(1855-1928), oprichter en eerste voorzitter van de Vereeniging van Nederlandsche Werkgevers (VNW). Stork kende iedereen die er in Nederland maar enigszins toe deed. Het was "een gulle vent met een gulle lach die niet kleinzieligs heeft"; een uitstekend netwerker. Zijn bedrijf - Machinefabriek Gebr. Stork & Co. in Hengelo - was leverancier voor vrijwel de gehele Twentse textielindustrie. Daarnaast was Stork medeoprichter van de Machinefabriek Duyvis in de Zaan en de Hoogovens in IJmuiden. Als commissaris van de Twentse Bank saneerde hij veel ondernemingen, iets dat hem de bijnaam 'dokter voor zieke zaken' opleverde.
De contacten die hij hiermee opdeed, kwamen hem in 1899 van pas bij het organiseren van het werkgeversverzet tegen de Ongevallenwet. Als overtuigd liberaal ergerde hij zich aan het bureaucratische en verplichtende karakter van het wetsvoorstel. De overheid moest in zijn ogen niet meer dan de voorwaarden scheppen waaronder harmonieuze samenwerking tussen werkgevers en werknemers kon gedijen. Stork kreeg de grootste werkgevers van Nederland bijeen. De oprichting van de VNW, de eerste moderne centrale werkgeversorganisatie, was vervolgens nog maar een kleine stap. De nieuwe Vereeniging droeg het karakter van de oprichter: gericht op het verzoenen van de belangen en wars van scherpslijperij. "Onze Vereeniging is niet conservatief", verklaarde Stork "geen onzer behoort tot hen die alles mooi vinden omdat zij het zelf goed hebben, maar wat wij willen behouden is: het goede beginsel van het particulier initiatief, dat wij ook in eigen kring zoveel mogelijk willen ontwikkelen." Met dat laatste verwees Stork naar de sociale voorzieningen die fabrikanten als Van Marken en hijzelf in hun bedrijf voor de werknemers hadden getroffen.
Stork was op al 17-jarige leeftijd komen werken in de machinefabriek van zijn vader. Daar zette Dirk Willem een coöperatieve winkelvereniging, een zieken- en pensioenfonds en een spaarfonds op. In 1883 stelde hij - naar voorbeeld van Van Marken - een werknemersvertegenwoordiging in. In 1892 nam hij de leiding van de machinefabriek over van zijn vader.
Desondanks had Stork toch het idee tekort te schieten. "Sinds mijn zeventiende jaar heb ik de praktijk van het leven moeten opgaan, en tijd noch gelegenheid gehad veel studie van diepzinnige levenskwesties te maken", zo verzuchtte hij op latere leeftijd. Toen in de jaren 1920 zijn gezondheid hem opbrak droeg hij de leiding van de Machinefabriek over. In 1928 overleed hij op 72-jarige leeftijd.