Eind jaren vijftig bleek de geleide loonpolitiek, bedoeld om de lonen kunstmatig laag te houden, niet meer houdbaar. De Nederlandse arbeidsmarkt raakte zo overspannen dat werkgevers steeds vaker 'zwarte lonen' gingen uitbetalen.
In het bedrijfsleven was er een beweging op gang gekomen van familiebedrijf naar naamloze vennootschappen, bestuurd door een manager in plaats van een ondernemer. In de roerige jaren zestig werd ook de vakbeweging veeleisender. De 'automatische prijscompensatie' deed zijn intrede en onder invloed van de democratiseringsbeweging laaide de strijd over medezeggenschap weer op.
Bedrijfskernen
Het conflict over de medezeggenschap heeft een lange historie. Opvallend genoeg kenden verschillende oprichters van de Vereeniging van Nederlandse Werkgevers (VNW) rond 1900 al 'bedrijfskernen' binnen hun eigen onderneming, zoals J.C. van Marken en Dirk Willem Stork zelf. Dat kwam voort uit een idee van 'goed patroonschap'.
De latere katholieke werkgeversvoorzitter Paul van Boven was in 1942 als werknemer al betrokken geweest bij de instelling van een ondernemingsraad bij de machinefabriek Breda. Hij vond oprecht dat werkgevers goed moesten luisteren naar hun werknemers en rekenschap moesten afleggen, iets wat hem niet door alle leden in dank werden afgenomen.
De eerste Wet op de ondernemingsraden (Wor) dateert van 1950. Een nieuwe Wor in 1971 bracht niet wat de democratiseringsbeweging ervan verwachtte: zo bleef de directeur voorzitter van de ondernemingsraad.
Minister-president Joop den Uyl zwengelde het onderwerp weer aan, zodra zijn kabinet in 1973 was aangetreden. Een nieuwe, derde Wor moest de ondernemingsraad ook instemmingsrecht over interne zaken geven en de directeur als voorzitter verdween. Voor werkgevers ging dit te ver. Het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW) vond het in strijd met de gedachte van goede samenwerking in het bedrijf.
Cultuuromslag
In 1973 was er een omslag in de economische conjunctuur als gevolg van hoge olieprijzen en heftig fluctuerende wisselkoersen waardoor de rendementen van bedrijven sterk onder druk kwamen te staan. In de twee voorafgaande decennia waren de loonkosten steeds sneller gestegen dan de arbeidsproductiviteit. Steeds meer bedrijven moesten de poorten sluiten en de werkloosheid liep snel op. Omdat de lonen onvoldoende meebewogen met het nieuwe economisch tij liepen de loonkosten en de collectieve lasten snel op. De vakbeweging stelde steeds vaker ideologische eisen zoals economische medezeggenschap en nivellering van de inkomens, tot grote ergernis van de werkgevers. Om goed te kunnen meepraten over maatschappelijke kwesties gingen de centrale ondernemingsorganisaties professionaliseren. Zo was Chris van Veen in 1974 de eerste voltijd voorzitter van Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO).
«1940-1960: Oorlog en wederopbouw | 1980-1990: Het Poldermodel krijgt weer vorm »