Brief aan minister Plasterk over wetsvoorstel Wet op de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV)

31-08-2015

Excellentie, 

Op 2 juli 2015 heeft uhet wetsvoorstel Wet op de Inlichtingen-en veiligheidsdiensten (WIV) ter consultatie voorgelegd. VNO-NCW en MKB-Nederland waarderen de gebodenmogelijkheid omhun zienswijze op het wetsvoorstel te geven. Inbrede zin zijn VNO-NCW en MKB-Nederland van mening dat de inlichtingen-en veiligheidsdiensten over voldoende bevoegdheden dienen te beschikken om hun taken op een effectieve manier te kunnen uitoefenen. Zij vragen zich echter af of de in dit wetsvoorstel voorziene vergaande uitbreiding van de bevoegdheden van de diensten in alle gevallen noodzakelijk en proportioneel is. Maatvoering is essentieel om enerzijds de belangen inhet kader van de nationale veiligheid te beschermen, maar tegelijkertijd de belangen van de betreffende ondernemingen, personen en inhet algemeen ons investeringsklimaat te borgen. Het gaat dan onder meer ommaatvoering in de reikwijdte van de bevoegdheden (wie vallen onder de wet, wat mag van een bedrijf gevraagd worden) en maatvoering inkosten (deze mogen niet grotendeels op het bedrijfsleven worden afgewenteld). Daarbij zullen risico's voor bedrijven, zoals aansprakelijkheid jegens gebruikers of verlies van bedrijfsgevoelige informatie, zoveel mogelijk beperkt moeten worden. Specifiek levert de wijziging van de wet de volgende vragen en opmerkingen op: 

 

• De in dit wetsvoorstel voorziene uitbreiding van de bijzondere bevoegdheid van de diensten om 'in bulk' het kabelgebonden verkeer af te tappen is verregaand. 

De enkele constatering dat tegenwoordig verreweg het grootste deel van de communicatie via kabelnetwerken verloopt, vormt naar onze meninghiervoor onvoldoende rechtvaardiging. De huidige, gerichte internettap biedt ons inziens voldoende mogelijkheden voor de diensten om hun taken te kunnen uitvoeren. Wij vragen de minister dan ook om een onderbouwing van nut, noodzaak én effectiviteit van deze vergaande aanpassingen. VNO-NCW en MKB-Nederland zijnbezorgd over de effecten die deze wetgeving zal hebben op het investeringsklimaat inNederland, inhet bijzonder voor de internettechnologiesector. De Nederlandse digitale infrastructuur en de bedrijvigheid die dit met zich mee brengt, zijn van groot belang voor onze economie. De betekenis van het huidige voorstel op het vereiste vertrouwen van bedrijven om online te communiceren en zaken te doen is onvoldoende onderzocht. 

 

• Risico voor ondernemingen is dat bedrijfsvertrouwelijke informatie waaronder economisch waardevolle intellectuele eigendom weglekt. Naast openbare telecommunicatienetwerken kunnen ook aanbieders van overige communicatiediensten worden gedwongen om mee te werken aan de uitvoering van een toestemming tot aftappen of opnemen van telecommunicatie die over de telecomnetwerken wordt afgewikkeld. Ingevolge artike177, lid 2 kan afgetapte informatie vervolgens aan derden (andere inlichtingendiensten) worden doorgegeven. Graag vernemen wij van de minister welke garanties het wetsvoorstel biedt om het weglekken van bedrijfsvertrouwelijke informatie te voorkomen. 

 

• Een ander risico is dat de diensten nieuwe bevoegdhedenkrijgen om bepaalde technische voorzieningen aan te brengen. Het risico bestaat dat daarmee ook geautomatiseerde werken van derden (zoals telecom aasbieders) aanpassingen kunnen ondergaan die hen buiten hun wil en buiten hun macht strafbaar maken vanuit verschillende zorgplichten (privacy, cybersecurity). 

 

• Een ander niet uit te sluiten risico is dat andere partijen de `voorzieningen' gaan misbruiken die de diensten hebben aangelegd, waarbij debetrokken aasbieder als schuldige wordt aangemerkt, met alle wettelijke gevolgen van dien, denk aan vervolging of aansprakelijkstelling. Zelfs als de aasbieder op de hoogte is van de voorzieningen verlet de geheimhoudingsplicht van aasbieder om zich effectief te verdedigen. 

 

• De verplichting voor ondernemingen om mee te werken aan de ontsleuteling van 

communicatie en gegevens en/of het opleveren van sleutels brengt de 

ondernemingen in een lastigparket. Allereerst is het vrijmaken van sleutels voor transport veelal onmogelijk omdat die sessie-gebonden en vluchtig zijn. Of zij zijn hardwarematig beschermd waardoor vrijmaken tot netwerkuitval zal leiden met alle consequenties van dien. 

 

De verplichte medewerking aan ontsleuteling en/ofhet opleveren van sleutels brengt aanbieders bovendien in direct conflict met de privacy-en cybersecurityzorgplicht die de onderneming jegens de gebruiker heeft. 

 

• Belangrijk zorgpunt is voorts dat de kosten van uitvoering van dit wetsvoorstel vrijwel volledigbij het bedrijfsleven worden gelegd. De zeer beperkte vergoedingsregeling uit het Besluit aftappen openbare Telecommunicatienetwerken en -diensten wordt onverkort van overeenkomstige toepassing verklaard op alle aanbieders van een dienst die over het internet gegevens uitwisselt. Met deze ruim geformuleerde wetteksten is er alle vrijheid zeer veeleisende en vaak kostbare medewerking (consultancy) te claimen zonder dekkende financiële compensatie. Wij dringen er bij u op aan in elk geval eerst via een bedrijfseffectentoets de lasten voor het bedrijfsleven te (laten) berekenen alvorens het voorstel naar de Ministerraad wordt gestuurd. 

 

Aangezien de diensten hun taken uitoefenen in het kader van de bescherming van de nationale veiligheid, hetgeen bij uitstek een overheidstaak is, moeten de kosten van uitvoering van dit wetsvoorstel ons inziens ook voor rekening van de overheid komen. Dit kan ook bijdragen aan het voorkomen van een te snelle inzet van vergaande bijzondere bevoegdheden. 

 

Recentelijk is bij de behandeling van het wetsvoorstel Wet Veiligheidsonderzoeken in de Eerste Kamer gesproken over het vraagstuk van het doorberekenen aan bedrijven van kosten van handelingen en diensten inhet kader van de uitvoering van een overheidstaak. In dit verband roepen wij inherinnering uw toezegging aan de Eerste Kamer om hierover een bestendige beleidslijn, inclusief een afwegingskader, te ontwikkelen. Mocht u naar aanleiding van deze opmerkingen nog vragen hebben, dan zijn wij natuurlijk graagbereid een nadere toelichting te geven. 

 

Hoogachtend, 

 

drs. C. Oudshoorn 

directeur beleid