De geschiedenis van VNO-NCW gaat terug tot 1899, toen de oudste voorloper van de werkgeversorganisatie is opgericht: de Vereeniging van Nederlandse Werkgevers (VNW).
Aanleiding tot de oprichting was het plan van de overheid voor een Ongevallenwet. Werkgevers waren niet tegen een wettelijke uitkering voor werknemers die op het werk een ongeval hadden gehad, maar wel tegen het verplicht onderbrengen van dat risico bij de Rijksverzekeringsbank.
De industriëlen beseften dat ze zich moesten verenigen om de politieke besluitvorming goed te kunnen beïnvloeden. In oktober 1899 richtten 52 grote werkgevers – onder wie de textielfabrikanten en de spoorwegmaatschappijen – de VNW op. De Twentse industrieel Dirk Willem Stork werd voorzitter. Het verzet tegen de overheidsplannen had succes: de Ongevallenwet van 1901 liet werkgevers de vrijheid zelf te bepalen waar zij het risico onderbrachten.
Werkgeversverenigingen
De VNW was bij de oprichting zeker niet de enige organisatie van werkgevers. Rond 1900 waren er zo’n 24 landelijke en 134 plaatselijke werkgeversorganisaties. Het ging dan meestal om sectorale organisaties zoals de Scheepvaart of metaalindustrie , of om 'fabrikantenverenigingen': lokale organisaties van grote werkgevers die elkaar ondersteunden in geval van stakingen.
Verder hadden in de eerste helft van de twintigste eeuw, parallel aan de neutrale werkgeversorganisaties, ook de katholieke en christelijke werkgevers zich georganiseerd. Zo was in 1915 de Algemeen Roomsch Katholieke Werkgeversvereniging (ARKW) opgericht. Uit de Vereeniging van Christelijke Werkgevers en Groothandelaren kwam de Vereniging van Protestants-Christelijke Werkgevers in Nederland (VPCW) voort (1937).
In 1967 fuseerden de katholieke en christelijke werkgeversclubs tot de Federatie van Christelijke Werkgeversverbonden, drie jaar later overgegaan in het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW).
De VNW ging in 1968 - na verschillende fusies – over in het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO). In 1997 fuseerden NCW en VNO tot VNO-NCW.
1910-1930: Professionalisering »