De bouwopgave voor Nederland, brief aan de VC voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer

10-04-2018

Hoogedelgestrenge dames en heren,

 

Op 12 april overlegt uw Kamer over de bouwopgave voor Nederland. In een brief aan de Tweede Kamer geeft het kabinet aan hoe de woningbouw meer prioriteit moet krijgen. Een goede stap, want het tekort aan woningen is nijpend. Maar de realisatie valt of staat met een aanpak die niet losstaat van de andere grote transities met betrekking tot de klimaatopgave of mobiliteit die tegelijkertijd ruimtelijk moeten worden ingepast, én waarbij het Rijk duidelijk als regisseur kan optreden.

 

Grote transities vragen om een strategische visie, integrale aanpak en regie vanuit het Rijk

Naar verwachting zijn er in 2030 18 miljoen inwoners in Nederland. Dit betekent dat er 900.000 huishoudens bij zullen komen ten opzichte van vandaag. En dat er hiervoor tussen de 80.000 en 85.000 nieuwe (klimaatneutrale) woningen per jaar zullen moeten worden gebouwd. Een belangrijk deel daarvan zal in de grote steden moeten gebeuren. Dat moet zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid van Nederland.

 

De ruimtelijke implicaties van deze woningbouwopgave (inclusief de bereikbaarheidsopgave), de vermindering van de CO2-uitstoot (inclusief het belang van voldoende duurzame stroomproductie) en het inspelen op de gevolgen van klimaatverandering vragen om een integrale visie vanuit het Rijk – een Deltaplan voor de fysieke leefomgeving. Deze visie moet tot stand komen samen met gemeenten en provincies en maatschappelijke organisaties, ondernemingsorganisaties en kennisinstituten. Hierbij kan worden voortgeborduurd op reeds bestaande initiatieven als de Bouwagenda.¹

 

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is in beginsel het aangewezen instrument voor het Rijk om regie te nemen bij de aanpak van deze ingrijpende transities. Echter, de NOVI is onderdeel van de Omgevingswet die pas per 2021 zal gelden. Daar kan niet op worden gewacht. Op dit moment zijn de gesprekken over het Klimaatakkoord van start gegaan. Dat moet binnen een aantal maanden leiden tot een akkoord en de bedoeling is dat de uitvoering van het Klimaatakkoord in 2019 van start gaat. Veel van de afspraken daarin zullen grote ruimtelijke impact hebben. Wij pleiten er dan ook voor dat het kabinet bevordert dat de NOVI al in de eerste helft van 2019 gereedkomt, parallel aan de start van de uitvoering van het Klimaatakkoord.

 

Om te borgen dat deze integrale strategische visie vervolgens ook werkelijkheid kan worden, bepleiten wij verder dat in de NOVI expliciet de sturing en verantwoordelijkheidsverdeling tussen de verschillende overheden goed gedefinieerd en uitgewerkt wordt. Wij stellen ons voor dat dit op hoofdlijnen in de praktijk als volgt vorm krijgt:

  • Gemeenten en provincies krijgen de uitnodiging om het voortouw te nemen, waarbij zij dat samen doen met maatschappelijke organisaties, ondernemingsorganisaties en kennisinstituten. Op deze wijze kan lokaal en regionaal maatwerk worden geleverd.
  • De partijen moeten binnen een vooraf bepaalde periode komen met een plan met locaties en bijbehorend investeringsprogramma waarin ook wordt aangegeven wat er aan eventuele onrendabele toppen is. Zo kan het Rijk ter stimulering een budget ter beschikking stellen ter gedeeltelijke dekking van de onrendabele top van strategische binnenstedelijke transformaties en voor infrastructurele voorzieningen.
  • Komen partijen er niet uit, dan vormt het NOVI voor het Rijk de basis om onder het huidige recht en straks onder de Omgevingswet maatregelen te nemen die de andere overheden binden.

Deze aanpak met eigen verantwoordelijkheid en 'probleemeigenaarschap' bij de verschillende overheden zal leiden tot een effectieve aanpak en uitvoering. Dit in tegenstelling tot de huidige situatie waarbij vanwege vergaande decentralisatie vaak sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid wat er in de praktijk veelal toe leidt dat niemand zich verantwoordelijk voelt voor het geheel, waardoor een integrale aanpak niet effectief kan worden gerealiseerd.

 

Daarnaast moet een integrale aanpak voor de fysieke omgeving kunnen rekenen op duurzame politieke daadkracht en prioritering om effectief te kunnen zijn. Het gaat immers om onderwerpen van nationaal belang. Het Rijk zal de doelstellingen van de NOVI daarom nauwlettend moeten bewaken en de Tweede Kamer periodiek over de uitvoering en voortgang moeten rapporteren en bereid zijn om potentiële inbreuken op of strijdigheid met hogere (nationale) belangen op decentraal niveau zo veel mogelijk te voorkomen en uiteindelijk met instructieregels te corrigeren.

 

Prioriteit voor woningbouw

In dit kader steunen VNO-NCW en MKB-Nederland het voornemen van de minister om het aanjagen van de woningbouwproductie prioriteit te geven. Het Rijk heeft met de decentrale overheden een gedeelde verantwoordelijkheid zorg te dragen voor een passende en betaalbare woning voor iedereen op ieder moment in de levensloop. De woningbouwproductie loopt al jaren achter bij de vraag, waardoor in 2018 het woningtekort is opgelopen tot zo'n 200.000 woningen.

 

Dit leidt ertoe dat er voor verschillende groepen momenteel op de woningmarkt weinig meer te kiezen valt. Denk bijvoorbeeld aan starters en flexwerkers die te veel verdienen om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning, maar die niet willen of kunnen kopen. Of ouderen met een eigen woning die hun vermogen willen verzilveren, respectievelijk huishoudens met een middeninkomen in een sociale huurwoning, maar die geen geschikte woning kunnen vinden in het vrije huursegment. Bij ongewijzigd beleid dreigen vele groepen niet aan een woning te kunnen komen, of te kunnen verhuizen naar een woning die bij hun past.

 

Door de crisis, ingrijpend woningmarktbeleid, bezuinigingen en lastenverzwaringen is er jarenlang te weinig gebouwd en is de afstand naar de noodzakelijke 80.000 tot 85.000 extra woningen per jaar nog groot. Bovendien wordt op dit moment meer dan de helft van de 900.000 extra benodigde woningen in de Randstad geprojecteerd². Hierbij dient bijvoorbeeld te worden bedacht dat binnenstedelijk bouwen relatief duur is en dat de plan- en besluitvorming over binnenstedelijke projecten ook flink langer duurt. Ook hier helpt effectievere regie vanuit het Rijk en het helpt ook als lokale politici optimaal gebruikmaken van de verruimde wettelijke mogelijkheden van versnelde procedures.

 

Tot slot

Wij verzoeken u bovenstaande bij uw overwegingen te betrekken tijdens het Algemeen Overleg van 12 april. Uiteraard zijn wij te allen tijde beschikbaar voor het geven van een nadere toelichting.

 

Een afschrift van deze brief is verstuurd naar de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

 

Hoogachtend,

 

Jeroen Lammers
Directeur Economische Zaken


¹ E.g. de 'wijkaanpak' t.a.v. de gebouwde omgeving

 

² In hoeverre de bouwopgave écht allemaal in de grote steden zal plaatsvinden, is mede afhankelijk van andere transities. Te denken is aan een infrastructuur die de Randstad eenvoudig en binnen een uur bereikbaar maakt vanuit alle delen van het land.