26-01-2012 - De FNV probeert zichzelf opnieuw uit te vinden. En het CNV moet de boel bij elkaar zien te houden. Werkgevers maken zich zorgen over de uitkomst. Worden zij straks overstelpt met acties en stakingen?
Een groep van 75 actievoerende schoonmakers kwam twee weken geleden verhaal halen bij VNO-NCW-voorzitter Bernard Wientjes. Zij wachtten hem op in de centrale hal van de Haagse Malietoren en overhandigden een gouden ontstopper, ‘om de schoonmaakmarkt te ontstoppen’. De schoonmakers eisten een hoger salaris en een lagere werkdruk. Wientjes drukte hen op het hart terug te keren naar de cao-tafel.
De actievoerders verlieten daarop netjes het pand. Maar dat zou in de nabije toekomst wel eens kunnen veranderen. Al jaren groeit er een tweespalt binnen de vakbeweging tussen een SP- en een PvdA-achterban. En het is maar de vraag of dat nog goed komt. In dat geval zal de – groeiende – SP-tak inzetten op het opkomen voor verworven rechten door middel van acties en stakingen. Zeg maar de tegenbeweging. De meer gematigde PvdA-achterban, die openstaat voor vernieuwing en modernisering van de arbeidsmarkt, zal steeds kleiner worden. En daarmee het draagvlak voor het bestaande overlegmodel, waarin werkgeversorganisaties en de vakbeweging op centraal niveau afspraken maken die op lokaal niveau hun vertaling krijgen aan de onderhandelingstafel.
Bij de FNV is die tweespalt tot uiting gekomen in het conflict rond het Pensioenakkoord. FNV Bondgenoten en AbvaKabo, die samen meer dan de helft van de FNV-leden vertegenwoordigen, zijn tegen het akkoord van de vakcentrale en het CNV. Het conflict heeft geresulteerd in de aanstelling van vijf ‘kwartiermakers’ die in mei een conceptplan moeten indienen voor de Nieuwe Vakbeweging, zoals de werktitel luidt. Eerste kwartiermaker is PvdA-Kamerlid en voormalig staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Jetta Klijnsma. Naar eigen zeggen ‘geen vakbondsmeisje’, maar wel begaan met het aan het werk helpen en houden van mensen. Daarbij is een sterke vakbeweging onontbeerlijk.
Versnippering
Klijnsma is als altijd enthousiast van start gegaan en baseert zich daarbij op het advies dat oud-PvdA-senator Han Noten en oud-SER-voorzitter Herman Wijffels eind vorig jaar in opdracht van de FNV hebben opgesteld. De FNV moet terug naar de werkvloer en zich meer organiseren langs de lijnen van beroepsgroepen en sectoren. Leden moeten zich weer kunnen herkennen in hun bond, en niet-leden moeten het nut inzien van aansluiting, aldus Noten en Wijffels.
De vraag is of dat gaat lukken. De kwartiermakers moeten twee tegenstrijdige groepen bij elkaar brengen: enerzijds de zittende leden die hun vaste baan en verworven rechten niet willen kwijtraken, en anderzijds mensen die moeite hebben om een plaats op de arbeidsmarkt te verwerven, zoals jongeren, zzp’ers en uitkeringsgerechtigden. Zij hebben nu niet het idee dat de FNV iets voor hen doet. Het gevolg is dat slechts een kwart van de beroepsbevolking lid is van een vakbond, terwijl 80 procent onder een cao valt. En daar gaan de vakbonden over.
Als het niet lukt om de krachten te bundelen, kan de FNV uiteenvallen in vele kleine bonden, die vooral met acties en stakingen hun gelijk proberen te halen. Wordt de algemeen verbindend verklaarde cao straks ingeruild voor cao’s per bedrijf en ook nog eens per beroepsgroep?
Herman Wijffels denkt niet dat het zo’n vaart zal lopen. ‘Je zult straks niet een bond voor secretaresses of voor boekhouders krijgen, om maar wat te noemen. Aparte bonden voor onderwijspersoneel of de politie liggen meer voor de hand, maar die zijn er nu ook al.’ Hij ziet ook nog wel een rol weggelegd voor centraal overleg. ‘Onderlinge solidariteit zal van belang blijven, net als de macht van het getal. De Nieuwe Vakbeweging zal klein zijn waar mogelijk en groot waar nodig.’
