enorme druk bestaat om te produceren tegen de laagste prijs'.

Daar komt bij dat kledingproductie nog steeds arbeidsintensief is, en Bangladesh een van de armste landen ter wereld is, waar kleding goed is voor 80 procent van de export. Voor het land zelf zijn de opdrachten van westerse bedrijven dus van groot belang. En uiteindelijk leidt hun bemoeienis toch tot verbetering van de arbeidsomstandigheden.

De brancheorganisaties komen in juni met een nationaal actieplan om de Nederlandse kleding en textiel verder te verduurzamen. Daar worden de overheid, vakbonden en ngo's bij betrokken. Het actieplan is ook een reactie op een aangenomen motie van GroenLinks, de SP en de ChristenUnie, waarin opgeroepen wordt tot het uitbannen van kinderarbeid in de kledingindustrie, en het volledig transparant maken van de productieketen. De brancheorganisaties wijzen die motie af, en gaan liever voor een eigen actieplan. 'Kinderarbeid is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de overheid in het land waar die arbeid plaatsvindt', zegt Jef Wintermans, directeur economische zaken bij Modint. 'Als Nederland los je het probleem van kinderarbeid niet even op. Volledige ketentransparantie ligt ook moeilijk. Als Nederlandse bedrijven al volledig inzicht hebben in de complexe keten van de kledingindustrie, dan zullen ze die lijst met bedrijfsnamen niet graag publiek maken. De concurrentie kan er namelijk met jouw leveranciers vandoor gaan.' Alleen het Zweedse H&M heeft tot dusver zijn lijst met leveranciers openbaar gemaakt. Dat was volgens Wintermans mogelijk omdat het bedrijf genoeg vertrouwen heeft in de opgebouwde relatie met zijn leveranciers.

'Maar de tragedie van Rana Plaza is hard aangekomen in de kledingsector en laat niemand onberoerd', zegt hij. 'De impact ervan is groter dan honderd branden met elk tien doden. Ook Nederlandse bedrijven moeten daar iets mee doen. Anders kun je wachten op het eerste bedrijf dat voor de rechter moet verschijnen.'

Geen Rana Plaza's meer

Het Accord on Fire and Building Safety in Bangladesh voorziet in onafhankelijke fabrieksinspecties, waarover publiek wordt gerapporteerd. De aanbevelingen zijn bindend. De Bengalese wet- en regelgeving wordt ook door een onafhankelijke partij onder de loep genomen. Vakbonden en werknemers in de bedrijven krijgen een centrale rol in het identificeren van veiligheidsrisico’s. Er komt ook een klachtensysteem voor werknemers. Het programma staat onder toezicht van een commissie waarin alle belanghebbenden een plaats krijgen.

 

Nederland neemt voortouw

Nederland wordt samen met Bangladesh voorzitter van een groep donorlanden die zich in willen spannen voor veilige arbeidsomstandigheden in Bangladesh. Dat heeft minister Ploumen van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking bekendgemaakt. Zij wil om de tafel met de Bengalese regering, de Wereldbank, de Europese Unie, de International Labour Organization en Europese kledingbedrijven.

Elk land moet een actieplan opstellen. De Nederlandse overheid stelt zelf 9 miljoen euro beschikbaar voor verbetering en verwacht ook financiële bijdragen uit de industrie.

Dit artikel komt uit de print Forum