Betaalbaarheid van de zorg, brief aan minister Bruins (Medische Zorg)

02-11-2018

Excellentie,

 

Met de invoering van de Zorgverzekeringswet heeft iedereen sinds 2006 een basisverzekering, in een stelsel dat gebaseerd is op vraagsturing en gereguleerde concurrentie. De wet Marktordening Gezondheidszorg uit 2006 biedt meer vrijheid aan zorgaanbieders, verzekeraars en patiënten én regels voor gereguleerde concurrentie. Deze wetten volgen een eerder advies van de SER. De SER adviseerde een algemene zorgverzekering in te voeren, waarvoor iedereen wettelijk verplicht is zich te verzekeren. Ook adviseerde de SER over te stappen van aanbod-, prijs- en budgetbeheersing naar vraagsturing en concurrentie: "Dit zijn noodzakelijke en onlosmakelijk met elkaar verbonden maatregelen die de toegang tot de gezondheidszorg op korte en lange termijn voor iedereen kunnen garanderen en die de doelmatigheid en de prijs-kwaliteitverhouding in de zorgsector verbeteren".

 

VNO-NCW en MKB-Nederland constateren dat we met deze stelselwijziging hebben bereikt dat alle Nederlanders toegang hebben tot de beste zorg van de wereld. We zien echter dat prikkels die bijdragen aan vraagsturing en een beheerste kostenontwikkeling gewijzigd worden. Onze zorgen betreffen (a) de discussie over winstuitkering in de zorg en (b) het aan banden leggen van de collectiviteitsafspraken waar veel werkgevers en hun werkenden gebruik van maken.

 

Met deze brief leveren ondernemersorganisaties VNO-NCW en MKB-Nederland ook hun bijdrage aan uw consultatie "winstuitkering zorgaanbieders". Onze leden in de zorg leveren ook separaat hun bijdrage aan deze consultatieronde.

 

1. Investeren in de digitale transformatie van de zorg

Bij gereguleerde concurrentie hoort winstuitkering. VNO-NCW en MKB-Nederland zien graag dat zorgbreed deze lijn mogelijk wordt gemaakt, omdat dat bijdraagt aan de doelstellingen van de Zorgverzekeringswet en daarmee de werking van het stelsel verbetert. De vraagt is daarom niet "of", maar "onder welke voorwaarden" is winstuitkering mogelijk en wenselijk. Dat geldt temeer nu onze gezondheidszorg aan de vooravond van een enorme transformatie door digitalisering staat. Dat vergt echter ook bijbehorende investeringen. Er moeten duidelijke en breed gedragen richtlijnen komen onder welke voorwaarden het aantrekken van eigen vermogen (met dito vergoeding) mogelijk is in het belang van de doelstellingen van de Zorgverzekeringswet: toegankelijke en betaalbare zorg van de beste kwaliteit. De Governancecode Zorg 2017 biedt overigens al richtlijnen voor bestuurders hoe om te gaan met winstuitkering.

 

VNO-NCW en MKB-Nederland vinden verder belangrijk dat er een adequaat overheidstoezicht is, inclusief het tegengaan of aanpakken van machtsconcentratie. Door de digitale transformatie van de gezondheidszorg krijgt data over gezondheid en zorg een grotere economische waarde. Echter, concurrentie hoort naar ons oordeel plaats te vinden op toepassingen op basis van de data, en niet op de toegang of de data zelf: de patiënt zelf is daar immers eigenaar van. We constateren dat in de dagelijkse praktijk van de gezondheidszorg een veilige en makkelijke datauitwisseling over patiënten tussen zorgverleners niet vanzelfsprekend is of met hoge kosten gepaard kan gaan.

In de bijlage bij deze brief wordt ons standpunt toegelicht.

