Algemeen Overleg Internationalisering, brief aan de VC voor OCW van de Tweede Kamer

06-12-2016

Geachte dames en heren,

 

Voor ondernemingen is innovatievermogen steeds belangrijker om concurrerend te blijven. Snel veranderende markten en technologieën vragen permanente vernieuwing en aanpassing om te kunnen groeien. Economische groei is niet meer vanzelfsprekend en steeds meer afhankelijk van aanpassingsvermogen en vernieuwingstalent. Excellent (hoger) onderwijs is een belangrijke toeleverancier van goed opgeleid talent voor ondernemingen.

 

Internationalisering is hiervoor cruciaal. Immers, zowel het opdoen van internationale ervaring in het buitenland door Nederlandse studenten als het werven en binden van internationale studenten aan Nederland zijn van belang voor het aanbod van goed opgeleid talent voor ondernemingen, en daarmee voor onze toekomstige welvaart en welzijn.1

 

Kort samengevat doet Nederland het goed qua groei in de instroom en binding van buitenlandse studenten. Naar onze analyse draagt het programma Make it in the Netherlands! (MiitN) sterk bij aan deze positieve trend. De internationalisering van onze studenten blijft echter achter. Een verklaring hiervoor zit in de – zeker internationaal bezien – gebrekkige financieringsmogelijkheden (zie bijlage voor uitgebreidere analyse).

 

Vanuit dit belang en analyse van de internationalisering van het hoger onderwijs willen VNO-NCW en MKB-Nederland ten behoeve van het Algemeen Overleg van 14 december a.s. hierover de volgende punten onder uw aandacht brengen.

 

  1. Continueer Make it in the Netherlands!
    MiitN loopt in 2016 officieel af. VNO-NCW en MKB-Nederland vinden het echter van groot belang de zorgvuldig opgebouwde brand MiitN te onderhouden en door te ontwikkelen als een op zichzelf staand programma. De brief van het Kabinet biedt daarvoor onvoldoende houvast.2 Naast werving en binding van internationale studenten formeel bij EP-Nuffic te beleggen als kerntaak, zoals het Kabinet in haar brief aangeeft, is het ook zaak hier voldoende financiële armslag voor te reserveren.

    Dat kan bijvoorbeeld door MiitN te continueren als apart programmaonderdeel met publieke financiering. Voor een effectief programma is, afhankelijk van de inrichting en doelstelling (zie ook punt 2), jaarlijks circa 1 tot 1,5 miljoen euro nodig.3 De baten van internationaal talent – jaarlijks netto circa € 1,6 miljard4 – komen ten goede aan Nederland in de breedste zin. Daarom ligt interdepartementale financiering in aanvulling op het ministerie van OCW voor de hand. Gelijk aan voorgaande jaren kan via een jaarrapportage aan de Tweede Kamer verantwoording worden gegeven over de activiteiten en behaalde resultaten met MiitN.
     

  2. Verdiep en verbreed de doelen van Make it in the Netherlands!
    Naar onze opvattingen moeten niet alleen studenten in de bachelorfase naar Nederland komen. De echte excellentie zit in internationale studenten die hier een master of PhD volgen. We moeten dus meer buitenlandse masterstudenten en PhD’s aantrekken. In dit kader is ook de 30-procent regeling van belang.

    Daarnaast moeten we studenten blijven aantrekken in vakgebieden waar Nederland sterk in is en behoefte aan heeft. Dus op basis van specifieke sectorbehoeftes (zoals bèta-techniek) gericht talent werven.

    We moeten ook inzetten op een verdere verhoging van de blijfkans (stayrate) voor internationaal talent. Een gunstig vestigingsklimaat vraagt om gunstige randvoorwaarden voor talent om zich in Nederland – blijvend – te vestigen. Daarvoor is het belangrijk om obstakels (zoals regelgeving en mogelijkheden voor huisvesting) die binding in de weg zitten weg te blijven nemen. Dat is ook met name belangrijk voor de match van internationaal talent met het mkb. Het MiitN-programma biedt instrumenten om de blijfkans verder te vergroten.

    Het MiitN-programma kan, afhankelijk van de financiële middelen, verder worden toegespitst op specifieke werving en het verhogen van de blijfkans. Hierbij valt te denken aan de ontwikkeling van een nationaal job portal voor internationaal talent, promotiecampagnes voor de ontwikkeling van Nederlandse startups door internationaal talent, carrière-dagen, betere ontsluiting van de internationale talentenpool voor het regionale mkb, ontwikkeling ketenproject gericht op het wegnemen van obstakels voor binding internationaal talent en doorontwikkeling van het Holland Alumni programma als onderdeel van het Nederlandse internationale en handelsbeleid (zie ook volgende punt).
     

