Standpunt VNO-NCW inz. het EU-voorstel voor de herziening van het Emission Trading System

14-10-2015

De noodzaak van het terugdringen van de wereldwijde CO2-emissies om zo de stijging van de gemiddelde wereldtemperatuur te beperken tot een maximum van 2°C wordt door VNO-NCW volledig onderschreven. De Europese Unie levert hier een bijdrage aan door haar CO2-uitstoot in 2030 met 40% te hebben teruggebracht ten opzichte van het niveau van 1990. Dit hebben Europese regeringsleiders in oktober 2014 met elkaar afgesproken.

VNO-NCW staat volledig achter het ETS als het Europese instrument om (voor de deelnemende sectoren) deze emissiereductie af te dwingen en ondersteunt de totstandkoming van een betekenisvolle en met de economische ontwikkelingen meebewegende CO2-prijs binnen het ETS; dit wel onder de absolute voorwaarde dat de concurrentiepositie en het investeringsklimaat van de grootschalige maakindustrie worden gewaarborgd.

Tot zorg van VNO-NCW wordt aan deze voorwaarde in het voorstel van de Europese Commissie voor herziening van het EU ETS in onvoldoende mate voldaan. Uitgangspunt zou moeten zijn dat internationaal concurrerende bedrijven (zogenaamde carbon leakage-bedrijven) op basis van reële benchmarks en recente productie 100% van de benodigde rechten krijgen toegewezen. Dit is ook de afspraak in het Energieakkoord voor duurzame groei. Echter, op basis van de huidige voorstellen komt de industrie rechten tekort. In de huidige handelsperiode is een zgn. cross-sectorale correctiefactor toegepast waardoor zelfs de meest efficiënte bedrijven tot 18% gekort worden. Dit moet in de volgende handelsperiode worden voorkomen.

De voorstellen van de Europese Commissie moeten daarom in ieder geval op de volgende punten worden aangepast:

  • Om 100% allocatie op basis van recente productie en realistische benchmarks mogelijk te maken moeten meer rechten beschikbaar komen voor de industrie door:
    • De vaste verhouding tussen de rechten die op de veiling worden gebracht en die voor gratis allocatie voor de industrie beschikbaar zijn, flexibel te maken.
    • Rechten in het MSR beschikbaar te maken voor gratis toewijzing aan de industrie.
  • De benchmarks moeten opnieuw worden vastgesteld, waarbij rekening gehouden wordt met daadwerkelijk geboekte en realistische technologische vooruitgang.
    1. ETS centraal instrument voor reductie CO2-emissies

      Het ETS moet voor de deelnemende sectoren het centrale instrument zijn om emissiereductie af te dwingen. Het ETS bepaalt dat de ruimte die bedrijven hebben om CO2 uit te stoten jaarlijks afneemt. Dit geldt voor alle deelnemende bedrijven: van de energiesector tot de industrie (o.m. staal, chemie, papier, voedingsmiddelenindustrie, glas, raffinaderijen en cement).

      Bedrijven uit de Europese Unie kunnen onderling handelen in emissierechten. Dit is voor het Nederlandse bedrijfsleven essentieel, want zo wordt CO2-besparing daar gerealiseerd waar deze het goedkoopst is en ontstaat er voor deze bedrijven een gelijk speelveld op Europees niveau. Vraag en aanbod op de CO2-markt levert een CO2-prijs op; het steeds verder dalende Europese CO2-emissieplafond garandeert dat de vooraf vastgestelde doelstelling wordt gerealiseerd.

      VNO-NCW ondersteunt de totstandkoming van een betekenisvolle en met de economische ontwikkelingen meebewegende CO2-prijs binnen het ETS, onder voorwaarde dat de concurrentiepositie van de grootschalige maakindustrie wordt gewaarborgd.

      Op dit moment is de CO2-prijs in het ETS lager dan oorspronkelijk was voorzien. Dit is het gevolg van de economische crisis, bedrijven die buiten de EU emissies gereduceerd hebben en in ruil hiervoor CO2-rechten hebben gekregen, de verschillende nationale regelingen voor subsidiering van hernieuwbare energie en een aantal weeffouten in het ETS.

      Daarom is door de EU-lidstaten en het Europees Parlement besloten tot het instellen van een Marktstabiliteitsreserve (MSR). Het MSR haalt direct rechten uit de CO2-markt en bepaalt jaarlijks aan de hand van de hoeveelheid rechten in omloop of er rechten naar de markt zullen worden gebracht of dat er juist extra rechten uit zullen worden gehaald. De verwachting is dat dit – net als de hogere doelstelling voor CO2-reductie in 2030 – tot een hogere CO2-prijs zal leiden.
       

    2. Investeringsklimaat en concurrentiepositie grootschalige maakindustrie

      De industrie staat voor een enorme verduurzamingsopgave. Innovatie is noodzakelijk om doorbraaktechnologieën te ontwikkelen; grote (her)investeringen zijn nodig om deze technologieën vervolgens op grotere schaal toe te passen. VNO-NCW wil dat deze innovatieve toepassingen in Nederland worden ontwikkeld en dat bedrijven ervoor kiezen om in Nederland te investeren in duurzame en koolstofarme productielocaties.

