VNW - Vereeniging van Nederlandse Werkgevers en het Verbond van Nederlandse Werkgevers
De Vereeniging van Nederlandsche Werkgevers (VNW) is in 1899 opgericht door 52 industriëlen, onder wie de grootste werkgevers van die tijd, in Hengelo. Aanleiding was het verzet tegen het wetsvoorstel voor een Ongevallenwet van minister Lely van Waterstaat, Handel en Nijverheid.
Het verzet van de werkgevers richtte zich niet eens zozeer tegen een wet die hen verplichtte zich te verzekeren tegen bedrijfsongevallen. De ondernemers hadden vooral moeite met de verplichting om het risico onder te brengen bij de Rijksverzekeringsbank. Ze wilden zelf kunnen kiezen hoe en bij wie ze het risico verzekerden.
Het verzet werd geleid door de Twentse industrieel Dirk Willem Stork en de Delftse fabrikant Jacobus Cornelis van Marken en zij hebben ook het initiatief genomen tot oprichting van de werkgeversvereniging. Stork werd voorzitter. Het bestuur bestond verder uit Henri Wenckebach, Hendrik de Kruyff, Pieter Mattheus Duyvis, Diedrich Gelderman en Jan Bernard van Heek. De VNW geldt als de eerste moderne werkgeversorganisatie en de oudste voorloper van VNO-NCW
Aanvankelijk bemoeide de VNW zich vooral met sociale onderwerpen, zoals de Ziektewet en de collectieve arbeidsovereenkomst. De Eerste Wereldoorlog leidde echter tot tal van economische problemen, bijvoorbeeld omdat de aanvoer van grondstoffen stokte. De VNW ging zich daarom steeds meer richten op economische thema’s. In 1920 besloot de VNW zich te concentreren op economische thema’s en de sociale aangelegenheden over te hevelen naar het nieuw opgerichte Centraal Overleg in Arbeidszaken voor Werkgeversbonden.
De VNW ging in 1926, samen met het Verbond van Nederlandse Fabrikantenverenigingen, het Centraal Industrieel Verbond op in het Verbond van Nederlandse Werkgevers. Deze organisatie fuseerde in 1968 met het Centraal Sociaal Werkgeversverbond (CSW) tot het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO).