Nadat de Duitsers Nederland in 1940 hadden bezet, wilden ze het sociaal-economische leven strak reguleren. Maar nadat de top van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) en later ook van de confessionele vakbeweging was vervangen door Duitsgezinde bestuurders gaven de leden massaal hun lidmaatschap op en trokken ook werkgevers zich terug uit overlegorganen.
Lotsverbondenheid
Enkele werkgevers- en werknemersvoormannen zoals Dirk Uipko Stikker en NVV-voorzitter Evert Kupers bleven elkaar informeel wel ontmoeten: er ontstond zelfs een zekere lotsverbondenheid. Er werden plannen gesmeed voor de periode na de oorlog. Dat resulteerde in de oprichting van de Stichting van de Arbeid (1945), een privaatrechtelijk overlegorgaan voor werkgevers en werknemers. Lidmaatschap is vrijwillig, maar eenmaal genomen besluiten zijn wel bindend voor de aangesloten organisaties. De overheid kan deze besluiten dan eventueel algemeen verbindend verklaren.
De samenwerking kreeg verder vorm door de oprichting van de Sociaal-Economische Raad (SER) in 1950, een publiekrechtelijke organisatie waarvan naast werkgevers en werknemers ook Kroonleden lid zijn.
Wederopbouw
De jaren na de Tweede Wereldoorlog stonden in het teken van de wederopbouw. Het sociaal-economische beleid was gericht op het creëren van een goedkoopte-eiland. Door de kosten van levensonderhoud, waaronder huren, laag te houden konden de lonen laag blijven. Daardoor verwierf Nederland een goede concurrentiepositie.
Het Nederlandse bedrijfsleven stond daarom aanvankelijk tamelijk sceptisch tegenover de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap in 1957, de voorloper van de Europese Unie. Gevreesd werd dat sociale maatregelen uit Brussel de positie van Nederland als goedkoopte-eiland in gevaar zou brengen.
«1930-1940: Crisisjaren |
1960-1980: Polarisatie»