Ook FNV Bondgenoten-voorzitter Henk van der Kolk verwacht niet dat het ieder voor zich wordt. Maar dan moet er niet te veel op basis van beroepsgroepen worden gereorganiseerd. ‘Want dan krijg je versnippering van bonden. Je kunt nog wel wat differentiëren in sectoren als het openbaar vervoer en de detailhandel. En ik zie het ook wel voor me dat bij grote bedrijven als DSM en Akzo aparte bedrijfsbonden ontstaan.’
De komende maanden zal duidelijk worden of die verwachtingen uitkomen. Inmiddels is het ook gaan rommelen bij collega-vakcentrale CNV. Daar heeft de politiebond aangekondigd uit de centrale te stappen, en overweegt de bond voor defensiepersoneel hetzelfde te doen. De beide bonden herkennen zich niet meer in de lijn van de vakcentrale en willen hun eigen weg gaan. Mogelijk vinden zij onderdak bij de Nieuwe Vakbeweging.
Het CNV dat overblijft, zal zijn eigen koers blijven varen. ‘Samenvoeging met de FNV is niet aan de orde’, zei CNV-voorzitter Jaap Smit in Trouw. Hij wil zich niet blindstaren op verworven rechten. ‘Ik heb niks met een club die overal ‘teugen’ is.’
Dat is bemoedigend voor werkgevers, maar het CNV zingt niet het hoogste lied in vakbondsland. Als de ramkoers binnen de FNV wordt voortgezet, wordt het poldermodel ingeruild voor het model dat we regelmatig in het buitenland zien. Waar centraal niet meer wordt overlegd en vakbonden en werknemers de barricaden opgaan totdat ze iets hebben bereikt. Met alle negatieve economische gevolgen van dien.
Kwartiermakers
Jetta Klijnsma wordt in haar opdracht bijgestaan door vier – relatief onbekende – insiders uit de vakbeweging. Drie van hen werken (Tuur Elzinga) of werkten (Marjan van Noort, Frank Bluiminck) bij de FNV, de vierde (Michel Donners) is parttime bestuursadviseur bij het CNV. Elzinga is ook lid van de Eerste Kamer voor de SP. Hij bedient daarmee de SP-achterban van de FNV, waar Klijnsma de PvdA-achterban bedient.
Op de barricaden?
In Nederland waren we goed overleg gewend tussen werkgevers en werknemers. Maar ‘de polder’ staat inmiddels op losse schroeven. Misschien wordt die ingeruild voor het model dat we regelmatig in het buitenland zien: op de barricaden! Totdat werknemers en vakbonden iets hebben bereikt. Wat betekent dat concreet voor ondernemers in de Verenigde Staten, Italië en het Verenigd Koninkrijk?
Italië
Fanatiek tegen vernieuwing
Het zijn de diehards onder de Italiaanse vakbonden. De leden van de metaalbond FIOM verklaarden ruim een jaar geleden de oorlog aan bestuursvoorzitter Sergio Marchionne van Fiat. Die wilde best investeren in de Italiaanse Fiat-fabrieken, maar alleen als het personeel zou instemmen met versobering van de arbeidsvoorwaarden zoals kortere pauzes en een meer flexibele inzetbaarheid. Dat alles in een specifiek voor het bedrijf opgestelde arbeidsovereenkomst waarvoor Fiat zelfs uit de werkgeversorganisatie Confindustria moest stappen, omdat die ook niet wilde dat de grootste private werkgever van het land zo zijn eigen gang gaat.
Marchionne kreeg zijn zin, want met de dreiging dat Fiat anders steeds meer modellen in Polen, Servië, de Verenigde Staten of Zuid Amerika zou gaan maken, moest het personeel wel instemmen met zijn eisen. FIOM bleef als enige bond echter tegen, organiseerde actie na actie en sprak van groot onrecht dat het Italiaanse Fiat personeel en Italianen in het algemeen wordt aangedaan. Net als moederbond CGIL, die het fanatiekst strijdt voor het behoud van verworven arbeidsrechten in Italië.
