Veertig jaar lang heeft Adriaan Borst Pzn zijn stempel gedrukt op de christelijke werkgeversorganisatie. Eerst als bestuurslid, later als vice-voorzitter en vanaf 1937 een kwart eeuw als voorzitter van het Verbond van Protestants-Christelijke Werkgevers (VPCW).
Desondanks is er niet veel van hem bekend, mogelijk door het bescheiden gewicht dat de protestantse werkgeversvereniging in de schaal kon leggen. Het VPCW organiseerde vooral ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf. 'Het zijn meest kleine baasjes, drukkers en bakkers, die zich geen portuur voelen van de groot-industriële bonzen van het Verbond van Nederlandsche Werkgevers', schamperde het socialistische blad Het Volk in 1936.
Misschien ligt het ook aan de persoonlijkheid van Borst zelf, die zich volledig in dienst stelde van de organisatie en het christelijk-sociaal ideaal. Jubilea van de organisatie werden niet door gedenkboeken luister bijgezet, maar door bundels met doorwrochte beschouwingen. Bij zijn afscheid als voorzitter in 1962 gaf Borst te kennen geen prijs te stellen op een cadeau. Liever kreeg hij geld voor het opzetten van een fonds voor christelijk-sociale projecten, het latere Adriaan Borstfonds.
'Hij geloofde tot in zijn tenen in de maatschappelijke betekenis van het evangelie', aldus Harold de Klerk, die van 1954 tot 1962 werkzaam was bij het VPCW en veel met Borst heeft samengewerkt.
Toch spreekt uit het majestueuze portret dat Jan Sluijters in 1943 maakte (en dat nog steeds te vinden is in het VNO-NCW-kantoor De Malietoren in Den Haag) ook een andere kant van Borst. Blozende wangen, een dikke sigaar: de 'calvinistische Bourgondiër'. De mensen die met hem hebben gewerkt kennen Adriaan Borst als een bijzonder aimabel en toegankelijk man. 'Zijn secretarissen waren zijn kinderen', zegt De Klerk. 'Hij was erg gastvrij en nodigde mensen makkelijk bij hem thuis uit. 'Drink gelijk even een borrel mee', zei hij dan. Ieder jaar nam hij enkele weken zijn intrek in een hotel in Noordwijk. Alle secretarissen werden vervolgens gezamenlijk uitgenodigd om met hem te komen dineren.'
Borst werd in 1888 geboren in Hoofddorp. Zijn vier grootouders behoorden tot de eerste kolonisten van de Haarlemmermeer, die halverwege de negentiende eeuw was drooggelegd. Zijn vader had een manufacturenzaak en was daarnaast nog een tijd gemeenteraadslid en zelfs wethouder van Hoofddorp. Op veertienjarige leeftijd vertrok Adriaan naar Velp voor een opleiding als bakker. Na zijn militaire dienst kwam hij bij zijn vader in de zaak maar dat boeide hem maar matig. Daarom volgde hij in de avonduren een studie economische en financieel-technische wetenschappen. In 1916 werd hij benoemd tot directeur van de coöperatieve broodfabriek 'Voorzorg' in Rotterdam.
Vanaf dat moment verliep zijn carrière voorspoedig. De broodfabriek fuseerde al snel met een andere Rotterdamse bakkerij tot de Van der Meer & Voorzorg's Bakkerijen en Handel Maatschappij. Er volgden meer fusies en in 1922 kwam Brood-Unie tot stand: een holding met Borst als president van de Raad van Beheer. In de jaren dertig telde de holding ruim 120 arbeidsters. De Brood-Unie beschikte over voor die tijd heel moderne brood- en biscuitfabrieken. Als zodanig waren ze een concurrent van Verkade.
Misschien bracht het voorzitterschap van Enricus Gerard Verkade van de neutrale werkgeversvereniging in het begin van de jaren twintig Borst wel op het idee ook actief te worden in werkgeverskringen. In ieder geval werd hij in 1922 bestuurslid van de Christelijke Werkgeversvereniging.
De Christelijke Werkgeversvereniging – voorloper van het VPCW – kwam voort uit de christelijk-sociale beweging. Deze beweging was aan het eind van de negentiende in gang gezet door Abraham Kuijper, de grote gereformeerde voorman. Hij bepleitte 'soevereiniteit in eigen kring' en streefde naar harmonieus samengaan van werkgevers en werknemers en van staat en maatschappij. Daarmee zette hij zich af tegen de individualistische liberalen en de collectivistische socialisten.
