Maatregelen ten behoeve van een balans tussen zelfregulering en overheidstoezicht, brief aan de heer van Vollenhove

18-07-2017

 Hooggeachte heer Van Vollenhoven,

 

Graag reageer ik desgevraagd op de in uw inleiding ‘Zelfregulering, maar géén gesjoemel’ voorgestelde maatregelen die een balans beogen tussen zelfregulering en overheidstoezicht.

 

Zelfregulering

Zelfregulering betekent dat bedrijven verantwoordelijkheid nemen door zelf regels op te stellen, uit te voeren en te handhaven. In dit geval ziet dit specifiek op externe veiligheid, arbeidsveiligheid en brandveiligheid voor zover zij daarover controle kunnen uitoefenen. Het ontbreken van regulering vanuit de overheid betekent dan ook niet dat er geen toezicht en handhaving is. Sterker nog, door zelfregulering kan handhaving worden verbeterd. Ik ben – net als u – van mening, dat zelfregulering noodzakelijk is, aangezien de overheid alleen de veiligheid niet kan garanderen. Voor BRZO-bedrijven sluit de noodzaak van zelfregulering ook aan bij de algemene verplichtingen van de exploitant, die worden genoemd in artikel 5 van de Europese Seveso III-richtlijn. Een exploitant moet alle nodige maatregelen nemen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken. Ook moet hij te allen tijde tegenover de bevoegde autoriteit kunnen aantonen, dat hij alle in de genoemde richtlijn aangegeven noodzakelijke maatregelen heeft getroffen.

 

Bedrijven nemen hun rol bij veiligheid zeer serieus

Onder leiding van VNO-NCW loopt sinds 2011 het programma ‘Veiligheid Voorop’, bedoeld om de veiligheidscultuur bij BRZO-bedrijven verder te verbeteren. In sommige bedrijven wordt de CEO ook afgerekend op de veiligheidsprestatie van zijn onderneming. De zorg voor veiligheid is een gedeelde verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven en de overheid. Niets wijst erop dat bedrijven op grote schaal deze verantwoordelijkheid uit de weg gaan, doordat ze de - door henzelf opgestelde - regels niet zouden volgen of zelfs moedwillig zouden overtreden. In dat licht heb ik de door u voorgestelde maatregelen beoordeeld. Daarbij richt ik mij met name op BRZO-bedrijven.

 

  1. Geen verkokering

In mijn brief van 2 februari 2016 heb ik er reeds op gewezen dat BRZO-bedrijven te maken hebben met verschillende inspecties en ministeries voor wat betreft arbeidsveiligheid, externe veiligheid en brandveiligheid. Deze verkokering leidt ertoe dat bedrijven streven naar maximale integrale veiligheid op basis van risicomanagement, terwijl inspecties sectoraal opereren en daarbij veelal maatregelen eisen die vaak maar één aspect van veiligheid optimaliseren en daarbij niet altijd goed onderscheid lijken te maken tussen hoofd- en bijzaken. Dat leidt regelmatig tot investeringen die niet wezenlijk tot meer veiligheid bijdragen. Daarbij komt, dat soms vraagtekens kunnen worden gezet bij de professionaliteit en deskundigheid van de inspecteurs in hun aanpak van calamiteiten. De vier door u voorgestelde maatregelen die betrekking hebben op een betere regierol van de overheid sluiten met enige nuancering aan op mijn brief.

 

  1. Eén veiligheidsinspectie

Eén coördinerend minister voor veiligheid (maatregel 1) en meer eenheid bij het extern (overheids)toezicht (maatregel 3) heeft mijn voorkeur waar het gaat om BRZO-bedrijven, maar een soortgelijk resultaat zou ook kunnen worden bereikt als er één onafhankelijke, deskundige BRZO-veiligheidsinspectie komt met één directeur, die is gemandateerd door de drie betrokken ministers (BZK, IenM en SZW) en aan hen rapporteert. Het zou al een flinke stap vooruit zijn, als bedrijven incidenten op één wijze kunnen melden bij deze inspectie, die vervolgens een integrale risico-analyse uitvoert. Deze veiligheidsinspectie moet worden betaald uit de algemene middelen, zoals volgt uit het rapport “Maat Houden”, zich onafhankelijk opstellen van beleidsmakers en zich niet inlaten met beleidsvorming.

 

  1. Veiligheidsinstituut en toezichtsacademie

Een onafhankelijk overlegorgaan waarin overheden en BRZO-bedrijven participeren (maatregel 2) is een goed idee, zeker als dat gebeurt in combinatie met een toezichtsacademie (maatregel 4), waar bedrijven en toezichthouders transparant zijn over veiligheidszaken en in situ van elkaar kunnen leren over veiligheid.

 

  1. Transparantie

Mijn indruk is, dat binnen BRZO-bedrijven in vrijheid over veiligheid kan worden en wordt gesproken (maatregel 5). Wel zijn bedrijven vaak terughoudend om informatie met de overheid te delen vanwege de mogelijke strafrechtelijke en bestuursrechtelijke gevolgen. Daarbij maakt de wetgever het bedrijven steeds moeilijker om informatie vrijuit met de overheid te delen. Bedrijven willen informatie vaak graag delen met de overheid, maar niet als de consequentie is dat vitale informatie ook aan willekeurige derden beschikbaar moet worden gesteld. Ik ben dan ook voorstander van een veiligheidscultuur zoals die bekend is in de luchtvaart, waar betrokkenen open zijn over veiligheidsaspecten, omdat van elkaar leren belangrijker is dan sancties.

 

  1. Sterk intern toezicht

Ik ben een sterk voorstander van good governance, maar betwijfel of wettelijke maatregelen nodig zijn om intern toezicht te verbeteren. Het hangt eerder van de bedrijfsleiding af in hoeverre veiligheid prioriteit heeft. Zoals gezegd, wordt de CEO in sommige bedrijven al afgerekend op de veiligheidsprestatie van zijn onderneming. Ik denk dat het goed is om juist de CEO aan te spreken op goed leiderschap, waarvan zorg voor veiligheid bij BRZO-bedrijven een belangrijke component is.

 

  1. Goed risicomanagement

Het eenduidig regelen van risicomanagement sluit goed aan bij een governance structuur met één (integrale) veiligheidsinspectie. Mij is nog niet duidelijk welke beginselen de SMV precies voor ogen staan, maar als er een veiligheidsinspectie en een veiligheidsinstituut komen, kan daarover in die gremia verder worden nagedacht. Dit past ook wel in het traject Veiligheid 2030, waarin het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, VNO-NCW en enkele branches een lange termijn visie willen ontwikkelen. In dat verband gaat ABDTOPConsultants (Mark Dierikx) proberen een ideaalbeeld voor 2030 neer te zetten.

 

Conclusie

Het was mij een genoegen om uw visie op het veiligheidsdebat te lezen en hoop daaraan met deze reactie een steentje te hebben bijgedragen. Mij lijkt dat we de uitgangspunten van de notitie en de voorgestelde maatregelen met de genoemde nuances in het algemeen kunnen steunen.

 

 

Hoogachtend,

 

Drs. J. de Boer

Voorzitter VNO-NCW