Bedrijfslevenbeleid en wetenschapsbeleid, brief aan de VC voor OCW van de Tweede Kamer

08-02-2016

Geachte dames en heren,

Op donderdag 11 februari spreekt u over innovatie en het bedrijfslevenbeleid met de Minister van Economische Zaken. Op 18 februari praat de Vaste Commissie voor Onderwijs Cultuur en Wetenschap over wetenschapsbeleid.

De samenhang tussen deze beide beleidsterreinen is van groot belang voor onze toekomstige welvaart en welzijn. Ons toekomstig verdienvermogen is immers afhankelijk van de positie die we kunnen innemen in de internationale waardeketen. En de innovatie en technologische maakindustrie vormt daar de kern van en de basis voor veel nieuwe (ICT gedreven) hoogwaardige dienstverlening. Met de typisch Nederlandse vormen van samenwerking (‘gouden driehoek’) tussen wetenschap, bedrijfsleven en overheid hebben we veel weten te bereiken. Dat zullen we even voortvarend moeten doorzetten en vernieuwen de komende jaren.

Daarom willen VNO-NCW en MKB-Nederland de volgende punten voor beide overleggen onder uw aandacht brengen.

1.  Het belang van technologische ontwikkelingen gevoed door R&D voor economische groei zal in de toekomst alleen maar groter worden. De uitgaven aan R&D lopen in Nederland met bijna 2% van het bbp achter op de doelstelling van 2,5% bbp, zowel wat de publieke als de private investeringen betreft. De uitdaging is de publieke middelen zo vorm te geven dat ze een hefboom bieden voor meer private R&D investeringen.

2. Het Nederlandse vestigingsklimaat rondom R&D ligt continue onder een internationaal vergrootglas en wordt door ondernemingen in internationaal perspectief vergeleken. Nederland moet oppassen dat het de slag om R&D-afdelingen van bedrijven niet verliest aan het buitenland.

3. De fiscale innovatie-instrumenten van Nederland zijn (nog) concurrerend. Deze faciliteiten zijn - samen met de wetenschappelijke excellentie en de samenwerking tussen wetenschap en bedrijfsleven - de kern van ons vestigingsklimaat voor innovatie investeringen en moeten daarom behouden blijven. Ze werken stimulerend voor alle bedrijven: groot en klein, gevestigd en startup.

4. Een goede samenwerking tussen bedrijfsleven en wetenschap, zoals het topsectorenbeleid stimuleert, verankert de R&D-investeringen van bedrijven in Nederland. Binnen het topsectorenbeleid zetten wetenschappers en bedrijven samen onderzoeksprojecten op en financieren ze ook gezamenlijk Continuïteit van deze aanpak is en blijft belangrijk. Binnen de 275 miljoen euro - die NWO investeert in fundamenteel onderzoek relevant voor innovatieve bedrijven in de topsectoren - zou de komende periode het aandeel publiek-private samenwerking moeten groeien naar 150 miljoen euro. Verder is het zaak die gezamenlijke investeringen meer te stimuleren via de Topconsortia voor Kennis en Innovatie door de TKI toeslag voor die samenwerking te verhogen (nu 25%). Het MIT instrument is succesvol in het betrekken van het mkb bij het beleid. Door de gezamenlijke aanpak met de regio versterkt dit ook de samenhang tussen het rijks- en regionale innovatiebeleid.

5. De aanpak van de Nationale Wetenschapsagenda is gebaseerd op diezelfde samenwerking tussen en binnen wetenschap en bedrijfsleven. Het laat verfrissende en nieuwe combinaties zien van fundamenteel en toegepast onderzoek en tussen en binnen (top)sectoren. VNO-NCW en MKB-Nederland ondersteunen deze agenda. Op dit moment worden routes door de kenniscoalitie verder uitgewerkt tot een investeringsvoorstel waarvoor de inzet van extra publieke middelen in een nieuwe kabinetsperiode noodzakelijk is.

6. Het Nederlandse bètaonderzoek is van hoge kwaliteit, maar ondervertegenwoordigd in internationaal perspectief. Bovendien dreigt deze positie verder te verzwakken. De Commissie Breimer spreekt in dit verband van een bètagat van 270 miljoen per jaar, het wetenschappelijke onderzoeksprofiel beweegt zich daarmee af van de onderzoeksbehoefte van het bedrijfsleven. VNO-NCW en MKB-Nederland onderschrijven de zorgen van de Commissie over de bètawetenschappen en dringen aan op het snel opvolgen van de aanbevelingen van dit rapport.