 

2. Collectiviteitsafspraken om werkenden inzetbaar te houden

In de Zorgverzekeringswet is voorzien dat werkgevers voor hun werkenden aanvullende afspraken kunnen maken met zorgverzekeraars. Zij maken, bijvoorbeeld, aanvullende afspraken over extra fysiotherapie bij fysiek zwaar werk of over extra ondersteuning bij diabetes. Zo hopen werkgevers te voorkomen dat hun werkenden uitvallen door ziekte, met alle kosten vandien. Bij sommige werkgevers wordt de zorgpremie ingehouden op het loonstrookje. Dat vermindert risico’s van wanbetaling in de zorg.

 

Dit onderdeel van de Zorgverzekeringswet staat echter al langer ter discussie, omdat het zou bijdragen aan een "woud van polissen" of de solidariteit van het stelsel zou ondergraven. VNO-NCW en MKB-Nederland begrijpen deze zorgen deels wel en deels niet.

 

Het grote aantal collectiviteiten (51.000) komt vooral voort uit de structuur van de werkgelegenheid in Nederland, die namelijk vooral uit MKB bestaat. Volgens het CBS zijn er 1,7 miljoen ondernemingen, waarvan slechts 3220 bedrijven meer dan 250 werkenden in dienst hebben. Het overgrote deel van ondernemingen betreft dus MKB. Het is ook niet zo dat je als werknemer kunt kiezen uit 51.000 collectiviteitspolissen. Voor verzekerden gaat het om een beperkt aantal extra keuzemogelijkheden in aanvulling op het reguliere aanbod, bijvoorbeeld via de werkgever waar men werkt of via de ouderenbond, vakbond of patiëntenvereniging waar men lid van is.

 

We begrijpen goed dat alleen een korting verlenen tot 10% op de nominale zorgpremie, omdat je veel verzekerden verzamelt, niet past in ons solidaire zorgstelsel. Daarom adviseren VNO-NCW, MKB-Nederland en AWVN in hun arbeidsvoorwaardennota aan hun leden om inhoudelijke afspraken te maken die daadwerkelijk bijdragen aan de inzetbaarheid van werkenden.

 

U bent voornemens de maximale korting te verlagen van 10% naar 5% en heeft aangegeven in 2020 nadere maatregelen te overwegen. VNO-NCW en MKB-Nederland hebben hier zorgen bij. Onze belangrijkste wens is dat werkgevers deze afspraken kunnen voortzetten om hun werkenden inzetbaar te houden. Een goed ervaren gezondheid is een belangrijke voorwaarde om langer door te kunnen werken. Door de maximale korting te verlagen wordt het voor werkgevers veel lastiger om hun werkenden te interesseren voor de zorgverzekeraar met wie zij aanvullende afspraken maken.

 

3. Betaalbaarheid van de zorg

Op verzoek van het kabinet zullen we binnenkort in SER-verband aan de slag gaan met de verkenning naar de betaalbaarheid van de zorg. De oplopende zorgpremies raken werkgevers en werknemers direct, omdat zij enerzijds het grootste deel van de zorgkosten financieren en anderzijds relatief het minste gebruik maken van deze zorg: het werkend deel van de bevolking is gemiddeld genomen ook het gezondere deel.

 

Ten eerste verloopt de financiering van de Zorgverzekeringswet voor een belangrijk deel via werkgevers: zij betalen tot 300 euro per maand per werkende aan inkomensafhankelijke zorgpremie (6,90 procent over de eerste €54.614 brutoloon op jaarbasis). Voor alle werkgevers samen is dat 17 miljard per jaar. Deze zorgpremie fungeert als een automatische loonkostenversneller. Ten tweede is er veel maatschappelijke discussie over dat werkenden onvoldoende profijt ervaren van de hoogconjunctuur. Volgens het CPB is de economie tussen 2002 en 2017 met 15 procent gegroeid, terwijl het reëel beschikbaar inkomen per capita in dezelfde periode maar met 2% is toegenomen. Dat verschil komt volgens het CPB voor 2,3%-punt op het conto van gestegen zorgpremies. Stijgende zorgpremies drukken de koopkracht en verdringen particuliere consumptie.

