Dirk Uipko Stikker
In de jaren dertig leek de latere werkgeversvoorzitter Dirk Uipko Stikker hard op weg naar een carrière in het zakenleven. Na een studie rechten in Groningen en een korte tijd bij de effectenfirma van zijn vader, kwam hij in 1922 bij de Twentsche Bank in Amsterdam. Daar begon hij onder aan de ladder: als enige man tussen veertig meisjes was hij daar verantwoordelijk voor het uitschrijven van de incassonota’s voor klanten waarvan de namen begonnen met de letters O, P, Q en R. Maar Stikker maakte snel promotie. Binnen vijf jaar had hij een directiefunctie. In 1934 werd hij directeur bij Heineken’s Bierbrouwerij Maatschappij.
Toen vier jaar later één van zijn mede-directeuren overleed, nam Stikker zijn taken over. Daartoe hoorde ook het sociaal beleid. Zo maakte Stikker voor het eerst kennis met de werkgevers- en werknemersorganisaties. Een paar maanden later ontmoette hij in Nederlands-Indië professor A.N. Molenaar, de secretaris van het Verbond van Nederlandsche Werkgevers (VNW) . Die polste zijn interesse voor een functie bij de werkgeversorganisatie. In 1939 liet Stikker Molenaar weten beschikbaar te zijn. Tot zijn eigen verbazing werd hij niet gevraagd voor een functie bij het VNW – dat zich vooral bezig hield met economische zaken – maar als voorzitter van het Centraal Overleg in Arbeidszaken voor Werkgeversbonden, een gelieerde organisatie die zich specifiek richtte op sociale aangelegenheden. Stikker accepteerde het aanbod met beide handen. Hij had duidelijk voor ogen hoe hij het sociaal overleg in Nederland wilde inrichten. Werkgevers en werknemers moesten, zo vond hij, de verantwoordelijkheid nemen op sociaal gebied. 'Zelf doen’ waren sleutelwoorden: sociale partners moesten zoveel mogelijk zaken met onderlinge afspraken regelen. De overheid moest vooral zorgen voor de voorwaarden om dat mogelijk te maken.
Met grote doortastendheid heeft Stikker alles gedaan om dit model van de grond te krijgen, met als belangrijkste wapenfeit de oprichting van de Stichting van de Arbeid, het overlegorgaan van werkgevers en werknemers, in 1945. Het idee voor de Stichting van de Arbeid was ontstaan tijdens de bezetting. De Duitsers wilden het sociaal-economisch leven in Nederland strak reguleren. Voor de economische kant van de bedrijfsvoering werd daarvoor de sterk hiërarchische 'Organisatie Woltersom’ opgezet. Een Raad van Bestuur in Arbeidszaken moest de sociale aspecten reguleren. Aanvankelijk stond Stikker niet onwelwillend tegenover deze plannen. In 1940 aanvaardde hij zelfs de functie van voorzitter van de Raad in Arbeidszaken.
Maar nadat al eerder de top van het Nederlands Verbond van Vakvereenigingen (NVV) was vervangen door Duitsgezinde bestuurders, overkwam dat in 1941 ook de confessionele vakcentrales. De bisschoppen riepen daarop de gelovigen op het lidmaatschap op te zeggen. Vakbondsleden gaven massaal gehoor aan deze oproep, zodat de confessionele organisaties al snel leeg liepen. Voor Stikker en de werkgevers was dit reden om de Raad in Arbeidszaken op te heffen. Overleg in deze Raad was naar hun mening zinloos omdat de gesprekspartners aan werknemerszijde niet langer representatief waren. Het besluit werd in vakbondskringen gewaardeerd. Er ontstond zelfs een zekere lotsverbondenheid tussen werkgevers en werknemers. Zo regelde Stikker inkomsten voor Evert Kupers, die in 1940 door de Duitsers was afgezet als voorzitter van het NVV. Via een spookrekening bij Heineken kon Kupers geld opnemen om in zijn levensonderhoud te voorzien.
Tijdens de oorlog bleven enkele voormannen van werkgevers en werknemers elkaar op informele wijze ontmoeten. Deze clandestiene bijeenkomsten werden naast Stikker en Kupers ook bijgewoond door L.G. Kortenhorst (secretaris van de katholieke werkgevers), professor B.C. Slotemaker (algemeen secretaris van het VNW), A.H.W. Hacke (directeur-generaal van den Arbeid) en verschillende confessionele vakbondsleiders. Omdat hij als een van de weinigen nog beschikte over een auto, fungeerde Stikker vaak als chauffeur.
Het informele contact leidde tot veel wederzijds begrip tussen de sociale partners en vormde de basis voor intensieve samenwerking na de oorlog. Het groepje besprak wat er na afloop van de oorlog moest gebeuren. Stikker vreesde een machtsvacuüm direct na de bevrijding. Dat kon leiden tot grote sociale onrust of tot overheidsingrijpen. 'Hier is dus een niemandsland, waartoe alle politieke tinnegieters en waarschijnlijk ook tal van ambtenaren zich aangetrokken zullen gevoelen. Zou eenmaal de ambtenaar dit terrein weer betreden, dan is het uiterst moeilijk hem daar weer uit te verdrijven', meende hij.