      Het ETS moet daarom bedrijven die wereldwijd vooroplopen op het gebied van koolstofarme productietechnologie, en (willen) produceren in Europa, belonen en niet bestraffen. Het ETS speelt namelijk een belangrijke rol bij beslissingen om in Europa, of juist ergens anders te investeren.

      Omdat op dit moment de prijzen voor zowel gas- en elektriciteit als voor CO2 in de Europese Unie aanzienlijk hoger zijn dan in andere delen van de wereld staan de concurrentiepositie en het investeringsklimaat van de industrie flink onder druk. Als dit tot gevolg heeft dat Europa vervolgens energie-intensieve producten importeert uit landen zonder CO2-regulering, levert dit een nettoverlies op in termen van CO2-reductie en een nettoverlies aan economische activiteit: zgn. carbon leakage of investment leakage.

      VNO-NCW is daarom een groot voorstander van de totstandkoming van een internationaal klimaatakkoord eind dit jaar in Parijs dat zorgt voor een wereldwijk gelijkspeelveld tussen de verschillende industriële sectoren op het gebied van CO2-beprijzing. Gezien de positieve uitlatingen van de Verenigde Staten en China is de kans op een internationaal klimaatakkoord toegenomen. Echter, de kans dat zo’n akkoord ook een gelijk speelveld voor de internationaal concurrerende industrie oplevert is klein. De VS en China zetten vooralsnog immers vooral in op CO2-reductie in de elektriciteitssector.

      Zolang dat gelijke speelveld er niet is zal de EU zelf moeten zorgen voor de bescherming van de concurrentiepositie van haar grootschalige maakindustrie. Europa is zelf slechts verantwoordelijk voor zo’n 11% van de wereldwijde CO2-uitstoot en kan het wereldwijde klimaatprobleem derhalve (helaas) niet alleen oplossen. De bescherming die het EU ETS biedt aan energie-intensieve bedrijven is op dit moment onvoldoende. In het Energieakkoord voor duurzame groei is dit door alle ondertekenende partijen erkend en wordt een pakket aan maatregelen ter verbetering van het EU ETS voorgesteld:

      "Partijen binnen het Energieakkoord zetten zich in voor een gezamenlijke lobby in Brussel om per 1 januari 2020 het volgende verbeterpakket in het Europese ETS te implementeren. Dit pakket kan alleen in onderlinge samenhang worden overwogen:
      1. een aanscherping van het reductiepad van het ETS-plafond gericht op het bereiken van het langetermijndoel van 80 tot 95% reductie van broeikasgassen voor de hele economie in 2050;
      2. borging van de positie van internationaal concurrerende bedrijven (zogenaamde carbon leakage-bedrijven) door allocatie van 100% gratis rechten op basis van reële benchmarks en werkelijke productie, uitgaande van de best performance in de sector;
      3. compensatie van de indirecte (elektriciteits)kosten, uitgaande van de best performance in de sector."

       

    3. Beoordeling voorstel Europese Commissie voor herziening EU ETS

      De afspraken uit het Energieakkoord komen slechts voor een deel terug in de voorstellen van de Europese Commissie.

      3.1 Aanscherping van het reductiepad van het ETS-plafond De zgn. lineaire reductiefactor (LRF) wordt in de voorstellen van de Europese Commissie aangescherpt van 1,7% naar 2,2% per jaar. Dit garandeert dat de gezamenlijke uitstoot van de aan het ETS deelnemende sectoren in 2030 43% lager is dan in 2005.

      • VNO-NCW steunt het aanscherpen van het reductiepad. Zo blijft Europa op koers om langetermijndoel van 80 tot 95% reductie van broeikasgassen voor de hele economie in 2050 te bereiken.
         

      3.2 Borging van de concurrentiepositie van de internationaal concurrerende bedrijven In de voorstellen van de Europese Commissie wordt het belang van een wereldwijd gelijk speelveld en het borgen van de concurrentiepositie van de industrie weliswaar onderkend, maar de voorstellen zijn onvoldoende om een effectieve bescherming tegen koolstoflekkage (carbon leakage) te garanderen. Zelfs bedrijven die het meest energie- en CO2-efficiënt produceren zullen in de periode 2020-2030 nog emissierechten tekort komen en worden zo op een achterstand geplaatst ten opzichte van concurrenten buiten de Europese Unie. VNO-NCW stelt de volgende verbeteringen voor:

      • Om 100% allocatie op basis van recente productie en realistische benchmarks mogelijk te maken moeten meer rechten beschikbaar komen voor de industrie door:
        • De vaste verhouding tussen de rechten die op de veiling worden gebracht en die voor gratis allocatie voor de industrie beschikbaar zijn, flexibel te maken;
        • Rechten in het marktstabiliteitsreserve (MSR) beschikbaar te maken voor gratis toewijzing aan de industrie.
           

