Kabinet Colijn
De werkgever (1938): Lasten omlaag!
"De meest duurzame wetten zijn die, welke aanvankelijk als tijdelijke noodvoorzieningen zijn voorgesteld!" zo merkte de redactie van De Werkgever in april 1938 fijntjes op. Aanleiding was het voornemen van de regering-Colijn om de Wet op de omzetbelasting van 1933 - die oorspronkelijk maar tot 1939 van kracht zou zijn - voor nog eens vijf jaar te verlengen.
Het maandblad van het Verbond van Protestantsch-Christelijke Werkgevers in Nederland (VPCW) zag het goed: de omzetbelasting is nooit meer uit Nederland weg geweest. Wel is de wet nog een aantal malen aangepast. Zo bestond er tijdens de Tweede Wereldoorlog een op Duitse leest geschoeide variant. In 1969 werd de huidige belasting op de toegevoegde waarde (BTW) geïntroduceerd.
De wereldwijde crisis, die uitbrak na de beurskrach van 1929, trof de open Nederlandse economie zeer zwaar. Door protectionisme van andere landen viel de Nederlandse export sterk terug. Ook de relatief grote landbouwsector had enorm te leiden onder de crisis. De opeenvolgende regeringen zetten in principe in op bezuinigingen: deflatiepolitiek. Maar in de praktijk namen de overheidsuitgaven - als percentage van het nationaal inkomen - alleen maar toe, onder andere als gevolg van de steun aan de landbouw en de werklozen. Daarvoor moest de staat natuurlijk ook meer inkomsten genereren. Eén van de middelen om dat te bereiken was de omzetbelasting.
Dat kon niet zo, meende het VPCW. "Met name worde de omzetbelasting beschouwd als een der eerste lasten die van het bedrijfsleven moet worden afgewenteld", stelde het Verbond in het actieprogramma dat het in 1937 met trots presenteerde. Om daar vervolgens wat minder kordaat aan toe te voegen: "In geen geval worde de Omzetbelastingwet 1933 op het tijdstip van haar verval op 1 januari 1939 zonder meer verlengd."
De oplossing moest komen uit de beperking van de uitgaven. Wat dat betreft waren ze het tóch wel met de regering eens. Zoals het VPCW het trouwens vaak met de minister-president en hun voormalig voorman Colijn eens was. Colijn was in 1918 en 1919 voorzitter van de protestants-christelijke werkgevers. De christelijke werkgevers hadden bij sommigen zelfs de naam "te prijzen, wat de leden der Regeering wijzen".
De omzetbelasting stoorde het VPCW vooral omdat ze de fabrikanten zwaar belastte. In de jaren dertig werd omzetbelasting uitsluitend geheven bij de producenten en niet bij de andere schakels in de productieketens, zoals bij de huidige BTW het geval is. Volgens De Werkgever was er dan ook sprake van een bedrijfsbelasting, "ver af dus van de oorspronkelijke opzet, waarbij uitsluitend aan een verteringsbelasting werd gedacht."
De toch al zwaar getroffen industrie zag met de dalende koopkracht nauwelijks kans de belasting in de prijzen door te berekenen. Dat leidde tot een probleem dat ook bij de huidige BTW nog speelt: "De omzetbelasting heeft haar impopulariteit vooral te danken aan het feit, dat het in strijd met de strekking van de Wet niet verhalen van de omzetbelasting op de verbruiker, als middel wordt gebruikt in de concurrentie- strijd", aldus De Werkgever in 1938.
De Werkgever was het officiële orgaan van het Verbond van Protestants-Christelijke Werkgevers in Nederland (VPCW). Het verschijnen van het blad in 1937 luidde een opleving in van de werkgeversorganisatie, die tot dan toe een sluimerend bestaan leidde. In 1967 ging het maandblad van het VPCW samen met het blad van de katholieke werkgevers, eveneens onder de naam De Werkgever. Dit blad was tot 1995 het tijdschrift van het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW), waarna het opging in Forum.