Silvio Berlusconi is er de afgelopen jaren in geslaagd een wig te drijven tussen de drie immer samen optrekkende vakbonden van het land: CGIL en de wat gematigder bonden CSIL en UIL. Hij kreeg de laatste twee aan zijn zijde bij bijvoorbeeld de massaontslagen om vliegmaatschappij Alitalia te redden. CGIL-voorzitter Susanna Camusso had geen goed woord over voor ‘bunga bunga Berlusconi’ met wie ze weigerde te praten. De andere vakbondsleiders lieten zich wel ontvangen op het regeringspaleis.
Met Mario Monti als premier is het slechts gedeeltelijk anders geworden. De bonden zien in hem zeker zo’n grote vijand als Berlusconi. Monti probeert de verdeel-en-heerspolitiek van Berlusconi richting de bonden voort te zetten door ze – inclusief CGIL - altijd apart te ontvangen. Met verdeeld succes. In december organiseerden de drie bonden voor het eerst in zes jaar weer gezamenlijk een nationale staking. En begin dit jaar presenteerden ze samen een voorstel hoe Italië weer kan groeien.
CGIL heeft nog steeds de grootste moeite met de hervormingen die het zakenkabinet voorstelt zoals liberalisering van markten, het snijden in pensioenen en de afschaffing van ontslagbescherming. Het meest fanatiek pleit voorzitter Camusso voor landelijke collectieve arbeidsovereenkomsten naast bedrijfs-cao’s voor de details, maar de andere bonden willen vooral duidelijk krijgen wat de werkelijke intenties van Monti zijn. Zij zien meer in inbinden vanwege de crisis dan de ramkoers van CGIL.
Die bond moet alleen een fanatieke achterban bedienen, zoals FIOM. De bond die het gehate Fiat- management via een handtekeningenactie dwong tot een nieuw referendum over het arbeidscontract. Zelfs Fiat-baas Marchionne krijgt de fanatiekste vakbond dus niet stil.
Maarten Veeger
Verenigd Koninkrijk
Platleggen of meedenken
‘De vakbonden dreigen een links hersenspinsel te worden. Ze pleiten voor een Utopia gebaseerd op een achterhaalde ideologie.’ Zo haalde een oud-Labour-minister en oud-vakbondsman deze maand uit naar de Britse bonden voor hun harde aanval op de partij. Reden voor de furie van de bonden: Labour kan eenmaal terug aan de macht niet alle bezuinigingen van de huidige regering ongedaan maken als daar geen geld voor is, en de steun voor de beperkte loonstijging van 1 procent voor ambtenaren.
Labour-leider Ed Milliband, door de pers vaak ‘Red Ed’ genoemd omdat hij zijn verkiezing in 2010 aan de stemmen van de vakbonden te danken had, waarschuwt de bonden sinds zijn aantreden om zich niet te laten verleiden tot massale stakingen tegen de harde bezuinigingen van de regering. Oud-Labourleider Tony Blair: ‘De bonden moeten moderniseren. Ze moeten begrijpen hoe snel de wereld aan het veranderen is, en zich openstellen voor het proces van verandering.’
De Winter of discontent van eind jaren zeventig ligt voor veel mensen nog vers in het geheugen. Toen werd het land door wijdverspreide stakingen grotendeels platgelegd. Labour verloor de verkiezingen en Margaret Thatcher bracht de bonden in de jaren tachtig vervolgens op hun knieën. Sinds die tijd is het aantal vakbondsleden meer dan gehalveerd tot 5,5 miljoen. Nog maar één op de zes werknemers in de private sector is lid van een bond. Over slechts een derde van de lonen in de private sector wordt nog collectief onderhandeld. Werknemers hebben bonden vaak niet meer nodig om voor hun rechten op te komen, en er zijn nu werknemersraden.
De acties van het personeel van British Airways zorgen soms nog wel voor tientallen miljoenen schade voor de luchtvaartmaatschappij, maar vakbonden tellen eigenlijk alleen nog maar in de publieke sector waar gemiddeld 72 procent van de werknemers lid is. Dankzij hun organisatiegraad kunnen metrobestuurders het openbaar vervoer grotendeels ontregelen. Een Organising Academy moet helpen om leden te mobiliseren, terwijl het Partnership Institute de dialoog aangaat met werkgevers. Bonden organiseren allerlei projecten om werknemers verder op te leiden. Op aandeelhoudersvergaderingen stellen zij zich actief op in discussies over salarissen aan de top.
