Jan de Wit was van 1975 tot 1979 voorzitter van het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW). Naast zijn functie als directeur van J.H. de Wit en Zonen NV te Helmond vervulde hij van 1958 tot 1964 het voorzitterschap van de Katholieke werkgeversvereniging in het Diocees den Bosch. Van 1961 tot 1964 was hij voorzitter van de Katholieke Werkgeversvereniging in de Metaalnijverheid en tevens vice-voorzitter van de Federatie van Nederlandse Metaal- en Electronische Industrie. Zijn maatschappelijke betrokkenheid kwam ook tot uiting in tal van bestuurlijke functies die hij in de zorgsector en het onderwijs vervulde.
Jan de Wit trad als NCW-voorzitter aan in een tijd, die bol stond van maatschappijkritiek, waarbij met name de ondernemers en het ondernemen het moesten ontgelden. Het was de tijd van de 200 van Mertens en pleidooien voor een door de politiek gedomineerde economie. Het was de tijd dat vakbondsleiders en sociologen massaal naar Joegoslaviƫ trokken om daar studie te maken van het door hen bewonderde 'arbeiderszelfbestuur'. Kortom, het was een tijd, waarin het bedrijfsleven in het defensief werd gedwongen, hetgeen een zware last betekende op de schouders van degenen die dat bedrijfsleven vertegenwoordigden.
Jan de Wit behoorde tot degenen die onder deze omstandigheden een rechte koers wilden blijven varen, zonder zich overigens af te sluiten voor de positieve elementen in de maatschappelijke ontwikkeling. Hij deed dat als leider van een werkgeverscentrale, die de inrichting van de samenleving en de plaats van de ondernemer daarbinnen, bleef bezien vanuit de christelijk-sociale gedachte. Als katholiek baseerde hij zich daarbij graag op de diverse sociale encyclieken. In gesprekken met kerkelijke leiders stond hij overigens niet zonder kritiek ten opzichte van de stroming die zich naar zijn mening te gemakkelijk aansloot bij maatschappijveranderingen uit de linkse koker.
In woord en daad droeg Jan de Wit de betekenis van het ondernemerschap uit, met een open oog voor de noodzaak van de toenemende maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemers en ondernemingen. In de sfeer van de arbeidsverhoudingen paste hij in de Nederlandse traditie van het overleg. Samen met zijn collega-voorzitter Chris van Veen van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) bleef hij, ondanks alle spanningen van die tijd, werken aan goede verhoudingen met de vakbeweging. Als zodanig kan hij beschouwd worden als voorloper in de richting van het latere Akkoord van Wassenaar en het 'poldermodel'.