Help, mijn stagiair kan niks!

03-04-2014

Mbo'ers die stage lopen, blijken theoretisch vaak verbijsterend slecht onderlegd. Vijf jaar geleden trokken ondernemers aan de noodbel. Maar ondanks harde afspraken is er nog steeds onvoldoende verbeterd. 'Het voelt alsof je een klein kind moet leren eten.'

'We moeten echt weer helemaal bij het begin beginnen.' Bert Boeijink krijgt elk jaar zo'n twintig mbo-leerlingen van het roc in zijn bedrijf. Jongens van een jaar of 16, 17 in de laatste fase van hun opleiding bouwkunde. Ze kunnen straks aan de slag als kaderfunctionaris. Dan mogen ze hun stempel drukken op de werkvoorbereiding. Of timmerlieden vertellen wat zij moeten doen. In theorie klinkt het goed. Maar in de praktijk weten ze vaak nog niet eens het verschil tussen vurenhout en meranti, merkt de directeur van Bloemendal Bouw in Leusden. 'Moet ik ze dat dan tijdens hun stage gaan leren?', vraagt hij zich hardop af. 'Ik moet ze zelfs nog uitleggen dat ze van dat hout een kozijn kunnen maken.'

Jaarlijks lopen vierhonderdduizend leerlingen van een roc stage bij bedrijven. Ze zitten nog op school, maar een deel van hun opleiding bestaat uit beroepspraktijkvorming: leren in de praktijk. Je zou dus verwachten dat een leerling die zo'n mbo-opleiding volgt ook enigszins is voorbereid op de praktijk. Maar dat blijkt nog te vaak niet het geval. 'Ik vraag me echt af wat de waarde van zo'n diploma is', zegt Boeijink. En met hem zijn er meer ondernemers die er zo over denken. Zoals Angelique van Schie van Installatiebedrijf Putman uit Noordwijk. Van Schie maakt zich grote zorgen over het niveau van de docenten. 'Er staan slecht geschoolde mensen voor de klas. Maar zij leiden wél de mensen op waar we het als branche in de toekomst van moeten hebben. Soms moeten leerlingen op niveau 3 de docenten uitleggen hoe het zit.'

Geen onderbuikgevoel
De kritiek op de beroepspraktijkvorming in het mbo – kortweg bpv – is niet nieuw. Bureau Dijk 12 deed in 2009 onderzoek onder ondernemers naar de ervaringen met dit leren in de praktijk. Het onderzoek bevestigde dat het niet ging om slechts een onderbuikgevoel. Er bleek veel mis met de bpv. Ondernemers klaagden over het gebrek aan kennis en vaardigheden van leerlingen om de praktijkoefeningen in de leerbedrijven uit te voeren. Ook zou de communicatie tussen scholen en bedrijven over de beroepspraktijkvorming flink tekortschieten. De resultaten van het onderzoek waren aanleiding tot de invoering van een bpv-protocol met verbeterafspraken. Een tweejaarlijkse bpv-monitor zou het resultaat van die afspraken tussen bedrijfsleven, onderwijs en overheid haarfijn in beeld brengen. Maar de eerste editie van de monitor uit 2011 bracht niet de door bedrijven zo vurig gewenste verbetering.

Na vijf jaar nog kritiek
Het is wachten op de tweede bpv-monitor. Maar duidelijk is al wel dat de kritiek op de bpv drie jaar na het uitkomen van de eerste nog niet is verstomd. Boeijink (Bloemendal Bouw) loopt nog regelmatig aan tegen het gebrek aan kennis en kunde van de roc's. Hij zit in de vestigingsplaats van zijn bedrijf als bestuurslid in een samenwerkingsverband van bedrijfsleven en onderwijs. 'We doen echt ontzettend onze best om invloed uit te oefenen op onderwijsinstanties. Uit te leggen waar de bedrijven op zitten te wachten. Maar ik heb niet het idee dat die boodschap aankomt. En dat vind ik zorgelijk. Zeker nu de ontwikkelingen in het bedrijfsleven zo snel gaan. Er zijn scholen waar een bouwpraktijk wordt onderwezen die 25 jaar geleden gangbaar was. Neem een moderne techniek als 3d-tekenen. Die komt gewoon niet aan bod. We moeten met minder mensen slimmer gaan werken. In de bouw, maar ook in andere sectoren, zoals de automotive en elektrotechniek. Maar hoe doe je dat als de kennis daarvoor ontbreekt?'

Vicieuze cirkel
Van Schie (Putman) verbaast zich erover dat het overleg tussen scholen en bedrijven over het wel en wee van leerlingen maar niet van de grond wil komen. 'In het Masterplan installatietechniek – met afspraken tussen bedrijfsleven, onderwijs en overheid – is vastgelegd hoe scholen zouden moeten werken. En hoe het volgen van de leerlingen moet plaatsvinden. Maar roc's krijgen het niet voor elkaar om de voorgeschreven gesprekken met bedrijven en leerlingen te laten plaatsvinden. Het voelt een beetje als een vicieuze cirkel. Leraren beklagen zich er over dat ze geen tijd voor die gesprekken hebben. En directies van scholen zeggen dat het gewoon bij hun functie hoort en dat ze daar een x aantal uren per week voor hebben.'

