Boete op overschrijding betaaltermijn is slecht idee

Eindeloos wachten totdat de klant de rekening betaalt. Er is niks frustrerender voor een ondernemer. Want als bedrijf x niet wordt betaald, kunnen ook zijn leveranciers niet betaald worden. Het wachten op betaling van facturen beïnvloedt dan ook de kaspositie, het concurrentievermogen en de levensvatbaarheid van ondernemingen. Daarom is het positief dat het CDA zich druk maakt over late betalingen. Kamerleden Agnes Mulder en Pieter Omtzigt willen graag dat grote bedrijven die langer dan zestig dagen doen over het betalen van facturen, een boete krijgen. Dat lijkt een sympathiek idee, maar het is niet de oplossing.

Ten eerste kan de regeling het ongewenste effect hebben dat een betalingstermijn van zestig dagen de norm wordt. Het is veel slimmer om de trend te volgen en snelle betalingen te stimuleren op een positievere manier dan met een boete. Een goed voorbeeld daarvan is het initiatief Betaalme.nu, waarin grote ondernemingen zoals Jumbo, Randstad, Heineken Nederland en FrieslandCampina hebben afgesproken hun leveranciers sneller te betalen. Daarnaast is de gemiddelde betalingstermijn de afgelopen jaren in Nederland afgenomen: betalingen boven de zestig dagen vormen volgens onderzoek van EZ 0,07 procent van het totaal. Betalingstermijnen van zeven of veertien dagen komen veel vaker voor.

Juridische wegen om tijdige betaling, in die enkele gevallen dat betaling op zich laat wachten, af te dwingen zijn er. Maar ondernemers kiezen vaak eerder voor een goede relatie met de opdrachtgever dan voor een procedure: daar zal een aanscherping van de wet niets aan veranderen. Zij die wel de gang naar de rechter willen maken, lopen aan tegen torenhoge griffierechten. Die kosten verhouden zich op geen enkele manier tot kleine vorderingen: voor een vordering van 501 euro is een ondernemer namelijk 471 euro kwijt aan griffierecht. Hoog tijd  dat de wetgever deze kosten naar beneden brengt.

Verder komt het vaak voor dat belangrijke opdrachtgevers in hun inkoopvoorwaarden opnemen dat leveranciers hun vorderingen niet mogen aanbieden als onderpand voor financiering. Dat heet een verpandingsverbod. Zonder dat verbod zouden opdrachtgevers niet weten wie ze nou uiteindelijk moeten betalen: de bank (of factormaatschappij) of de ondernemer. Terecht, maar dit beperkt wel de financieringsruimte van mkb-ondernemers. In onze buurlanden is de wet inmiddels aangepast. Mkb’ers kunnen daar alle facturen aanbieden ter financiering, terwijl hun opdrachtgevers blijven gevrijwaard van administratieve rompslomp. Tijd dat dit in Nederland ook gebeurt.