Wetsvoorstel implementatie richtlijn aandeelhoudersrechten, brief aan de VC voor Justitie en Veiligheid van de Eerste Kamer

05-09-2019

Zeer geachte heer, mevrouw,

 

Op 10 september staat bij uw Commissie gepland de inbreng voor nader voorlopig verslag voor het wetsvoorstel dat de EU-richtlijn aandeelhoudersrechten implementeert (35 058). Het wetsvoorstel is gericht op beursgenoteerde ondernemingen en bevat onder andere nieuwe regels ten aanzien van het door die ondernemingen op te stellen beloningsbeleid en het beloningsverslag. Graag brengen wij een aantal punten onder uw aandacht.

 

1. Bezoldigingsverslag

VNO-NCW maakt zich zorgen over onduidelijkheid die is ontstaan door uitlatingen over het tijdstip waarop voor het eerst een bezoldigingsverslag volgens de nieuwe regels moet worden opgesteld. In de kern komt dit erop neer dat het erop lijkt dat beursvennootschappen over het boekjaar 2019 volgens de Minister een bezoldigingsverslag moet opstellen dat voldoet aan het nieuwe artikel 135b, terwijl het beloningsbeleid nog gebaseerd is op de ‘oude’ artikelen. Daardoor is er geen aansluiting tussen de inhoud van het beleid en de onderdelen van het beleid waarover verslag moet worden gedaan.

 

Wij zouden het zeer op prijs stellen als u het ertoe zou kunnen leiden dat de Minister aangeeft dat die nieuwe voorschriften voor het opstellen van het bezoldigingsverslag gaan gelden voor het bezoldigingsverslag over het boekjaar 2020 en dat dat bezoldigingsverslag dus in 2021 aan de algemene vergadering moeten worden voorgelegd ter adviserende stemming.

 

In de bijlage treft u een nadere toelichting aan op dit verzoek.

 

2. Bezoldigingsbeleid

Bij de plenaire behandeling van het wetsvoorstel heeft de Tweede Kamer twee amendementen aangenomen waardoor twee nationale koppen zijn toegevoegd aan het wetsvoorstel. VNO-NCW betreurt dit ten zeerste. Beide amendementen betreffen de vaststelling van het beloningsbeleid.

 

Stemming over bezoldigingsbeleid
Artikel 135a lid 2 bepaalt dat het bezoldigingsbeleid ten minste ieder vier jaar opnieuw aan de aandeelhoudersvergadering ter stemming moet worden voorgelegd. Bij amendement 25 is aan lid 2 een zin toegevoegd inhoudende dat voor de vaststelling van het bezoldigingsbeleid een meerderheid van ten minste drie vierden van de uitgebrachte stemmen is vereist. Zonder het amendement zou een gewone meerderheid van 50% + 1 stem vereist zijn. Blijkens de Memorie van Antwoord (35 058,C, p. 2/3) vereisen Duitsland, het VK en Frankrijk een gewone meerderheid van stemmen voor het vaststellen van het bezoldigingsbeleid.

 

Deze meerderheid wordt niet voorgeschreven door de richtlijn en vormt dus een nationale kop, die door de ons omringende landen niet wordt gehanteerd. Bovendien doet de aldus versterkte meerderheid op een voor aandeelhouders steeds belangrijker onderwerp, afbreuk aan de rechten van aandeelhouders die (alleen of tezamen) een reguliere meerderheid van 50% + 1 stem bezitten.

 

Adviesrecht OR

Bij amendement 27 is aan artikel 2:135a, lid 3 een nieuw lid toegevoegd, waarmee aan de ondernemingsraad een adviesrecht wordt toegekend ten aanzien van het bezoldigingsbeleid. Indien de vennootschap het advies van de ondernemingsraad niet opvolgt, dient zij dit schriftelijk aan de algemene vergadering te onderbouwen. Wij menen dat het toekennen van het adviesrecht overbodig is naast de al bestaande rechten van de OR ten aanzien van het bezoldigingsbeleid.

 

Onder het thans geldende recht bestaat er immers al een zeer vergelijkbare regeling, waarbij de ondernemingsraad haar standpunt mag bepalen, dat aan de aandeelhoudersvergadering wordt verstrekt¹.

 

De meerwaarde van het nu bij amendement aan het implementatiewetsvoorstel toegevoegde adviesrecht voor de OR lijkt dan ook vooral te zitten in de eis dat een afwijking van het advies wordt toegelicht door de vennootschap. Die toelichting van de vennootschap wordt vanzelfsprekend nu ook verwacht op het door de OR aangeboden en in de aandeelhoudersvergadering toegelichte standpunt.

 

De toegevoegde waarde van de nu bij amendement aan het implementatievoorstel toegevoegde bepaling ten opzichte van al bestaande wetgeving is derhalve gering en leid tot een ‘rommelig’ geheel aan regelgeving: De OR moet dan zowel om advies worden gevraagd als - zie noot 1 - de gelegenheid krijgen een standpunt voor te bereiden (dat logischerwijs gelijk zal zijn aan het advies) en dat standpunt (en dus het advies?) toe te lichten in de aandeelhoudersvergadering. VNO-NCW is voorstander van heldere en eenduidige wetgeving en meent dat het wetsvoorstel daar op dit punt niet aan voldoet. Bovendien wordt het adviesrecht niet door de richtlijn voorgeschreven en vormt het dus een nationale kop.

 

Concluderend is VNO-NCW van mening dat zowel de meerderheid van drie vierden bij de stemming over het bezoldigingsbeleid als het adviesrecht van de OR over het bezoldigingsbeleid niet in het wetsvoorstel thuishoren.

 

Hoogachtend,

 

G. Dolsma
Waarnemend directeur Economische Zaken

 


 

¹ Sinds 1 juli 2010 moet de OR immers voor de oproeping van de aandeelhoudersvergadering in de gelegenheid worden gesteld een standpunt over het bezoldigingsbeleid te bepalen en dat standpunt moet tegelijk met het voorstel tot vaststelling van het bezoldigingsbeleid aan de aandeelhoudersvergadering worden aangeboden (artikel 2: 135,2 BW). De OR heeft vervolgens het recht om zijn standpunt in de aandeelhoudersvergadering toe te lichten [ook wel ‘het spreekrecht’ genoemd]. Bovendien moet er sinds 1 januari 2019 ten minste eenmaal per jaar in de overlegvergadering (tussen bestuur en OR) in ieder geval besproken de hoogte en de inhoud van arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken met het bestuur.