Op aandringen van Kuijper werd in 1892 'Boaz' opgericht: een organisatie voor christelijke werkgevers, middenstanders en boeren, die moest samenwerken met Patrimonium, de organisatie van christelijke arbeiders. Maar het bleek moeilijk om zowel grote fabrikanten als kleine luiden in één vereniging bijeen te krijgen. De belangen lagen te ver uiteen. Boaz was dan ook vooral een organisatie voor bezinning op vragen als: hoe gaat een christelijk ambachtsman om met zijn personeel? Op materieel vlak behaalde de organisatie nauwelijks resultaat. 'Veel getob en weinig zichtbare resultaten', zo heette het.
Maar ook splitsing van Boaz in drie afzonderlijke organisaties voor boeren, ambachtslieden en werkgevers (de Christelijke Werkgeversvereniging) leverde niet veel verbetering op. Daarbij kwam nog eens dat veel protestants-christelijke ondernemers hun wereldse belangen lieten behartigen door neutrale werkgeversorganisaties en de christelijke tegenhanger vooral zagen als organisatie voor bezinning. In 1933 ging het financieel zo slecht dat de enige secretaris van de vereniging zijn salaris niet meer uitbetaald kon krijgen.
Er ging echter een andere wind waaien in christelijke werkgeverskringen. In 1937 werd Adriaan Borst voorzitter. 'De fase van ontwikkeling van denkbeelden is nu afgesloten', zei hij bij zijn aantreden. 'Wij stappen thans over van de leerschool in de practijk'.
De organisatie werd veel actiever. In 1936 verscheen het eerste nummer van De Werkgever. De naam van de organisatie werd veranderd in Verbond van Protestants-Christelijke Werkgevers. Het Verbond ging ook actief deelnemen aan de overlegorganen die in de loop der jaren twintig en dertig waren ontstaan, zoals de Werkloosheidsraad, de Nijverheidsraad en de Hoge Raad van Arbeid. Samen met het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) werd als ontmoetingsplaats voor christelijk-sociale organisaties het 'Convent' opgericht.
Het VPCW zette zich vooral af tegen het idee dat de mens maar beperkt verantwoordelijk is voor de maatschappij. 'De stelling, dat aan de overheid het monopolie van de verzorging van het algemeen belang zou toekomen, is in wezen onchristelijk', zei Borst hierover. Met lede ogen zagen de christelijke werkgevers hoe de verhouding tussen de werkgever zijn werknemers steeds verder verzakelijkte als gevolg van economisch liberalisme enerzijds en toenemende overheidsinvloed anderzijds. 'Geef de mens zijn maatschappelijke verbanden terug!' riep Borst uit tijdens zijn afscheidsrede in 1962. 'Tegen de achtergrond van deze dringende roep die nog niet verstorven is, dient u vooral te zien de inspanning der christelijk-sociale beweging ter verwezenlijking van verschillende zaken. Ik noem slechts de cao en haar algemeen-verbindendverklaring, de bedrijfsorganisatie, privaat- en publiekrechtelijk, de ondernemingsraden, de menselijke verhoudingen in het bedrijf en meerdere belangrijke zaken.'
Borst zag de onderneming als een organisme: een gemeenschap van arbeiders, kapitaalverschaffers en leiders. Natuurlijk moest de onderneming voorzien in het levensonderhoud van alle betrokkenen, maar ze had ook een andere functie, namelijk die van bouwsteen van de maatschappij. Menselijke arbeid is niet te vergelijken met het werk van een machine. De aandacht moest verschuiven van 'de productiefactor mens' naar 'de menselijke factor in de productie'.
Dat was mogelijk door bijvoorbeeld medezeggenschap in het bedrijf, die zich overigens niet mocht beperken tot materiële zaken, zoals de socialisten dachten. De ondernemingsraad kon de onderneming weer het karakter van een gemeenschap geven. Borst vergeleek dat eens met een huwelijk: óók een gemeenschap waaraan meer dan strikt materiële motieven ten grondslag liggen.
Werkgevers en werknemers moesten samenwerken, vond Borst. Niet alleen in de onderneming, maar ook landelijk. De christelijke werkgevers zagen de maatschappij als één groot, organisch geheel en namen dan ook enthousiast deel aan de overlegorganen die na de Tweede Wereldoorlog tot stand waren gekomen, zoals de Stichting van de Arbeid en de Sociaal-Economische Raad. De centrale organisaties van werkgevers en werknemers zagen zij als 'de organen van het maatschappelijk leven'.
Borst vond dat het VPCW moest werken in het belang van heel het volk. 'Het gaat haar om heel de samenleving. Uit die breedheid van instelling put zij haar elan en haar daadkracht. Die dienst aan heel het volk was en is steeds één van haar belangrijkste bronnen van activiteiten gebleven en moet dat blijven. Anders loopt zij het gevaar om te vermaterialiseren en te worden tot loutere belangenorganisatie, die altijd weer tegenstelling in plaats van samenwerking oproept.'