Stikker was een zeer praktisch ingesteld, flexibel en apolitiek man. Biograaf Marnix Westers noemt hem ambitieus, ijdel en buitengewoon scherpzinnig. Zijn levensfilosofie was eenvoudig: 'Wanneer men er van uitgaat dat het streven van ons menschen moet zijn, te bereiken dat niet alleen wijzelf, maar ook onze medemenschen het zoo goed mogelijk hebben, en dus onze idealen boven het eigenbelang moeten stellen, dan is daarmede dit uitgangspunt – zij het ook wel zeer in het kort – toch wel bepaald’, aldus Stikker. Zijn optreden in het openbaar maakte weinig indruk, maar zijn overtuigingskracht in persoonlijke gesprekken des te meer. Een toenmalig politicus zei over Stikker dat hij in zijn streven om resultaten te bereiken, 'wel eens bereid blijkt heen te stappen over zaken die voor anderen in zijn omgeving nog bijna tot de beginselen behoren. Hij zoekt het compromis, dat een werkbasis oplevert, liever dan te berusten in onmogelijkheden, die uit onbuigzaamheid voortvloeien.’
Het was VNW-secretaris Molenaar die in 1942 op het idee van een 'stichting' (van de arbeid) kwam. Een privaatrechtelijke organisatie was veel sneller op te zetten dan een publiekrechtelijke, zo redeneerde hij. Het idee vond weerklank bij de andere gesprekspartners. Lidmaatschap van de stichting zou vrijwillig zijn, maar eenmaal genomen besluiten zouden wel bindend zijn voor de aangesloten organisaties. De overheid kon deze dan eventueel algemeen verbindend verklaren.
De stichting zou zich richten op de handhaving van rust en orde op sociaal gebied, loonvorming, sociale wetgeving en verbetering van het maatschappelijk en cultureel peil van der arbeidersbevolking. Dankzij de inspanningen van vooral Stikker kwam het plan van de grond, ondanks de tegenwerking van de Nederlandse regering in Londen. Twee dagen na de bevrijding werd de 'Stichting van de Arbeid' opgericht. Enige tijd later volgde de erkenning als adviesorgaan van de regering.
Stikker was een sluw onderhandelaar. Zo sloten vrijwel alle centrales zich bij de Stichting van de Arbeid aan zonder ooit de statuten gezien te hebben. Deze werden door het bestuur bewust buiten de openbaarheid gehouden. En dat terwijl die voorzagen in een sterk autocratische organisatie waaraan de aangesloten verenigingen een groot deel van hun zeggenschap kwijt zouden raken. Het CNV sloot zich aan in de verkeerde veronderstelling dat de Stichting een tijdelijk karakter zou hebben, hiervan overtuigd door Stikker.
Vanuit het NVV werden nog wel kritische vragen gesteld toen men de statuten onder ogen kreeg. Maar het Stichtingsbestuur wuifde de kritiek weg: 'Het wel eens gehoorde verwijt dat de Stichting slechts een aangelegenheid zou zijn van enkele kopstukken, die er hun ambitie in zouden stellen het sociale leven min of meer dictatoriaal van boven af te beheerschen, glijdt langs haar af als water van een eend.’
In 1948 legde Stikker zijn functies als voorzitter van de Stichting van de Arbeid en de werkgeversorganisatie (inmiddels gefuseerd tot Centraal Sociaal Werkgeevers-Verbond) neer. Hij werd minister van Buitenlandse Zaken in het eerste kabinet-Drees. Later vervulde Stikker tal van diplomatieke functies waaronder die van voorzitter van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking en secretaris-generaal van de NAVO. Tussen de bedrijven door zag hij in 1948 nog kans om samen met de liberale politicus P.J. Oud de VVD op te richten.
De Stichting van de Arbeid groeide uit tot een van de pijlers van het poldermodel. Na de instelling van de Sociaal-Economische Raad in 1950 leek de Stichting zichzelf overleefd te hebben. Maar de mogelijkheid voor de sociale partners om te kunnen overleggen zonder dat de overheid meeluisterde bleek uiteindelijk essentieel voor het goed functioneren van het poldermodel.
Tijdens de viering van het tienjarig bestaan van de Stichting van de Arbeid in 1955 blikte Stikker- inmiddels minister -nog eens tevreden terug op de ontstaansgeschiedenis. Voor het toenmalige bestuur had hij nog een wijze raad: 'Beseft, wat gij verworven hebt met de samenwerking, welke in ons land gestalte heeft gekregen. Laat de dagelijkse moeilijkheden, meningsverschillen en tegenstellingen nimmer vreten aan de grondslagen der samenwerking. Kortom: houdt deze samenwerking in stand!'