        Het beschikbaar stellen van extra rechten aan de industrie heeft geen impact op de doelstelling van het EU ETS als geheel of op de CO2-prijs. De totale hoeveelheid aanwezige rechten in de markt blijft gelijk.
         

      • De benchmarks moeten opnieuw worden vastgesteld, waarbij rekening gehouden wordt met daadwerkelijk geboekte en realistische technologische vooruitgang De benchmarks spelen een cruciale rol in het EU ETS; zij zorgen ervoor dat bedrijven een prikkel hebben om te blijven innoveren door bedrijven die het meest efficiënt kunnen produceren de meeste rechten toe te kennen. De Europese Commissie heeft gekozen voor een boekhoudkundige methodiek voor aanpassing van de benchmarks waarbij de benchmarks voor alle sectoren op een gelijke wijze (1% per jaar) wordt aangepast. Hiermee raken de benchmarks de aansluiting kwijt op de werkelijke ontwikkelingen in de verschillende sectoren en verliezen zij aan waarde. Het gevolg kan zijn dat een bedrijf dat, hoewel het een wereldwijde koploper is op het gebied van CO2-efficiënte productie, toch wordt benadeeld ten opzichte van de concurrentie in andere delen van de wereld.
         
      • Het vaststellen van nieuwe productbenchmarks moet worden gestimuleerd Op dit moment zijn ervoor een aantal sectoren nog geen productbenchmarks vastgesteld. Dit leidt ertoe dat bedrijven die een technologische voorsprong hebben hier onvoldoende voor worden beloond. Dit levert bovendien lagere administratieve lasten op.
         
      • Toewijzing van emissierechten moet plaatsvinden op basis van recentere productiegegevens De Europese Commissie kiest er voor om de toewijzing van emissierechten te baseren op productiecijfers die relatief ver in het verleden liggen. Voor de eerste vijf jaar (2020-2025) wordt toewijzing gebaseerd op de productie in de periode 2013-2017 en voor de tweede periode (2025-2030) op productie in de periode (2018-2022). Dit is een verbetering ten opzichte van de huidige methodiek waarbij de toewijzing voor zeven jaar vaststaat. Echter, het is mogelijk om toewijzing van emissierechten nog beter te aan te laten sluiten op daadwerkelijke productie. Bijvoorbeeld door de toewijzing in enig jaar (t) te baseren op de productiecijfers van twee jaar daarvoor (t-2). Zo wordt voorkomen dat bedrijven meer rechten krijgen dan ze daadwerkelijk nodig hebben voor hun productie (<i) en wordt bedrijven die hun productie willen uitbreiden verzekerd dat zij daarvoor ook gratis rechten toegewezen krijgen. Dit is belangrijk om investeringen in efficiënte productietechnologie in Europa te laten plaatsvinden.
         
      • Verlaag de drempelwaarden van de New Entrants Reserve De reserve voor nieuwe toetreders (het New Entrants Reserve (NER)) kan in de voorstellen van de Europese Commissie ook worden gebruikt voor het verstrekken van extra rechten bij significante productie-uitbreiding van een bedrijf. VNO-NCW beoordeelt dit als positief. Hiermee wordt het systeem dynamischer en sluit het beter aan op de werkelijke situatie van bedrijven. Echter, de drempelwaarden van de NER voor productie-uitbreiding zijn met te hoog (in het voorstel van de Commissie: 50%). Een betere drempelwaarde zou 5-15% zijn. Dit betekent overigens ook dat als een bedrijf minder produceert, het ook minder rechten krijgt.
         
      • Kwalitatieve beoordeling moet mogelijk blijven bij vaststellen Carbon Leakage List De lijst met sectoren die in aanmerking komen voor toewijzing van gratis emissierechten – de Carbon Leakage List – wordt door de Europese Commissie vastgesteld. De Europese Commissie stelt een aantal aanpassingen voor van de methodologie: alleen op basis van handelsintensiteit komen sectoren niet meer in aanmerking, CO2-intensiteit vervangt CO2-kosten en de mogelijkheid voor een kwalitatieve beoordeling wordt geschrapt. Zo worden alleen sectoren die daadwerkelijk risico lopen op carbon leakage beschermd. VNO-NCW steunt de vormgeving van de nieuwe criteria. Echter, het moet voor sectoren mogelijk blijven om ook op kwalitatieve gronden opgenomen te worden in de lijst. Dit geldt in het bijzonder voor NACE-codes met meer dan 4 cijfers, waar zeer verschillende productgroepen onder vallen.
         

      3.3 Compensatie van indirecte (elektriciteits)kosten
      De Europese Commissie kiest ervoor om de compensatie van de indirecte elektriciteitskosten die voortkomen uit het EU ETS over te laten aan de individuele lidstaten. Dit levert een ongelijk Europees speelveld op. Lidstaten zouden daarom verplicht moeten worden om compensatie te verstrekken volgens geharmoniseerde regels.

Voor informatie: W.A.M. de Goede MSc, +31 70 349 03 65 / goede@vnoncw-mkb.nl