7. Bij alle universiteiten zijn incubators actief. Die moeten er voor zorgen dat kennis wordt omgezet in nieuwe producten en diensten door ondernemers. Veel van de gazelles - snel groeiende jonge ondernemingen - zijn afkomstig uit deze wereld. In de University Business Incubator Rankings 2015 staan twee Nederlandse incubators in de top 25. Deze incubator aanpak is een investering in de kweekvijver voor nieuwe gazelles. Het is zaak te zorgen voor kwaliteitsborging en versterking van de publiek-private financiering van deze incubators.

8. VNO-NCW en MKB-Nederland hebben samen met StartUp Delta een tien punten plan opgesteld ter versterking van startups, scale-ups en gazelles (zie bijlage). Het gaat om een aanpak die begint bij ondernemerschapsonderwijs op school tot financiering van startups en scale-ups. Met name de financiering van de scale-up fase vraagt meer aandacht. We roepen op dit voortvarend op te pakken.

9. Naast kennisontwikkeling is kennisverspreiding van belang. We pleiten ervoor dat kennisverspreiding hoger op de agenda komt, om zo ontwikkelde kennis en innovatie breder in het bedrijfsleven zijn toepassing te laten vinden. De Innovatieprestatiecontracten zijn daar bij uitstek een stimulans voor. Daarom vragen we om ook na 2016 door te gaan met IPC’s. Ook is het zaak beter in kaart te brengen wat de gevolgen zijn voor het technologievolgende mkb van het wegvallen van instrumenten als Syntens, de Innovatievouchers en de bezuinigingen op het toegepast onderzoek.

10. VNO-NCW en MKB-Nederland hebben eerder hun bezorgdheid geuit over het voornemen om nog verder te bezuinigen op het metrologiebudget van het Van Swindenlaboratorium (VSL, vroeger bekend als Nederland Meetinstituut). We vinden het positief dat de Minister deze taakstelling voor 2016 heeft opgeschort om, aan de hand van het meerjarenplan van VSL, in overleg te treden met het bedrijfsleven. Het is zaak dat daarbij eerst de economische effecten van eventuele taakstellingen op VSL in kaart gebracht worden.

Verdere toelichting op deze punten treft u hierna aan.
Het bedrijfslevenbeleid ligt op koers. Met meer financiële armslag, aandacht voor het mkb en het bieden van de broodnodige continuïteit kunnen verdere stappen worden gezet. De samenhang met het wetenschapsbeleid is groot en kan met gerichte stappen worden versterkt (meer nadruk op bèta, aandacht voor incubators). De hoofdboodschap van de AWTI advies over de topsectoren dat continuïteit van belang is, is het bedrijfsleven uit het hart gegrepen. Dit nieuwe industriebeleid is een zaak van lange adem; door continuïteit te bieden kan echt gewerkt worden aan het toekomstig verdienvermogen van de Nederlandse economie.

Een afschrift van deze brief is verstuurd naar de Minister van Economische Zaken en de Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Hoogachtend,

Drs. C. Oudshoorn
Directeur Beleid


 Bedrijfslevenbeleid op koers:
Het bedrijfslevenbeleid is gericht op versterking van de productiviteit en concurrentievermogen van alle ondernemingen in en vanuit Nederland. Het beleid kent een stevig fundament met in het innovatiebeleid beleidsmatige en financiële nadruk op generiek beleid, via fiscale instrumenten die zeer belangrijk en toegankelijk zijn voor het mkb. Voor de topsectoren waar 80% van de private R&D wordt uitgevoerd is er - beperkt - budget voor samenwerking tussen wetenschap en bedrijfsleven. Deze mix van stevig generiek fundament en een specifiek accent voor de topsectoren kan op veel waardering en steun rekenen van VNO-NCW en MKB-Nederland.

Maar vraagt om verdere stappen:
Maar het beleid is nog niet af. Recent hebben VNO-NCW en MKB-Nederland het rapport Nederland Maakt! aangeboden aan politieke partijen. Hoofdboodschap van deze studie is dat de industrie op meerdere fronten een belangrijke economisch ‘knooppuntfunctie’ heeft. Deze knooppuntfunctie van de industrie zit vooral in de technologische vernieuwing, gedreven door R&D investeringen.

Nederland behoort, met relatieve lage R&D inspanningen, tot de productiefste landen ter wereld. Dat betekent dat de R&D efficiënt wordt gedaan, en dus een vruchtbare investering is. Naast innovatie zijn vanzelfsprekend andere zaken bij aan de hoge productiviteit, zoals sociale innovatie.

