21-09-2011 - Hoogedelgestrenge dames en heren,
Vorige week is besloten om de kabinetsreactie op kenbaarheid van normen en normalisatie van 30 juni jl. (TK 27.406, nr. 193) te agenderen voor het schriftelijk overleg voor de EU-concurrentieraad van 29 en 30 september a.s., naar wij aannemen vanwege het feit dat er recent ook een fiche is verschenen over een mededeling van de Europese Commissie over normalisatie.
In deze brief reageren wij op de kabinetsreactie. Wij zijn verheugd dat het kabinet een standpunt heeft bepaald op de uit 2004 stammende aanbevelingen van het platform kenbaarheid normen en normalisatie. O.a. de jarenlang slepende rechtszaak tussen Knooble versus NEN en de Staat over de positie van NEN-normen in het publieke domein heeft noodgedwongen voor lang uitstel gezorgd van deze reactie.
Met het kabinet zijn wij van mening dat normalisatie, macro-economisch gezien, goed is voor de economie. Het kabinet wijst terecht op studies die erop duiden dat elke geïnvesteerde euro in normalisatie, honderd euro oplevert in termen van BNP. Normen beogen vanouds ongewenste verscheidenheid terug te brengen. De ca. 30.000 normen beslaan een breed scala van onderwerpen. Alleen al in Nederland fungeren 1.400 normcommissies waaraan zo'n 7.000 personen deelnemen. De maatschappij kan zonder bepaalde normen niet goed functioneren. Bij een goed functionerende normalisatie-infrastructuur vormen normen een prima instrument van zelfregulering. NEN-normen (en hun Europese en internationale pendanten) worden in de meerderheid van de gevallen geheel los van enigerlei overheidswetgeving en -toezicht in de maatschappij gebruikt, maar voor een deel in het kader van overheidswetgeving en toezicht.
Private normen kunnen in het laatstbedoelde, publieke domein goed worden toegepast. Maar in de in wetgeving naar private normen verwijzende overheid komt alsdan wel een speciale (mede)verantwoordelijkheid toe voor de inhoud van de verwezen normen, voor de wijze waarop ze tot stand zijn gekomen en voor het beoordelen van de (financiële) consequenties van de verwijzing naar die normen.
Het kabinet maakt een onderscheid tussen dwingend en niet dwingende verwijzing naar normen, en kiest er voor om alleen in het geval van dwingend verwijzen, de kosten van de normen waarnaar wordt verwezen af te kopen, zodat deze normen gratis ter beschikking komen. Op zich delen wij dit standpunt. Naar onze ervaring echter zijn in de verschillende domeinen van wetgeving de toegepaste methodieken van verwijzen naar normen, en de handelwijzen van toezichthouders ter zake, minder eenduidig dan de door het kabinet gehanteerde tweedeling. Wij roepen de Kamer op om het kabinet te verzoeken e.e.a. nader in kaart te brengen.
Daar waar de overheid naar private normen verwijst, is het o.i. allereerst gewenst dat er per wettelijk kader in de desbetreffende overlegorganen op wordt toegezien dat ook daadwerkelijk alle relevante partijen aan tafel zitten.
Wij roepen de Kamer op om het kabinet een inventarisatie te laten maken van dergelijke overlegorganen, en samen met het betrokken bedrijfsleven te evalueren. Immers, pas als alle belanghebbende partijen aan tafel zitten, kunnen ook de lusten en lasten van de verwijzing naar normen in de desbetreffende wetgeving goed worden beoordeeld. Uiteraard dient ook bij deze verwijzing in regelgeving naar normen het voorkómen van onnodige administratieve en nalevingslasten voorop te staan. Daarbij dienen dan tevens de lasten worden beschouwd die ontstaan doordat normen vaak weer doorverwijzen naar weer andere normen. De opstellers van normen realiseren zich niet altijd de consequenties van wijzigingen in hun documenten als gevolg van het feit dat die documenten in ander verband ook een rol spelen.
Normen kunnen overigens ook een de facto verplicht karakter krijgen indien overheden in het kader van hun aanbestedingen of vergunningenbeleid naar normen verwijzen.
Verwarring ontstaat daar waar discrepanties optreden tussen publieke regelgeving en NEN-normen, bijvoorbeeld waar het gaat om keuringsfrequenties van bepaalde producten. Zo vermeldt de wetgeving voor bijvoorbeeld handbrandblussers een andere keuringsfrequentie dan de betreffende NEN-norm. Wij roepen het kabinet (en NEN) op om die verwarring zo veel mogelijk te voorkomen, bijvoorbeeld door dit soort keuringsfrequenties niet meer in NEN-normen op te nemen.