 

Tabel 1: Financiering van kosten van zorg (in miljarden); bron: ministerie VWS

  2018 2019
Burgers (nominale premie Zvw, Wlz-premie, eigen betalingen, deel IAB Zvw) 46,5 48,7
Compensatie burgers door zorgtoeslag -4,6 -5,0
Burgers totaal 42,0 43,7
Werkgevers (inkomensafhankelijke premie Zvw) 17,3 18,2
Burgers en bedrijven (uit belastingen) 13,5 14,8
Totaal 72,8 76,7

 

Ook breder kijkend dan puur vanuit het perspectief van werkgevers en hun werkenden zien we redenen waarom de betaalbaarheid van de zorg een toenemend maatschappelijk probleem wordt.

  • De oplopende zorgpremies zorgen ieder jaar voor méér herverdeling van jong (werkend) naar oud (gepensioneerd) en van midden- en hogere inkomens naar lage inkomens, aldus het CPB. Dat kan niet eindeloos doorgaan en ondergraaft de bereidheid van burgers om solidair te zijn in ons zorgstelsel.
     
  • In de houdbaarheidsstudie van het CPB wordt vanwege de veronderstelling van "constante arrangementen" gerekend met een lagere groei van de zorguitgaven dan in deze kabinetsperiode het geval is (afgezien van beleid). Er is echter géén beleid dat de zorguitgaven ineens doen dalen ná 2021. Worden de zorguitgaven doorgetrokken na 2021, dan vallen de zorguitgaven in 2040 met circa 3% bbp hoger uit. Dat "verborgen houdbaarheidstekort" betekent dat toekomstige generaties opnieuw de dupe zijn: zij moeten ofwel nóg hogere belastingen betalen ofwel accepteren dat de kwaliteit van hun zorg slechter is dan wat zij nu kunnen verwachten.
     
  • NIVEL constateert dat de bereidheid van burgers om solidair te zijn in het zorgstelsel afneemt. Dat geldt dan in het bijzonder met mensen die zich ongezond gedragen (zoals rokers). De oplopende zorgpremies versnellen dat proces en ondergraven de toekomstbestendigheid van ons solidaire stelsel.

Ook vanuit onze maatschappelijke rol hechten VNO-NCW en MKB-Nederland er zeer aan dat de gezondheidszorg voor iedereen betaalbaar en van hoge kwaliteit is en blijft, juist ook voor toekomstige generaties.

 

4. Een "eerlijke loonstrook" maakt de kosten van de zorg beter zichtbaar

Vanuit de Tweede Kamer is er een initiatief om de kosten van de zorg beter zichtbaar te maken. D66 en VVD hebben in het dertigledendebat over de koopkrachtontwikkeling een motie ingediend om te komen tot een "eerlijke loonstrook". Zo'n loonstrook beschrijft de totale loonkosten die de werkgever maakt, welke premies (voor pensioen, zorg, sociale zekerheid) en belastingen daarvan worden betaald, en wat dan per saldo als nettoloon op de bankrekening wordt gestort. Dat initiatief ondersteunen VNO-NCW en MKB-Nederland van harte. Op deze manier kan iedere werkende voortaan zien dat zijn werkgever tot 300 euro per maand aan inkomensafhankelijke zorgpremie betaalt.

 

Er is geen wettelijke verankering nodig omdat de benodigde gegevens in de loonadministratie aanwezig zijn. Ons voorstel is dat met enkele werkgevers en/of sectoren pilots worden uitgevoerd met zo’n "eerlijke loonstrook". Bij de pilots kunnen werkenden worden betrokken, die meekijken hoe hun loonstrook begrijpelijker wordt gemaakt. Na een evaluatie van de pilots kan gekeken worden hoe de "eerlijke loonstrook" breed kan worden toegepast.

 

Een afschrift van deze brief wordt gezonden aan minister Hugo de Jonge en staatssecretaris Paul Blokhuis en aan minister Koolmees.

 

Hoogachtend,

 

 

Mr. H. van de Kraats
Directeur Sociale Zaken