Koopt Nederlandsche waar
Nederland bleef in de Eerste Wereldoorlog neutraal, maar daardoor ook tamelijk geïsoleerd. De buitenlandse handel werd belemmerd, waardoor het land voor de voedsel- en energievoorziening grotendeels op zichzelf was aangewezen. Dit bracht overheid en bedrijfsleven in het geweer. Ze namen het initiatief tot de oprichting van de Hoogovens en ook de zoutwinning in Twente ging tijdens de oorlog van start.
In diezelfde jaren zagen enkele fabrikanten hun kans schoon meer aandacht te vragen voor hun eigen producten. Zij ergerden zich al langer aan de "ongegronde en voor het landsbelang schadelijke voorkeur van het publiek voor buitenlandse fabrikaten", vooral als het ging om schoenen, lucifers en wollen stoffen. In 1915 besloten zij tot de oprichting van de Vereeniging Nederlandsch Fabrikaat (VNF), waarbij zich al snel veel bedrijven aansloten.
De VNF was feitelijk de eerste organisatie voor collectieve reclame in Nederland. Zij voerde talloze campagnes om de consument te bewegen Nederlandse producten te kopen en zo 'landsbelang en arbeidsgelegenheid' te bevorderen. Ook ondersteunde de VNF de oprichting van de 'Nederlandsche Jaarbeurs' in Utrecht in 1916. Deze was de eerste jaren voorbehouden aan Nederlandse ondernemingen.
De vereniging kende een opleving tijdens de crisis van de jaren dertig, toen de uitvoer stokte door de handelsbelemmeringen die andere landen opwierpen. De Nederlandse industrie weerde zich door middel van een keurmerk voor strikt Nederlandse producten. De VNF organiseerde tentoonstellingen, voorlichtingsbijeenkomsten en speciale winkelweken. Voor het 25-jarig bestaan in 1939 werd de centrale leus 'Koopt Nederlandsche waar' zelfs op muziek gezet; en wel in "marschtempo, eenigszins statig".