Verwijzen in de regelgeving naar normen zoals bij vele EU-harmonisatierichtlijnen volgens de Europese methodiek van de zgn. nieuwe aanpak, achten wij overigens een efficiënte methodiek: private normen blijven in die context geheel hun vrijwillig, niet dwingend, karakter behouden, en zijn een nuttig hulpmiddel voor diegenen die met behulp van normen willen aantonen dat men zich aan de wet houdt, maar tegelijkertijd is men niet verplicht de norm aan te schaffen om aan de wet te voldoen.
Per wetgevingsdomein kan de uitkomst van discussies rond verwijzen naar normen in wetgeving zowel zijn dat er een voldoende breed draagvlak blijkt om in de wetgeving naar de desbetreffende normen te verwijzen (alsmede over de precieze wijze waarop dat in casu het best kan gebeuren), maar ook dat de voorkeur er naar uitgaat om in de wetgeving niet naar normen te verwijzen.
Bij dit alles realiseren wij ons dat de oplossing van de door ons gesignaleerde knelpunten niet alleen bij de overheid ligt, maar deels (ook) bij NEN zelf. Het kabinetsstandpunt is generiek van karakter, en benoemt noodgedwongen specifieke uitvoeringsproblemen met bepaalde normen niet. Vooral om deze knelpunten in de uitvoeringspraktijk aan te pakken zijn de laatste jaren waardevolle projecten uitgevoerd. Vooral van de doorvoering door NEN van de resultaten van de projecten 'lastenarmer maken van normen' en 'open normalisatie' hebben wij hoge verwachtingen. De aanbevelingen uit deze projecten moeten nog worden verankerd in de generieke werkwijze van normcommissies. De implementatie van dit project wordt weliswaar begeleid door een uit betrokken stakeholders samengesteld platform (Open Normalisatie), maar dat neemt niet weg dat het gewenst is dat NEN, overheid en private partijen de resultaten nauwlettend moeten evalueren: de aanbevelingen moeten de zich in de uitvoeringspraktijk voordoende knelpunten immers ook daadwerkelijk oplossen. Daarom roepen wij uw Kamer op de Minister te vragen om periodiek, het eerst over bijvoorbeeld 1 jaar, de voortgang van een en ander, samen met NEN en het bedrijfsleven, in beeld te brengen. Inmiddels zijn in het verlengde van deze projecten door het bedrijfsleven overigens nog aanvullende wensen geformuleerd (o.a. dat NEN-normen de concurrentie niet (onnodig) moeten beperken), waarvan wij hopen en verwachten dat NEN die meeneemt.
Stelselmatig zal er binnen NEN gewerkt moeten blijven worden aan de verdere vergroting van de transparantie t.a.v. de samenstelling van NEN norm- en beleidscommissies. En zal er door NEN aan alle relevante betrokkenen zicht moeten worden geboden op de door NEN per norm- en beleidscommissie verrichte stakeholderanalyses. Structureel dienen bij deze stakeholderanalyses categorieën van stakeholders goed te worden onderscheiden: zo dienen o.i. consultants en certificerende instellingen niet onder de stakeholdercategorie bedrijfsleven te worden begrepen, want die hebben specifieke, andere belangen. Ook binnen de stakeholdercategorie bedrijfsleven dient een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds bedrijven die de lusten van normen ervaren en anderzijds bedrijven die de lasten van normen ervaren. Binnen het gehele normalisatiegebouw zullen uiteindelijk breed gedragen stakeholderanalyses uitgevoerd moeten zijn, met besluitvorming door NEN-beleidscommissies, die alsdan wederom uit alle relevante partijen dienen te zijn samengesteld. Opgemerkt moet worden dat de Mededingingswetgeving onverkort van toepassing blijft op het domein dat door normen (en de toepassing van normen) wordt bestreken. Daarnaast is de verdere verbetering van de leesbaarheid van normen een belangrijk punt van aandacht, zodat interpretatiegeschillen voor de gemiddelde gebruiker tot een minimum beperkt worden. Er zijn inmiddels goede aanzetten gedaan om in bovenbedoelde zaken verbetering aan te brengen, maar meer oplossingen en urgentie blijven geboden.
Tot slot merken wij op dat het onderhavige kabinetsstandpunt zijn focus vindt op normen die binnen het verband van NEN en zijn Europese en internationale tegenhangers, worden opgesteld. Wij hechten er aan om op te merken dat hetgeen wij in deze brief signaleren op een breder toepassingsgebied speelt: ook in andere gremia dan normalisatie worden private documenten opgesteld (zoals Beoordelingsrichtlijnen (BRL's), PGS, certificatieschema's van certificerende instellingen), waarnaar vervolgens door de overheid in regelgeving wordt verwezen, dan wel door de handhavers worden gebruikt bij hun handhavingstaak. Wij dringen er bij de Kamer op aan dat ook binnen die andere gebieden voor bovenstaande aandacht zal zijn.
Hoogachtend,
Drs. C. Oudshoorn
Directeur Beleid