De eerste decennia van haar bestaan werd de VNW bestierd door één secretaris. Maar door de economische moeilijkheden tijdens de Eerste Wereldoorlog nam het aantal taken van de vereniging toe en ook het aantal bureaumedewerkers. VNW-secretaris Terpstra kreeg van zijn bestuur de opdracht om sectoren die zich wilden verenigen om hun commerciële belangen te behartigen, te ondersteunen. Dit leidde tot de oprichting van sectororganisaties zoals de Handelsvereeniging van Metaalindustrieelen.
RevolutieNa de Eerste Wereldoorlog en na de (mislukte) oproep tot revolutie van SDAP-voorman Pieter Jelle Troelstra (1918) probeerde de overheid sociale onrust te pareren door sociale wetgeving en de instelling van overlegorganen zoals de Hoge Raad van Arbeid. In diezelfde tijd zag ook het ministerie voor Sociale Zaken het licht, met P.J.M. (Piet) Aalberse als eerste minister van Sociale Zaken.
In 1920 besloot de VNW zich te concentreren op economische thema’s en de sociale aangelegenheden over te hevelen naar het nieuw opgerichte Centraal Overleg in Arbeidszaken voor Werkgeversbonden. Deze nieuwe organisatie had al snel zijn handen vol omdat er begin jaren twintig veel sociale onrust was. Nog nooit waren er zoveel werkdagen verloren gegaan door stakingen als in de periode 1919-1923.
Na eindeloze onderhandelingen tussen parlement, de Hoge Raad van Arbeid, werkgevers- en werknemersorganisaties kwam het in 1927 tot een wet die de wettelijke status van de collectieve arbeidsovereenkomsten regelde. Het idee van die wet was dat de minister van Sociale Zaken de bevoegdheid zou krijgen een cao ‘algemeen verbindend’ te verklaren, waarmee de cao zou gelden voor alle bedrijven uit de sector, dus ook bedrijven die niet bij de onderhandelingen betrokken waren geweest. Door fel verzet van werkgeverskant bleef de mogelijkheid van 'algemeen verbindend verklaren' buiten de wet. Pas in 1937 zou deze bepaling in de wet worden opgenomen.
ToenaderingToch was er in de jaren twintig sprake van toenadering tussen werkgevers en werknemers. De vakbeweging werd wat milder en de grote sociale onrust direct na de Eerste Wereldoorlog deed werkgeversorganisaties beseffen dat ze de vakbonden serieus moesten nemen. En met de instelling van de Hoge Raad van Arbeid in 1920 was ook een permanent overleg ontstaan tussen werkgevers, werknemers en overheid.
Dat die toenadering vruchten begon af te werpen bleek in 1921, toen vertegenwoordigers van werkgevers én werknemers het voorstel uitwerkten voor een Ziektewet. Deze kwestie sleepte als sinds 1902, toen voor het eerst een wetsontwerp werd ingediend om de uitkering bij ziekte en het recht op medische hulp voor arbeiders te regelen. De VNW verzette zich fel tegen dit wetsvoorstel en vergelijkbare wetsvoorstellen die in de jaren daarna werden ingediend. Het grootste bezwaar betrof het bureaucratische karakter en de geringe invloed die werkgevers op de regeling konden uitoefenen.
Het voorstel uit de jaren twintig voorzag in de oprichting van bedrijfsverenigingen die de loondoorbetaling bij ziekte zouden gaan regelen. De uitkeringen werden betaald uit de werkgeverspremies. Uiteindelijk trad de nieuwe Ziektewet in 1929 in werking.
«1899-1910: Beginjaren |
1930-1940: Crisisjaren»