Door de strot geduwd
Boeijink (Bloemendal Bouw) ergert zich ook aan het eenrichtingsverkeer waarvan de opleidingsinstituten zich menen te moeten bedienen. Hij laat een recente brief van het ROC Midden Nederland zien. Daarin deelt het opleidingsinstituut mee dat wordt overgestapt van een vierjarige naar een driejarige opleiding en hoe het instituut dat voor elkaar denkt te krijgen. 'Hoezo overleg met het bedrijfsleven? De plannen worden je gewoon door de strot geduwd.' Ronald Steigenga, vestigingsmanager bij bedrijfsautodealer IVECO Schouten (verantwoordelijk voor de bedrijfsvestigingen in Almkerk en Tiel), oordeelt iets milder over de beroepspraktijkvorming. Misschien omdat hij vooral heeft te maken met bbl-leerlingen: jongeren die vier dagen per week in het bedrijf rondlopen en één dag per week naar school gaan. Steigenga heeft wisselende ervaringen met de roc's in zijn werkgebied. Met twee van deze instituten heeft hij 'harde' afspraken weten te maken (vastgelegd in een convenant). Ondanks die positieve ontwikkeling heeft ook hij kritiek. Als voorbeeld noemt hij de eisen waaraan leerbedrijven moeten voldoen. 'We zijn al jaren geaccrediteerd leerbedrijf voor technische functies. Maar voor administratieve functies moesten we weer apart geaccrediteerd worden. Komt hier een dame langs om uitgebreid te bekijken of we wel een geschikt bedrijf zijn. Dat is toch niet te geloven?'

Tikje verwaarloosd
'Ik praat niet goed dat de beroepspraktijkvorming in het mbo hier en daar is verwaarloosd', zegt Jan van Zijl. De voorzitter van de MBO Raad en de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) kijkt reikhalzend uit naar de resultaten van de tweede bpv-monitor. 'De afspraken uit het bpv-protocol zijn nog van recente datum. Maar ik hoop dat er vooruitgang zichtbaar is ten opzichte van de eerste editie van de monitor. Anders zou ik teleurgesteld zijn.' Hij doet de kritiek die nu rondzingt af als 'wel wat gemakkelijk'. 'Werkgevers moeten zich realiseren dat het bij de kortere stages in het kader van de beroepsopleidende leerweg gaat om mensen die net van het vmbo komen. Mensen die we ook algemene vaardigheden moeten bijbrengen. En naarmate ze jonger zijn is de voorbereiding op de stage in het bedrijf wat moeilijker.' Volgens hem verwachten veel leerbedrijven dat stagiairs onmiddellijk inzetbare krachten zijn. Maar, zo benadrukt hij, het gaat wel om studenten. 'Het is niet zo dat er 'even' drie maanden een goedkope arbeidskracht langskomt. Een student moet binnen het stagebedrijf ook kennis opdoen.' Van Zijl stelt de klacht serieus te nemen dat bedrijven het gevoel hebben geen contact te hebben met de scholen. 'Ik hoor dit soort verhalen ook van studenten. Dat ze naar hun stageadres gaan en vervolgens drie maanden lang niets van school horen. Als een bedrijf vindt dat de school het laat afweten, zeg ik: 'Zoek contact, laat je horen. Meld bij de school dat er te weinig aandacht is voor de stagiair.' Het moet vanzelfsprekend zijn dat een student regelmatig zijn bpv-begeleider ziet en spreekt.' Hij wijst er op dat de beroepspraktijkvorming deel gaat uitmaken van de kwaliteitsafspraken tussen het mbo en het ministerie van Onderwijs. 'Er komt meer geld beschikbaar dat de scholen gaan inzetten voor plannen om de bpv te verbeteren. En in SBB-verband wordt er aan gewerkt om de accreditatie van leerbedrijven simpeler te maken.'


Eerste onderzoek toonde aan: nog een lange weg te gaan

In reactie op het Dijk 12-onderzoek waaruit knelpunten bij de beroepspraktijkvorming naar voren kwamen, ontwikkelden de MBO Raad, VNO-NCW, MKB-Nederland, Colo (nu Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven – SBB) en het ministerie van Onderwijs een bpv-protocol. In het protocol zijn afspraken vastgelegd gericht op een kwalitatief goede beroepspraktijkvorming op de werkvloer. Deze afspraken gaan over de voorbereiding, de begeleiding en uitvoering tijdens de bpv-periode, en de beoordeling en de evaluatie van de bpv. In het protocol is vastgelegd dat het effect van het protocol met behulp van een bpv-monitor in kaart wordt gebracht. Uit de eerste editie van de bpv-monitor (uit 2011) – een peiling onder 8.816 praktijkopleiders, 2.200 mbo-leerlingen en 1.618 bpv-begeleiders van onderwijsinstellingen – bleek dat de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming op onderdelen vooruit was gegaan. Zo zou het niveau van de vakkennis en praktijkvaardigheden van leerlingen op het moment dat ze bpv bij een leerbedrijf gaan volgen op een hoger peil zijn uitgekomen. Maar de ondervraagden gaven tegelijk aan dat er nog veel verbetering mogelijk was. Zoals de voorbereiding van leerlingen op de bpv en de afstemming tussen onderwijsinstellingen en leerbedrijven over diezelfde bpv.



SBB: wat is dat?

De stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB, voorheen Colo) is in het leven geroepen om de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt te verbeteren. Dit met als doel de instroom van voldoende en deskundige vakmensen. De organisatie ondersteunt het bedrijfsleven en het beroepsonderwijs bij het oplossen van bovensecto-rale thema's als de beroepspraktijkvorming, examens en opleidingsaanbod. Daarnaast coördineert en ondersteunt SBB samenwerkings-projecten van de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.