Voorzitter van het Verbond van Nederlandsche Werkgevers (VNW) in 1931: een jaar dat de economische ontwikkelingen in het buitenland voortdurend aandacht vroegen. Het was het begin van de grote crisis, die de exportindustrie zwaar zou treffen en tot veel werkloosheid zou leiden. Gelderman – die zelf regelmatig naar het buitenland reisde – begon zijn jaarredes dan ook altijd steevast met een overzicht van de ontwikkelingen in het buitenland van en de stand van zaken rond de Nederlandse export.
Als firmant van een exportgerichte textielonderneming ondervond de VNW-voorzitter de gevolgen van de harde Nederlandse gulden en de daardoor hoge prijzen aan den lijve. Herman Gelderman was van de vierde generatie eigenaren van H.P. Gelderman & Zonen in Oldenzaal. Het bedrijf produceerde een breed assortiment katoenen producten en had een uitstekende positie op de Indische markt. Na een opleiding in Engeland kwam Herman in 1911 bij de Wrma. In 1935 werd hij directeur, samen met zijn broer en zijn neef.
De depressie trof het familiebedrijf zwaar. De verkopen in Nederlands-Indië daalden dramatisch door de hevige Japanse concurrentie en ook op de binnenlandse markt verloor Gelderman & Zonen terrein. Herman zag geen andere uitweg dan het verlagen van de lonen van zijn werknemers.
De andere Twentse katoenfabrikanten wist hij te bewegen tot samenwerking op economisch gebied. Tot die tijd was er alleen samengewerkt op sociaal gebied, voor de rest zagen de textielondernemers elkaar vooral als concurrenten. In 1931 werd Gelderman benoemd tot voorzitter van de Katoencommissie, een organisatie van textielfabrikanten. Hij combineerde deze functie met het voorzitterschap van het VNW. Gelderman stond aan de basis van twee kartelorganisaties. De Manufacturen Export Centrale (Manex) reguleerde de export van Twents 'gebleekt wit doek'naar Nederlands-Indië. De Garencentrale was een kartel dat de spinnerijen via uniforme prijsafspraken in staat stelde garens lonend te verkopen. Sommige tijdgenoten verdachten Gelderman er overigens van dat hij zich meer inspande voor de Katoencommissie dan voor het VNW.
Het is niet bekend of dergelijke verwijten Gelderman raakten. Hij wordt omschreven als iemand met volledig vertrouwen in eigen overtuiging; een man die de dingen bij de naam noemde en wist van aanpakken. 'Zwarte Herman'(zo genoemd vanwege zijn zwarte haar en donkere teint) was een man van praktische oplossingen. Hij had een heldere kijk op moeilijke situaties en hield vast aan de grote lijn, zonder zich ooit te verliezen in details. Hij was een vlot spreker. Op een foto van de viering van het tienjarig bestaan van het VNW zien we hem zijn rede ontspannen uitspreken, één hand losjes in de broekzak.
Gelderman was geen scherpslijper. In tegenstelling tot veel andere Twentse fabrikanten hechtte hij aan een goede relatie met vakbonden. Het idee van Twentse ondernemers om de werkweek te verlengen zonder de arbeiders te raadplegen noemde hij eens 'een middeleeuwse toestand’.
Ook in de discussie over de vrijhandel stapte Gelderman eenvoudig van zijn standpunt als de situatie erom vroeg. In de jaren dertig werd in Nederland heftig gediscussieerd tussen voor- en tegenstanders van vrijhandel. Het VNW – dat zijn wortels had in de Twentse katoenindustrie – was vanouds vóór vrijhandel. De Twentse industrie was een redelijk gespecialiseerde industrie die veel exporteerde. De Brabantse textielindustrie daarentegen richtte zich vooral op massaproductie voor de thuismarkt en neigde naar protectionisme.
Veel langer dan andere landen hield Nederland vast aan de gouden standaard: een vaste relatie tussen de gulden en de goudwaarde. Terwijl alle omringende landen hun munten devalueerden, bleef de gulden ijzersterk, met als gevolg dat Nederlandse producten relatief duur waren en complete exportmarkten wegvielen. Vooral het VNW werd met de gevolgen geconfronteerd omdat het verbond veel grote, exporterende bedrijven onder zijn leden telde.
De crisis bracht de tegenstellingen tussen beide groepen industriëlen haarscherp aan het licht: de zuidelijke fabrikanten riepen om protectie terwijl de ondernemers in de rest van het land bleven zweren bij vrijhandel. Voorman van de Brabantse textielfabrikanten Van Spaendonck riep zijn leden op 'niet achter voorzitter Gelderman en secretaris Molenaar aan te marcheren. Het VNW kent slechts aanpassen van loon en beperken van overheidsuitgaven.’
