Geleide loonpolitiek
De jaren na de Tweede Wereldoorlog zijn die van het loon- en prijsbeleid. Om de internationale concurrentiepositie van Nederland te verbeteren, doet de regering er alles aan om prijzen en lonen laag te houden. Zo wordt ingegrepen in de huurprijzen, één van de belangrijkste kostenposten van levensonderhoud. Gelijktijdig wordt de loonontwikkeling de duimschroeven aangedraaid: de lonen mogen hooguit gelijke tred houden met de stijging van de kosten van datzelfde levensonderhoud.
Dat ging als volgt: de regering gaf aan hoe de lonen zich in het komende jaar mochten ontwikkelen en won daartoe advies in van de Stichting van de Arbeid (werkgevers en werknemers). Werkgevers en werknemers onderhandelden per regio over een cao. Die cao's werden ter toetsing voorgelegd aan het College van Rijksbemiddelaars.
De geleide loon- en prijspolitiek had een sterk nivellerend effect, maar was wel een succes: de Nederlandse export nam een hoge vlucht. Desondanks bleek de geleide loonpolitiek onhoudbaar. Vanaf 1953 werd het loonbeleid niet meer uitsluitend gekoppeld aan de kosten van levensonderhoud, maar ook aan stijging van de arbeidsproductiviteit. Het einde van de geleide loonpolitiek (officieel pas in 1963 een feit) werd ingeluid door werkgevers en werknemers samen. Door het tekort aan arbeidskrachten waren werkgevers geneigd hogere lonen te bieden.
Vakbonden zagen hun kans schoon. In 1954 leidde dat tot een eenmalige loonexplosie. Vanaf 1954 ontwikkelden de lonen zich per regio en per bedrijfstak steeds gedifferentieerder. De loonmatiging van de jaren veertig en vijftig verschilt in één belangrijk opzicht van die van de jaren tachtig en negentig. De naoorlogse matiging werd – min of meer – afgedwongen door de regering. De matiging van de late twintigste eeuw werd op vrijwillige basis overeengekomen door werkgevers en vakbonden.
Een ander ogenschijnlijk verschil, is bij nader inzien eerder een overeenkomst. De geleide loonpolitiek was bedoeld als middel om de concurrentiepositie van Nederland te verbeteren. De loonkostenmatiging van de afgelopen decennia was primair bedoeld om de massawerkloosheid tegen te gaan. Maar het vertaalde zich behalve in werkgelegenheidsgroei vooral ook in een sterke verbetering van de concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland.
Een andere analogie zit in de rol van werkgevers en werknemers bij het succes van de loon(kosten)matiging. Of zoals De Katholieke Werkgever op 17 december 1955 schrijft: "Er zal in de nabije toekomst een belangrijk beroep op het verantwoordelijkheidsbesef worden gedaan. Van werkgevers zowel als van werknemers." Hoe vaak heeft de Stichting van de Arbeid juist het woord verantwoordelijkheid niet gebruikt, de afgelopen jaren?
De Katholieke Werkgever was het officiële orgaan van de Algemene Katholieke Werkgeversvereniging en het Katholiek Verbond van Werkgeversvakverenigingen. Het blad ging in 1967 op in De Werkgever - katholieke en protestantse werkgevers gingen in dat jaar samen in wat later het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW) ging heten. In 1995 ging De Werkgever op zijn beurt op in Forum nadat VNO en NCW tot een samengaan hadden besloten.