Het stuwende belang van technologische ontwikkelingen gevoed door R&D zal bovendien in de toekomst alleen maar groter worden. Veel potentieel nieuwe productietechnologieën komen in zicht of beginnen concreet te worden die de productiviteitsgroei van de economie een boost kunnen geven. We noemen ontwikkelingen als: big data tools, robotisering, 3D printing, het internet of things, nano- en biotechnologie en cloudtechnologie

Vele grote wereldwijde maatschappelijke uitdagingen zoals klimaat, duurzame energie, grondstoffenschaarste, schoon drinkwater en gezonde voeding vragen om innovatieve oplossingen, waar vaak ook nieuwe technologie voor nodig is. Die oplossingen zullen, in intensieve samenwerking tussen onderzoekers en de overheid, uiteindelijk vanuit de industrie moeten komen. De innovaties die dit oplevert zijn op hun beurt weer de (toekomstige) groeimarkten die tot banen en welvaart leiden.

Juist deze R&D investeringen vormen een reden tot zorg in het rapport Nederland Maakt!

In Nederland wordt jaarlijks ongeveer 13 miljard euro in R&D geïnvesteerd. Het bedrijfsleven neemt daarvan 56% voor zijn rekening, nog onder het EU gemiddelde van ongeveer 60%. Wel is een stijging van dit aandeel waar te nemen: in 2010 lag dat op ongeveer 51%. De private R&D uitgaven zijn deze periode gestegen van 0,83% in 2008 tot 1,11% in 2013. Een deel daarvan kan worden verklaard door revisies van het CBS, maar de trend is positief. De publieke uitgaven aan R&D zijn in deze periode grosso modo gelijk gebleven, rond de 0,86% van het bbp. Wel voorziet het Rathenau de komende periode een stevige daling naar 0,77% van het bbp in 2019. De meest stevige bezuinigingen die hierin doorwerken zijn die in het toegepast onderzoek en uitgaven van departementen. Uit deze cijfers blijkt dus dat Nederland met bijna 2% van het bbp zowel publiek als privaat nog achterloopt op de doelstelling van 2,5% bbp.

De uitdaging is om, zoals de Europese Commissie aangeeft in haar landenspecifieke aanbevelingen, te werken aan de ondersteuning van investeringen in R&D en daarbij te zorgen voor een verbetering van particuliere R&D -uitgaven. Publieke investeringen met een optimale hefboom naar private dus.

Het rapport van het Rathenau wijst op de internationale dimensie van de R&D investeringen van bedrijven. Het rapport laat zien dat Nederlandse bedrijven relatief veel van hun R&D-afdelingen in Nederland hebben en die ook overeind houden (zeker de research kant). De groei van R&D investeringen van onze bedrijven vindt meer in het buitenland plaats. En de R&D van buitenlandse bedrijven in Nederland groeit minder hard. Nederland moet dus oppassen dat het de slag om R&D-afdelingen van bedrijven niet verliest aan het buitenland.

De centrale les die uit de Rathenau studie moet worden getrokken is dat het Nederlandse vestigingsklimaat rondom R&D continue in internationaal perspectief wordt vergeleken. De gevestigde onderzoeks- en ontwikkelingscentra van grote bedrijven zijn geen vanzelfsprekendheid en vragen continue aandacht. Dat is ook van belang voor het mkb, aangezien de R&D inspanningen van grote bedrijven vaak worden gedaan in een ecosysteem van grote en kleine bedrijven en kennisinstellingen.

Vanuit die les brengen we u graag een aantal zaken onder de aandacht:

Innovatieinstrumentarium: 
Nederland heeft concurrerende fiscale faciliteiten voor R&D. De WBSO (geïntegreerd met de RDA) en de innovatiebox zijn zowel van belang voor mkb-bedrijven als de grote bedrijven. Waar in Nederland ongeveer 41% van de R&D wordt gedaan door het mkb, gaat ongeveer 66% van het budget van de WBSO naar het mkb. Vanuit dat perspectief is het positief dat de geplande bezuinigingen op dit terrein zijn teruggedraaid.

Tegelijkertijd is de afgelopen periode veel gesproken over de vormgeving van deze instrumenten. De integratie van de WBSO en RDA kan op onze steun rekenen. De integratie biedt een oplossing voor verzilveringsproblemen in de RDA voor (jonge) innovatieve mkb-bedrijven die nog geen winst maken. Ook moet de integratie voor eenvoudigere aanvraagprocedures en lagere administratieve lasten zorgen. 

