(1913-1997). Had eind jaren zestig een groot aandeel in de fusie van de katholieke en de protestants-christelijke centrale werkgeversorganisaties en in de vorming van het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW). Geboren op 7 februari 1913 in een rooms-katholiek nest in Roermond. Na een deugdelijke katholieke opvoeding – onder andere aan het Bisschoppelijke College in Roermond – deed hij rechten in Nijmegen en werd hij lid van het katholieke studentencorps 'Carolus Magnus'.
Het katholieke geloof heeft Van Boven de rest van zijn leven uitgedragen. 'Het christendom is een religieuze norm vol sociale consequenties’, schreef hij in 1950 in een gedenkboek van de katholieke werkgeversvereniging. Dit betekende volgens hem voor de ondernemer 'een sociale verantwoordelijkheid jegens wat men met een vreselijk onpersoonlijk woord noemt ' de factor arbeid', maar wat de mensen van vlees en bloed, de mensen met hun verlangens en liefdes, zijn'.
In het gedenkboek hield Van Boven een pleidooi voor de invoering van ondernemingsraden in bedrijven. Hij was ervan overtuigd dat ondernemingsraden zouden leiden tot wederzijds begrip tussen werknemers en werkgevers en dat dit het bedrijfsleven ten goede zou komen. 'Er hangt nog maar al te veel een ijzeren gordijn in het sociale leven. (…) De ondernemer krijgt (met de ondernemingsraden, red.) een prachtige kans iets op te bouwen tegenover de afbraakmentaliteit van de klassenstrijd.'
Van Boven had zelf al het goede voorbeeld gegeven. Na zijn rechtenstudie ging hij in 1940 werken voor de machinefabriek Breda en was hij daar betrokken bij de instelling van een ondernemingsraad in 1942. Vooruitstrevend, want een Wet op de Ondernemingsraden kwam er pas in 1950.
In 1959 werd Van Boven directievoorzitter van Breda, dat toen meer dan 1.000 werknemers telde, maar lang hield hij het niet vol. Zijn hart ging uit naar zijn nevenfuncties, waarvan vele een katholiek karakter hadden. Drie jaar later, op 49-jarige leeftijd, stapte hij uit de directie en werd hij gedelegeerd commissaris van de vennootschap.
Een van zijn nevenfuncties, het voorzitterschap van de Katholieke Werkgeversvereniging in het diocees Breda, bracht hem uiteindelijk tot voorzitter van het Nederlands Katholiek Werkgeversverbond (NKWV) in 1963. Een onbezoldigde deeltijdfunctie. Later zou het NKWV toenadering zoeken tot het Verbond van Protestants-Christelijke Werkgevers (VPCW). Van de daaruit voortvloeiende fusie, het NCW, werd Van Boven in 1970 voorzitter.
Als werkgeversvoorman kon hij scherp uit de hoek komen. Hij was welbespraakt en dat kwam hem goed van pas bij het overtuigen van zijn achterban. Lang niet alle leden zagen het nut van een ondernemingsraad in. Weliswaar had de Wet op de Ondernemingsraden dit overlegorgaan inmiddels verplicht gesteld voor alle bedrijven met meer dan 25 werknemers, maar nogal wat ondernemers probeerden er onderuit te komen.
Van Boven vond dat een slechte zaak. In 1963 hield hij de leden voor dat de top moest luisteren naar de werkvloer. Ondernemers moeten 'juist aan de basis pogen tegemoet te komen aan de reële verlangens van de werknemers; ze meer inschakelen op de eigen werkplek met al hun eigenschappen.' Hij pleitte voor een verplichte jaarlijkse bespreking van de ondernemingsresultaten in de ondernemingsraad en vond dat de raad het adviesrecht moest hebben bij belangrijke besluiten als fusies. 'De ondernemer moet in de ondernemingsraad een zekere rekenschap afleggen. (…) Hij zal al voorlichtend toch wel het gevoel krijgen dat het niet alleen maar zijn zaak is, maar dat ook anderen met heel hun bestaan en geluk aan deze zaak hangen.'