  3. Economische missies meer benutten
    Regelmatig worden vanuit de overheid economische missies onder leiding van een bewindspersoon of een hoge ambtenaar georganiseerd. Deze worden vooral (top)sectorspecifiek dan wel thematisch ingericht, zodat de kans op vruchtbare matchmaking tussen Nederlandse en buitenlandse bedrijven zo groot mogelijk is. Volgens VNO-NCW en MKB-Nederland zou het nuttig zijn te bezien op welke manier relevante onderwijs- en onderzoeksinstellingen in onze internationale handelsbevordering betrokken kunnen worden. Een strategische, met het bedrijfsleven afgestemde focus vanuit de opleidingsinstellingen ten aanzien van hun wervings- en bindingsbeleid van internationale studenten ontbreekt echter momenteel.

    Het bedrijfsleven ziet het potentieel en belang van het Nederlands (hoger) onderwijs als onderdeel van economische diplomatie. Niet alleen ter promotie van Study in Holland, maar ook op het vlak van (potentiële) nieuwe samenwerkingsverbanden op het gebied van onderzoek en innovatie. Internationale ‘Holland Alumni’ die bekend zijn met het Nederlandse kennis-, producten- en dienstenaanbod kunnen in dit kader ook een belangrijke rol spelen bij de ontsluiting van nieuwe economische mogelijkheden voor de BV Nederland.

    VNO-NCW en MKB-Nederland gaan hierover, in het kader van toekomstige economische missies, graag in gesprek met de ministeries van OCW, EZ en BuZa en relevante onderzoeks- en kennisinstellingen.
     

  4. Trek beurzenprogramma naar een hoger plan
    Wat betreft het aanjagen van uitgaande studentmobiliteit lijkt de crux vooral te zitten in het verder verruimen van de financieringsmogelijkheden. Begin 2015 heeft het Kabinet wijselijk besloten het Holland Scholarship programma te lanceren. Een ruimere invulling van dit beurzenprogramma, samen met hogescholen, universiteiten maar wellicht ook met het afnemend werkveld kan de uitgaande mobiliteit verder stimuleren.

Een afschrift van deze brief is verstuurd naar de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

 

Hoogachtend,

 

 

Mr. H. van de Kraats
Directeur Sociale Zaken

 

1 CPB, De economische effecten van internationalisering in het hoger onderwijs 2012
2 Kamerstuk 22 452, Internationalisering van het onderwijs, 19 september 2016
3 Financiële onderbouwing door EP-Nuffic
4 EP-Nuffic, Analyse stayrate van internationale afgestudeerden: 2007-14, 22 november 2016


Bijlage: Analyse inkomende en uitgaande student mobiliteit

Nederland doet het steeds beter wanneer het gaat om inkomende studenten: ruim 10 procent van de studenten komt inmiddels uit het buitenland. Dat was nog 5 procent rond 2000.5 Bovendien blijven deze studenten steeds vaker na hun studie in Nederland wonen én werken. Dat levert de schatkist jaarlijks 1,6 miljard euro op. Dat is ruim het dubbele van de inschatting van het CPB uit 2012.

 

Onze analyse is dat de positieve instroom vooral bepaald wordt door betere wervingen een substantieel hogere blijfkans (binding). Het driejarig actieprogramma Make it in The Netherlands! heeft hier zonder twijfel aan bijgedragen.

 

Het door EP-Nuffic gecoördineerde programma, in samenwerking met overheid, onderwijs en bedrijfsleven, is bedoeld om studenten na hun studie hier te houden. Onder andere door betere voorlichting en begeleiding, simpelere regelgeving en lagere leges voor mkb-bedrijven om internationale studenten aan te trekken. En dat heeft dus effect gehad. Daarnaast wordt nu jaarlijks gemonitord welk internationaal talent in Nederland blijft wonen en werken. Kwantificering van de blijfkans voor internationale studenten is van essentieel belang met het oog op strategische werving van studenten in het buitenland.

 

De uitgaande mobiliteit van Nederlandse studenten is in de afgelopen jaren in relatieve zin echter nauwelijks gestegen.6 Nederland scoort met een percentage uitgaande diplomamobiliteit van 3,5 procent (t.o.v. van de totale populatie ho-studenten) beneden het Europese gemiddelde van 4,5 procent.7

 

Een deel van de verklaring van de beperkte groei in de uitgaand mobiliteit zit in de hoge kwaliteit en betaalbaarheid van het Nederlandse onderwijs en het feit dat meer dan de helft van de wo masters in het Engels worden gegeven. Tegelijkertijd is het grootste mobiliteitsobstakel het feit dat de financierings-/ beursmogelijkheden voor uitgaande mobiliteit in Nederland relatief mager zijn, vooral ten opzichte van de ons omringende landen als Noorwegen, Zweden, Denemarken, Oostenrijk en Duitsland. Het actuele aanbod aan beurzen voor uitgaande mobiliteit beperkt zich vooral tot het Holland Scholarship Programma (gelanceerd begin 2015) en Erasmus+.

 

5 EP-Nuffic, Analyse stayrate van internationale afgestudeerden: 2007-14, 22 november 2016
6 EP-Nuffic, Uitgaande studentenmobiliteit, 2016
7 Nederland scoort wel bovengemiddeld op uitgaande studiepuntmobiliteit