Dat was inderdaad de kern van de oplossing die het VNW voorstelde in de brochure Kosten en lasten omlaag. Door verlenging van de werkweek en een verlaging van de lonen zouden de Nederlandse producten weer concurrerend kunnen worden. Maar de lonen konden alleen omlaag als ook de kosten van het levensonderhoud zouden dalen. En die waren nu juist veel te hoog. 'Nederland is een duurte-eiland’, riep Gelderman.
Ook de overheidssteun aan de landbouw was het VNW een doorn in het oog. Deze steun joeg de overheidsuitgaven alleen maar omhoog. Verder moesten, zo vond het werkgeversverbond, de huren omlaag zodat de arbeiders in de exportindustrieën met wat minder loon toekonden. Devaluatie was geen oplossing. Daardoor zou het vertrouwen nog verder worden ondermijnd en zouden grote kapitalen ('bronnen van toekomstige welvaart’) worden vernietigd.
Dat waren de principes. In de praktijk stelde de ondernemersorganisatie zich veel pragmatischer op. Zo suggereerde het VNW invoerrechten in te stellen voor landen die hun eigen markten gesloten hielden. De Nederlands-Indische markt kon beschermd worden tegen de agressieve Japanse verkoop door contingentering; het vaststellen van een maximum aan in te voeren goederen.
Als je goedkope Japanse producten toelaat op de Indische markt gaat dit ten koste van de export van Nederlandse producten, zo redeneerde Gelderman. Als gevolg hiervan verarmt Europa en is er minder geld om Indische landbouwproducten te kopen. Daarmee bewijs je ook de mensen in Nederlands-Indië geen dienst. 'Laat ons maar ruiterlijk erkennen, dat Lancashire en Twente tegenover de sociaal-achterlijke landen het nooit zullen volhouden zonder protectie.'
Ondanks de verschillen van inzicht tussen ondernemers en overheid kwam het juist tijdens de crisisjaren tot samenwerking. Tot die tijd reageerde het VNW vooral op incidenten. 'Ons contact met de Regering is in de laatste jaren wel zeer sterk verbeterd’, zei Gelderman halverwege de jaren dertig. 'De medewerking, die wij bij het behartigen van de belangen van onze leden zowel bij de Ministers zelf als bij de ambtenaren van hoog tot laag mogen ondervinden, kan niet genoeg worden geprezen… Thans vinden wij op de Regeringsdepartementen voor de noden van de industrie een open oog en oor.'
Na het loslaten van de gouden standaard in 1936 krabbelde de Nederlandse economie weer wat overeind. Maar de export was nog lang niet op het oude niveau. Het VNW besloot daarom serieus werk te maken van het stimuleren van de buitenlandse handel.
Gelderman had al enige ervaring opgedaan met het instrument 'handelsmissie’. In 1935 had hij met een groep Nederlandse industriëlen Finland bezocht. Het was voor het eerst dat het Nederlandse bedrijfsleven zich op deze wijze presenteerde. Twee jaar later organiseerde het VNW een handelsmissie naar Zuid-Amerika, ditmaal met steun van de overheid.
Gelderman was enthousiast over de resultaten: 'Alleen door nieuwe markten te veroveren kunnen wij onze positie verbeteren of verloren gegaan debiet herwinnen. Dit is de enige manier, waarop ons welvaartspeil verbeterd, of althans gehandhaafd kan worden, welke eventuele verbetering aan het begrijpelijke verlangen der arbeiders naar verbetering van den levensstandaard slechts ten goede zal komen.'
In 1937 opende het VNW een eigen kantoor in Nederlands-Indië om de handel met de kolonie te bevorderen. Gelderman riep ondernemers op hier vooral gebruik van te maken: 'Gaat zelf naar Indië, aanschouwt het land en de menschen, past u daarbij aan om zoodoende te trachten zaken te doen.'
Na de Tweede Wereldoorlog kwam de directeur van Gelderman & Zonen echter al snel tot de conclusie dat de eens zo rijke Indische markt nooit meer zou worden als vroeger. Het bedrijf verlegde de aandacht daarom naar Europa, vooral naar Duitsland en België. Het VNW ging daarin mee. In 1948 toonde Gelderman zich in zijn jaarrede enthousiast over de samenwerking binnen de Benelux. Maar, zo waarschuwde hij, de Nederlandse invoerrechten mogen onder geen beding naar het hogere Belgische niveau getild worden. 'Laten we niet vergeten, dat ons land in de verdeling van buitenlandse grondstoffen voor de internationale handel steeds een grotere rol heeft gespeeld dan België.'