De huidige bezuinigingen geven de vakbonden een platform om naar voren te treden. Zij willen met de regering meedenken over de aanpak van de economische problemen. Ze stellen zich op als voorvechters voor het brede publiek, tégen de uitholling van belangrijke overheidsdiensten, en vóór werknemersrechten en goede arbeidsomstandigheden. Ze willen af van het oude beeld van de vijandige bonden. Het zijn echter de acties tegen kortingen op ambtenarenpensioenen en -salarissen die de meeste publieke aandacht krijgen.
Maaike Veen
VS
Uit de markt geprijsd
Indiana had er economisch veel beter voor kunnen staan volgens de Kamer van Koophandel daar. Als het tenminste – net als Wisconsin en andere door de Republikeinen gedomineerde staten – eerder de wet had ingevoerd die deze maand op de agenda staat: de right-to-work legislation. Die wet moet het mogelijk maken dat werknemers niet langer verplicht zijn een financiële bijdrage te betalen aan een vakbond die hun belangen behartigt, ook als zijn ze er geen lid van. ‘Een kwart tot de helft van de bedrijven, die banen willen creëren, blijft weg uit staten waar die wetgeving niet geldt’, zegt Brian Bosma, woordvoerder van de Republikeinen in Indiana in the New York Times. ‘Daar moeten we wat aan doen.’
Het mag de enige manier zijn in de Verenigde Staten om arbeidsrelaties te regelen, de vakbond staat er steeds meer onder druk. ‘Begrijpelijk’, vindt John Sampson, voorzitter van de economische ontwikkelingsgroep Northeast Indiana Regional Partnership in the New York Times. Want, zo legt hij uit, de lonen zijn niet alleen een stuk hoger bij bedrijven waar de vakbond dominant aanwezig is, bedrijven zijn ook minder flexibel om kosten te besparen. En dan blijven ze dus liever weg.
Officieel hebben werknemers het recht om ad hoc een vakbond te beginnen. Zodra een minimum van 30 procent van de handtekeningen van de werknemers is bereikt, organiseert de overheid binnen negentig dagen een stemming. Is de meerderheid van de werknemers vóór, dan is de vakbond officieel. Maar de Amerikaanse vakbonden verliezen al jaren gestaag terrein: nog maar 7 procent van de werknemers is lid. Het verdwijnen van fabrieksarbeid speelt daarbij een rol, de belangrijkste reden is echter dat vakbonden zich uit de markt hebben geprijsd. Volgens econoom Barry Hirsch van Georgia State University, ondermeer omdat de lonen in ondernemingen waarin collectief wordt onderhandeld gemiddeld 20 procent hoger zijn dan in bedrijven zonder vakbonden. Omdat er praktisch geen verschillen zijn in productiviteit kunnen die kosten alleen maar worden afgewenteld op de klant. Vroeger was dat nauwelijks een probleem, aangezien de sectoren waarin de vakbeweging het meest actief was, gedomineerd werden door een klein aantal grote ondernemingen met vergelijkbare loonkosten. Maar dat is wel veranderd sinds de concurrentie ook van buiten de VS toenam. Juist die ondernemingen konden vaak niet de flexibiliteit opbrengen om op de veranderingen in te spelen en gingen failliet. Kijk maar naar de Amerikaanse auto-industrie: de ‘grote drie' hadden bij het uitbreken van de financiële crisis in 2008 zulke lasten aan pensioen- en ziektekostenverplichtingen opgebouwd dat overleven zonder staatsteun niet mogelijk was.
Sinds de recessie is de steun voor vakbonden nog verder afgebrokkeld. Met een hardnekkige werkloosheid van rond de 9 procent weegt voor menig werknemer het voordeel van een vakbond niet op tegen de risico’s van een faillissement van de werkgever.
Jeroen Ansink
Paul Scheer
scheer@vno-ncw.nl