De uitspraken werden hem niet altijd in dank afgenomen. Veel werkgevers zagen het liefst handhaving van de status quo. Ook de neutrale werkgeversorganisaties in die tijd, het Verbond van Nederlandse Werkgevers en het Centraal Sociaal Werkgeversverbond, reageerden behoudend. Intussen begonnen de werknemers zich te roeren. 'Ondernemingsraden behandelen enkel onbeduidende kwesties’, werd geroepen.
De wet gaf weinig speelruimte. Ondernemingsraden mochten via overleg en advisering het welzijn van de onderneming bevorderen, maar tot daadwerkelijke medezeggenschap of tot collectief onderhandelen waren ze niet bevoegd. Het is merkwaardig dat de vakbeweging niet al eerder, bij de voorbereidingen van de wet, heeft geprotesteerd. Waarschijnlijk zag zij de ondernemingsraden toen nog als rivalen. Want waarom zou een werknemer lid zijn van een vakbond als zijn belangen heel direct werden behartigd door de ondernemingsraad.
De vakbeweging heeft daarom lange tijd gepleit voor bedrijvenwerk, een eigen vertegenwoordiging in de onderneming. Van Boven was daar mordicus tegen. Een werkgever wil overleg met een afvaardiging van al zijn werknemers, of ze wel of niet lid zijn van een vakbond doet er niet toe, vond hij. Toen de kritiek scherper werd, stelde de toenmalige regering de commissie-Verdam in. Die kwam in 1965 met voorstellen tot hervorming van de Wet op de Ondernemingsraden. De commissie wilde bijvoorbeeld dat de Sociaal-Economische Raad erop zou toezien dat grote bedrijven een ondernemingsraad zouden instellen. Ook stelde ze voor dat de ondernemingsraad de vrijheid zou krijgen zonder directeur te vergaderen en deskundigen in te roepen van buiten. Bij bepaalde onderdelen van het personeelsbeleid moest de raad bovendien recht van instemming krijgen.
Over de voorstellen van de commissie-Verdam zei Van Boven in 1968: 'Of zij in onze kring iedereen zullen voldoen? Dat weet ik niet. (…) De tragen van geest, die zich niet willen inspannen, zullen de meeste pijn hebben om het nieuwe. Zij verdienen het minst medelijden.'
In 1971 werden vrijwel alle voorstellen ongewijzigd opgenomen in de nieuwe Wet op de Ondernemingsraden.
Volgens typeringen van (ex-)NCW-medewerkers was Van Boven 'een intelligent man met een olifantengeheugen’. Belezen, cultureel ontwikkeld en een levensgenieter. 'Voor een goed glas wijn maakte hij altijd tijd, liefst samen met anderen.' Als werkgeversvoorzitter heeft hij er in ieder geval aan bijgedragen dat de werknemers een grotere invloed kregen op de besluitvorming. Dat gold niet alleen voor de Wet op de Ondernemingsraden, maar ook voor de Wet op de Jaarrekening en op het Enquêterecht, beide uit 1969, de Fusiecode uit 1970 en de Wet op de structuur van de onderneming uit 1971.
'Er is een ontwikkeling gaande, die bevordert dat meer recht wordt gedaan aan de groeiende emancipatie van de werknemer’, zei hij tijdens een jaarvergadering van het NKWV in 1964. 'Deze ontwikkeling gaat langzaam, te langzaam naar mijn zin.'
Met zijn heldere visie en zuivere bedoelingen wist Van Boven veel confessionele ondernemers over de streep te trekken. Zijn inspanningen voor de werknemers leverden hem zelfs complimenten van de Volkskrant op. Boven het 'In memoriam' ter gelegenheid van zijn overlijden in 1997 kopte journalist Harry van Seumeren: Werkgever met hart voor de arbeiders.