Het is en blijft daarbij van belang dat deze faciliteiten open staan en stimulerend werken voor alle bedrijven zowel groot als klein. De cijfers die het ministerie van Economische Zaken daarover naar de Tweede Kamer heeft gestuurd bieden vertrouwen dat dit voldoende het geval zal zijn. Wel is het zaak om de deelname van de geïntegreerde WBSO/RDA op specifieke groepen te monitoren. Met name het middenbedrijf en de ICT sector vraagt hier aandacht. 

Continuïteit in beleid: topsectorenaanpak voortzetten
Een aantrekkelijke kennisinfrastructuur is een belangrijke vestigingsplaatsfactor. Een goede koppeling tussen bedrijfsleven en wetenschap, zoals het topsectorenbeleid stimuleert, verankert de R&D-investeringen van bedrijven. Continuïteit van deze aanpak is en blijft belangrijk, zoals ook de Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) bepleit.

De topsectoren hebben eind vorig jaar de innovatiecontracten voor 2016-2017 gesloten, waarin bedrijven samen met wetenschap onderzoeksprogramma’s opstellen en meefinancieren. Hierdoor zullen in de gouden driehoek van bedrijven, kennisinstellingen en de overheid weer nieuwe onderzoeksprojecten gestart worden van hoge kwaliteit én relevantie. Door het bedrijfsleven wordt 40% bijdrage geleverd aan deze contracten wat laat zien dat bij de juiste vormgeving en inrichting, het bedrijfsleven wel degelijk investeert in (fundamenteel) onderzoek.

De inzet van NWO, 275 miljoen euro, voor fundamenteel onderzoek, relevant voor de innovatieve bedrijven in de topsectoren kent een deel bestemd voor publiek private samenwerking en gezamenlijke investeringen. Dit pps deel bedraagt nu 100 miljoen euro. Om die gouden driehoek verder te bevorderen bepleiten we dat binnen de 275 miljoen de komende periode het aandeel pps groeit naar 150 miljoen.

ARC.nl, Qutech en CBBC (chemie) zijn succesvolle voorbeelden van publiek private samenwerking en investeringen van wetenschap en bedrijven, waarbij de TKI toeslag een stimulerende rol heeft gespeeld. Daarom is het zaak dat de volgende stappen worden gezet met de TKI toeslag regeling. Voor het stimuleren van succesvolle private investeringen in samenwerking met de wetenschap is het percentage van de regeling te laag (is nu 25%) om echt verschil te maken in de samenwerking tussen bedrijven en wetenschap. In andere landen wordt vaak gewerkt met een hoger percentage.

Nationale Wetenschapsagenda:
Samen met de wetenschap en andere kennisinstellingen werken wij verder aan de NWA. In de vorm van routes, gericht op maatschappelijke uitdagingen, zal de samenwerking verder worden versterkt tussen de verschillende vormen van onderzoek en de verschillende disciplines. De aanpak laat verfrissende en nieuwe combinaties zien en wordt nu verder door de kenniscoalitie uitgewerkt tot een investeringsvoorstel waarvoor de inzet van extra publieke middelen in een nieuwe kabinetsperiode noodzakelijk is. 

Commissie Breimer: aandacht voor bèta 
Eind januari heeft de Commissie Breimer aanbevelingen voor de versterking van de bètadisciplines gedaan. Voor het bedrijfsleven is excellent (bèta)wetenschap van belang. 

Het Nederlandse bètaonderzoek is van hoge kwaliteit, maar we besteden maar een relatief klein deel van het wetenschapsbudget aan deze discipline, in internationaal perspectief. Bovendien dreigt deze positie verder te verzwakken. De Commissie Breimer spreekt in dit verband van een bètagat van 270 miljoen per jaar! Het wetenschappelijke onderzoeksprofiel beweegt zich daarmee af van de onderzoeksbehoefte van het bedrijfsleven.

VNO-NCW en MKB-Nederland onderschrijven de zorgen van de Commissie over de bètawetenschappen en dringen aan op het snel opvolgen van de aanbevelingen van dit rapport.

Een krachtige financiële impuls moet ervoor zorgen dat Nederland op het gebied van onderwijs, innovatie en onderzoek in de natuur- en scheikunde internationaal aansluiting vindt. Daarnaast vinden we het van belang te kijken naar de prikkels in het wetenschappelijk bestel. Bijvoorbeeld door differentiatie in de promotiebonus die instellingen ontvangen. Deze is nu nog gelijk, wat relatief dure bèta’s minder populair maakt bij universiteiten. 

Innovatieve starters en scale-ups: 
Nederland kent naar verhouding veel minder jonge innovatieve bedrijven in R&D-intensieve sectoren dan bijvoorbeeld in de Verenigde Staten. Veel van dit type bedrijven start bij universiteiten en kennisinstellingen. Universiteiten en andere publieke onderzoeksinstellingen zijn een bron van kennis die weer tot nieuw ondernemerschap kan leiden. Het valorisatiebeleid van het kabinet kent tal van indicatoren, maar geen duidelijke opbrengsten. We pleiten ervoor om de focus weer te richten op de economische dimensie van valorisatie: van kennis en kunde naar kassa. Dat kan door in te zetten op spin-off bedrijven. Inmiddels zijn hiervoor bij alle universiteiten zogenaamde incubators actief. Die moeten dat proces aanjagen: kennis omzetten in producten en diensten door ondernemers. Veel van de gazelles - snel groeiende jonge ondernemingen - zijn afkomstig uit deze wereld. In de University Business Incubator Rankings 2015 staan twee Nederlandse incubators in de top 25.

Verder inzetten op deze aanpak is een investering in de kweekvijver voor dit soort bedrijven. Daarnaast hebben we als VNO-NCW en MKB-Nederland samen met Startup Delta een tienpunten plan opgesteld ter versterking van dit soort bedrijven. U treft dat in de bijlage aan.

Innovatie in het midden- en kleinbedrijf:
Doorzetten met MIT 

Innovatie en vernieuwing vindt plaats in ecosystemen van kleine en grote ondernemingen en disruptieve startups en gevestigde innovatieve ondernemingen. In de topsectoren zijn dan ook 4500 mkb-bedrijven betrokken bij de innovatie samenwerking. Dat is bijna drie keer zoveel ten opzichte van de start van het beleid. Dat geeft aan dat een goede koers is ingezet om het mkb te betrekken, mede dankzij het amendement van Veen/Vos gericht om het MIT (MKB innovatiestimulering topsectoren) budget verder te versterken én het bredere mkb te bereiken via het IPC instrument. De invulling daarvan via een gezamenlijke aanpak met de regio kan op onze steun rekenen. Wel is het zaak dat alle provincies meedoen met het R&D samenwerkings-instrument binnen de MIT -dat is nu nog niet het geval-, de uitvoering goed te monitoren. Om versnippering van initiatieven en instrumenten te voorkomen moet het primaat bij de invulling van de prioriteiten bij de topsectoren blijven liggen.

Meer aandacht voor technologievolgend mkb
Vorig jaar is de IPC regeling, een regeling die innovatiesamenwerking in het brede mkb stimuleerde, opnieuw ingevoerd. VNO-NCW en MKB-Nederland vonden dit een goede stap. De IPC kent een andere doelgroep dan de MIT regeling. Waar de MIT regeling zich primair richt op de koplopers in de topsectoren, daar richt de IPC zich op het meer technologievolgende mkb. Beiden zijn belangrijk, zowel kennis ontwikkelen als het toepassen van kennis (kennisverspreiding). De IPC regeling moet wat ons betreft ook na 2016 worden doorgezet.

Bovendien is meer nodig dan alleen de IPC regeling. Het wegvallen van Syntens, de vouchers en het fors reduceren van het IPC budget (was orde grootte 12 miljoen, nu 3 miljoen per jaar) maken dat er maar weinig is voor dit type mkb bedrijf. Ook de AWTI stipt dit recent aan in haar advies over mkb en hogescholen. Maar ook de instellingen voor toegepast onderzoek spelen hierin een belangrijke rol, maar ze worden gekort. Dat raakt ook hun activiteiten gericht op het mkb. We vinden het zaak dat kennisverspreiding hoger op de agenda komt. De knelpunten rondom innovatie in het technologievolgend mkb nog meer in kaart te brengen en de mogelijke gevolgen van het wegvallen van de IPC maar ook bijvoorbeeld Syntens en de bezuinigingen op het toegepast onderzoek te analyseren.

Zorgen over VSL:
VNO-NCW en MKB-Nederland hebben eerder hun bezorgdheid geuit over het voornemen om nog verder te bezuinigen op het metrologiebudget van het Van Swindenlaboratorium (VSL, vroeger bekend als Nederland Meetinstituut). We vinden het positief dat de Minister deze taakstelling voor 2016 heeft opgeschort om, aan de hand van het meerjarenplan van VSL, in overleg te treden met het bedrijfsleven. Het is van belang dat snel duidelijk wordt hoe deze consultatie zal plaatsvinden. We vinden het in ieder geval van belang dat de economische effecten van eventuele bezuinigingen in kaart gebracht worden.

Zie de Download voor de bijlage bij deze brief.